Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BR1650

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
28-02-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
208114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Instantie voor jeugdzorg dringt gedurende de wettelijke schuldsanering bewust niet aan op betaling van de verplichte onderhoudsbijdrage voor een uit huis geplaatste dochter. Nadat de schuldsanering met een schone lei was geëindigd vordert de instantie voor jeugdzorg betaling van het inmiddels tot € 3.351- opgelopen bedrag. Dat is in strijd met eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW) De instantie voor jeugdzorg had zich de belangen van de schuldenaar moeten aantrekken en van haar kant tijdens de schuldsanering moeten aandringen op ruimte in het aan de schuldenaar vrijgelaten bedrag voor het betalen van de verplichte onderhoudsbijdrage. Deze bijdrage moet op één lijn worden gesteld met kinderalimentatie. Het is billijk dat de helft van de vordering als schade van onrechtmatige passiviteit wordt verrekend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Faillissementswet
Faillissementswet 284
Faillissementswet 285
Faillissementswet 286
Faillissementswet 287
Faillissementswet 287a
Faillissementswet 287b
Faillissementswet 288
Faillissementswet 289
Faillissementswet 290
Faillissementswet 291
Faillissementswet 292
Faillissementswet 293
Faillissementswet 294
Faillissementswet 294a
Faillissementswet 294b
Faillissementswet 295
Faillissementswet 295a
Faillissementswet 296
Faillissementswet 297
Faillissementswet 298
Faillissementswet 299
Faillissementswet 299a
Faillissementswet 299b
Faillissementswet 300
Faillissementswet 301
Faillissementswet 302
Faillissementswet 303
Faillissementswet 304
Faillissementswet 305
Faillissementswet 306
Faillissementswet 307
Faillissementswet 308
Faillissementswet 309
Faillissementswet 309a
Faillissementswet 310
Faillissementswet 311
Faillissementswet 312
Faillissementswet 313
Faillissementswet 314
Faillissementswet 315
Faillissementswet 316
Faillissementswet 317
Faillissementswet 318
Faillissementswet 319
Faillissementswet 320
Faillissementswet 321
Faillissementswet 322
Faillissementswet 323
Faillissementswet 324
Faillissementswet 325
Faillissementswet 326
Faillissementswet 327
Faillissementswet 328
Faillissementswet 328a
Faillissementswet 329
Faillissementswet 330
Faillissementswet 331
Faillissementswet 332
Faillissementswet 333
Faillissementswet 333a
Faillissementswet 334
Faillissementswet 335
Faillissementswet 336
Faillissementswet 337
Faillissementswet 338
Faillissementswet 339
Faillissementswet 340
Faillissementswet 341
Faillissementswet 342
Faillissementswet 343
Faillissementswet 344
Faillissementswet 345
Faillissementswet 346
Faillissementswet 347
Faillissementswet 348
Faillissementswet 349
Faillissementswet 349a
Faillissementswet 350
Faillissementswet 351
Faillissementswet 351a
Faillissementswet 352
Faillissementswet 353
Faillissementswet 354
Faillissementswet 354a
Faillissementswet 355
Faillissementswet 356
Faillissementswet 357
Faillissementswet 358
Faillissementswet 358a
Faillissementswet 359
Faillissementswet 359a
Faillissementswet 360
Faillissementswet 361
Faillissementswet 362
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

Locatie Middelburg

zaak/rolnr.: 208114 / 10-3793

vonnis van de kantonrechter d.d. 28 februari 2011

in de zaak van

de stichting

Stichting Agogische Zorgcentra Zeeland,

gevestigd te [adres],

eisende partij,

verder te noemen: AZZ,

gemachtigde: AGIN Timmermans,

t e g e n :

[A],

wonende te Vlissingen,

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde],

in persoon.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 9 augustus 2010,

- mondeling antwoord,

- conclusie van repliek,

- schriftelijke toelichting.

- tussenvonnis d.d. 22 november 2010,

- persoonlijke verschijning van partijen.

de verdere beoordeling van de zaak

1. De kantonrechter handhaaft hetgeen is overwogen en beslist bij het tussenvonnis. De inhoud van dat vonnis moet als hier ingelast worden beschouwd. De gezinsvoogd was de heer [X], die in dienst was bij de stichting William Schrikker Jeugdbescherming. Deze gezinsvoogd was niet bevoegd om AZZ te binden met een afspraak dat [gedaagde] kosten voor de verzorging van [haar dochter] mocht verrekenen met de eigen bijdrage opgelegd door AZZ. Niet gesteld of gebleken is dat AZZ de schijn zou hebben gewekt dat de gezinsvoogd wel bevoegd was. Daarop strandt het verweer van [gedaagde].

2. Ter zitting is voorts het volgende gebleken:

AZZ heeft gedurende de wettelijke schuldsanering ervan afgezien om aan te dringen op betaling van de kwartaalfacturen, omdat AZZ wist dat het vrijgelaten bedrag dat [gedaagde] wekelijks ontving van haar bewindvoerder slechts voldoende was voor haar eigen levens-onderhoud. Daarin was geen enkele ruimte om de kwartaalfacturen te betalen. Dit beseffende heeft AZZ bewust gewacht totdat de wettelijke schuldsanering was geëindigd.

3. Nadat de schuldsanering was geëindigd op 3 april 2009 met een “schone lei”, bleek die lei toch niet zo erg schoon te zijn, want AZZ meldde zich aanstonds bij [gedaagde] met haar vordering ad € 3.351,96 en ging al snel tot dagvaarding over, aangezien [gedaagde] die vordering natuurlijk niet kon betalen. De wanhopige reactie van [gedaagde] in dit geding (“Neem mijn leven maar, dat is alles wat ik nog heb.”) is goed te begrijpen. Zij heeft meer dan drie jaren moeten leven op het absolute bestaansminimum in de hoop daardoor zonder schulden verder te kunnen met haar leven. Deze hoop is door de calculerende opstelling van AZZ in deze zaak vernietigd. Zij heeft opnieuw het vooruitzicht jarenlang op het bestaans-minimum te worden teruggeworpen teneinde de schuld aan AZZ af te betalen. Overigens bleek AZZ ter zitting niet bereid een betalingsregeling te treffen. AZZ wil gewoon een vonnis, want [gedaagde] moet alles tot de laatste cent betalen mèt rente en hoge kosten.

4. Hierin volgt de kantonrechter AZZ niet, want AZZ is jegens [gedaagde] tekortge-schoten door gedurende de schuldsanering niet aan te dringen op betaling van de bijdrage en zich niet bij de bewindvoerder van [gedaagde] te melden. Het moge zo zijn dat op de vordering van AZZ de schuldsanering niet van toepassing is, AZZ had er wel op kunnen en moeten aandringen dat in het vrijgelaten bedrag dat aan [gedaagde] ter beschikking werd gesteld, ruimte was voor het betalen van de bijdrage aan AZZ. Deze bijdrage moet op één lijn worden gesteld met kinderalimentatie en daarmee behoort rekening te worden gehouden bij het vaststellen van het vrij te laten bedrag.

5. Ter zitting is gebleken dat [gedaagde] haar bewindvoerder wel op de hoogte heeft gebracht van de bijdrage die zij aan AZZ moest betalen, zolang haar dochter in [een instelling] was geplaatst. Het was aanstonds duidelijk dat [gedaagde] die bijdrage niet kon betalen. De bewindvoerder heeft daarmee echter geen rekening gehouden en heeft de rechtbank niet verzocht om een hoger vrij te laten bedrag. [Gedaagde] heeft niet beseft dat AZZ het einde van de schuldsanering zou afwachten om haar dan te confronteren met een zeer aanzienlijk opgelopen vordering. Maar schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2, lid 1, BW). AZZ had zich daarom de belangen van [gedaagde] dienen aan te trekken en van haar kant moeten aandringen op ruimte in het vrijgelaten bedrag voor het betalen van de bijdrage. AZZ had [gedaagde] hierin moeten steunen, aangezien [gedaagde] als schuldenaar in de wettelijke schuldsanering in een zwakke positie was en kennelijk haar belangen onvoldoende assertief naar voren bracht. Aangenomen kan worden dat er tijdens de schuldsanering ruimte zou zijn gekomen om de bijdrage aan AZZ te betalen, wanneer dit op toereikende wijze onder de aandacht van de bewindvoerder en de rechtbank was gebracht, aangezien de bijdrage op één lijn moet worden gesteld met kinderalimentatie.

6. Maar AZZ heeft ervoor gekozen welbewust passief te blijven tijdens de schuldsa-nering in het besef dat [gedaagde] geen ruimte had om de bijdrage te betalen en heeft aldus de vordering gedurende jaren laten oplopen. Aldus heeft AZZ onrechtmatig jegens Dinge-manse gehandeld. Anderzijds draagt ook [gedaagde] verantwoordelijkheid voor de situatie die thans is ontstaan. Daarom is het billijk dat de helft van de vordering van AZZ als schade van haar onrechtmatige passiviteit met die vordering wordt verrekend.

6. De conclusie is dat van de vordering in hoofdsom niet meer dan € 1.675,98 toewijsbaar is. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] hierover tot de dag van dagvaarding rente zou moeten vergoeden, want AZZ is welbewust passief gebleven. Het is niet redelijk dat [gedaagde] incassokosten zou moeten vergoeden, omdat is getracht een te hoog bedrag te innen. Omdat partijen over en weer op punten in het ongelijk worden gesteld, zullen tussen hen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder partij de eigen proceskosten zal moeten dragen.

de beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan AZZ te betalen een bedrag van € 1.675,98, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag te berekenen vanaf 9 augustus 2010 tot de dag der voldoening;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten moet dragen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.