Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BQ9916

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
parketnummer: 12/705176-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weliswaar is er sprake van onoplettend gedrag van verdachte door achterop komend verkeer en de dode hoek niet te controleren op het moment van het inzetten van de inhaalmanoeuvre maar dit is onvoldoende voor schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 waardoor verdachte hiervan wordt vrijgesproken. De gedraging van verdachte was wel zodanig dat daarmee gevaar en hinder op de weg werd veroorzaakt in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/705176-11 (P)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juni 2011

in de strafzaak

[naam],

geboren op [1955] te [plaats],

wonende te [plaats], [adres],

ter terechtzitting verschenen,

raadsvrouw mr. Oomen, advocate te Roosendaal,

ter terechtzitting verschenen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juni 2011 waarbij de officier van justitie mr. Bethlehem en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten dat:

hij op of omstreeks 14 oktober 2009 te Terneuzen als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende

over de weg, de N61 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

zonder er zich (voldoende) van te vergewissen dat de weg(helft) links naast

hem, verdachte, vrij was zich naar links te begeven en in botsing, althans in

aanrijding te komen met een zich aldaar bevindende motorrijder en/of diens

motorfiets (welke verdachte aan het inhalen was),

waardoor die motorrijder (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk

letsel, te weten een miltscheur, of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 14 oktober 2009 te Terneuzen als bestuurder van een

voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de N61,

zonder er zich (voldoende) van te vergewissen dat de weg(helft) links naast

hem, verdachte, vrij was zich naar links heeft begeven en in botsing, althans

in aanrijding is gekomen met een zich aldaar bevindende motorrijder en/of

diens motorfiets (welke verdachte aan het inhalen was),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voor het primair ten laste gelegde vrijspraak. Het subsidiair ten laste gelegde acht zij wel wettig en overtuigend bewezen. Zij voert daartoe aan dat verdachte weliswaar niet goed genoeg gekeken heeft voordat hij de inhaalmanoeuvre inzette omdat de motorrijder immers op enig moment voor verdachte zichtbaar moet zijn geweest, maar dat hij gedaan heeft wat op dat moment in zijn vermogen lag. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij, voordat hij opzij ging naar links, voor zich, in zijn spiegel en naast zich heeft gekeken. De feiten leiden volgens haar wel tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegd omdat verdachte zich bewust diende te zijn van de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers. Door de motorrijder niet waar te nemen en niet voor te laten gaan heeft verdachte hinder en gevaar veroorzaakt.

Op de verweren van de raadsvrouw voert de officier van justitie aan dat uit het dossier is gebleken dat de motorrijder reeds aan het inhalen was op het moment dat verdachte met zijn voertuig naar de linkerrijbaan kwam.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte bepleit vrijspraak van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde. Kort weergegeven betoogt zij dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde nu uit het dossier niet valt op te maken dat verdachte een verkeersfout heeft gemaakt en/of onoplettend is geweest. Hij heeft immers alle handelingen verricht die hij had moeten verrichten. Zij heeft voorts verwezen naar de rechtspraak van de Hoge Raad waarin is bepaald dat niet iedere nalatigheid leidt tot culpa in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Een andere omstandigheid die mee speelt, is dat de toedracht van het ongeval niet is vast komen te staan. Ook voor het subsidiair ten laste gelegde voert de raadsvrouw aan dat verdachte geen verkeersfout heeft gemaakt en daarmee geen hinder en/of gevaar heeft veroorzaakt. Niet iedere schending van de verkeersveiligheid of de -doorstroming leidt tot overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat er op 14 oktober 2009 te Terneuzen op de N61 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden . Hierbij was verdachte als bestuurder van een bedrijfsauto betrokken . Tevens was bij dit ongeval betrokken [slachtoffer] als bestuurder van een motor . Verdachte reed achter een vrachtwagen met aanhanger en daarvoor reed weer een graafmachine . Hierdoor werd er langzamer gereden dan de toegestane snelheid van 80 km/u . Achter verdachte reden inmiddels zeker drie andere auto’s en een motorrijder . Verdachte heeft vervolgens een inhaalmanoeuvre gestart om de vrachtwagen die voor hem reed te passeren. Hierbij heeft hij voor zich gekeken naar het tegemoetkomend verkeer en in zijn linkerbuitenspiegel naar het achterop komend verkeer. Vervolgens heeft hij zijn richtingaanwijzer naar links aangezet en heeft de linkerrijbaan op gestuurd . Aldaar kwam hij in botsing met de motorrijder die hem reeds aan het inhalen was . Als gevolg hiervan heeft de motorrijder een miltscheur opgelopen waarop de milt in het ziekenhuis operatief is verwijderd .

De rechtbank overweegt dat verdachte door de inhaalmanoeuvre in te zetten op de hierboven omschreven wijze en vervolgens in botsing te komen met de motorrijder die naast hem reed, niet de voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht die redelijkerwijs van een bestuurder van een motorvoertuig mag worden verwacht. Immers, de motorrijder moet gelet op het aantal auto’s dat hij reeds had ingehaald en op de linkerrijstrook reed, voor verdachte op enig moment in zijn linker buitenspiegel waarneembaar zijn geweest. Verdachte heeft op het moment dat er in file werd gereden achter een vrachtwagen, nagelaten het verkeer dat achter hem reed, voldoende te controleren. Bovendien is niet gebleken dat hij zijn dode hoek heeft gecontroleerd op het moment dat hij de inhaalmanoeuvre inzette. Onder deze omstandigheden dient men immers extra oplettend te zijn in het verkeer. Voor schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet minimaal sprake zijn van aanmerkelijke schuld. Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze gradatie van schuld met het hiervoor beschreven handelen van verdachte niet bereikt, temeer nu onbekend is gebleven met welke snelheid de motorrijder reed. De rechtbank komt dan ook niet tot een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet en spreekt verdachte derhalve vrij van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank is echter wel van oordeel dat de inhaalmanoeuvre die door verdachte met zijn motorvoertuig is uitgevoerd, een zodanige gedraging is geweest dat gevaar op de weg is veroorzaakt en het verkeer op die weg is gehinderd in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Immers [slachtoffer] heeft niet ongestoord zijn weg kunnen vervolgen en is in botsing gekomen met het motorvoertuig van verdachte. Het was de verantwoordelijkheid van verdachte om bij het uitvoeren van een dergelijke bijzondere manoeuvre in het verkeer bedacht te zijn op andere verkeersdeelnemers en verdachte is daarin tekort geschoten. Dat verdachte bij de uitvoering van zijn inhaalmanoeuvre in botsing is gekomen met de motorrijder, kan hem dan ook worden verweten. Op grond hiervan acht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en verklaart zij verdachte daaraan schuldig.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 14 oktober 2009 te Terneuzen als bestuurder van een

voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de N61,

zonder er zich (voldoende) van te vergewissen dat de weg(helft) links naast

hem, verdachte, vrij was zich naar links heeft begeven en in botsing is gekomen met een zich aldaar bevindende motorrijder en/of

diens motorfiets (welke verdachte aan het inhalen was),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een geldboete van € 250,- subsidiair te vervangen door vijf dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Zij baseert zich daarbij op de geldende richtlijnen maar heeft haar eis gehalveerd vanwege het feit dat de zaak inmiddels redelijk oud is. Verder houdt zij rekening bij haar eis dat verdachte geen strafblad heeft.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte bepleit primair vrijspraak. Subsidiair voert zij een strafmaat verweer waarin zij heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zo heeft verdachte geen strafblad en heeft hij een baan waarin het besturen van een bedrijfsbus noodzaak is. Wanneer verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid zou krijgen, kan hij zijn functie niet uitvoeren. Verder heeft zij erop gewezen dat verdachte contact heeft gezocht met het slachtoffer. Tot slot verzoekt de raadsvrouw rekening te houden met het tijdsverloop tussen het ongeval en de behandeling van de zaak op zitting.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 14 oktober 2009 te Terneuzen met een bedrijfsauto gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer op die weg gehinderd. Als gevolg hiervan heeft er een ongeval plaatsgevonden waardoor het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 29 april 2011. Hierin komt naar voren dat verdachte, hoewel hij het ongeval nog regelmatig herbeleeft, hij zich niet schuldig voelt aan het ongeval. Ook heeft hij zich ingespannen om in contact met het slachtoffer te komen hetgeen ook gelukt is. Verder heeft verdachte een vaste baan waarvoor hij zijn rijbewijs nodig heeft. Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal hierbij dan ook problemen opleveren. Verdachte is bereid en in staat om een geldboete te betalen dan wel een werkstraf te verrichten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. Zij legt aan verdachte op een geldboete van € 250,-, subsidiair te vervangen door vijf dagen hechtenis. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit het oogpunt van normhandhaving een ontzegging van de rijbevoegdheid dient te volgen. Zij acht een ontzegging voor de duur van twee maanden op zijn plaats. Deze zal zij voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van één jaar waarmee beoogd wordt dat verdachte zich ervan zal weerhouden opnieuw strafbare (verkeers)feiten te plegen. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf het tijdsverloop tussen het ongeval en de behandeling van de strafzaak verdisconteerd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 250,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van vijf dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Boven-Hartogh, voorzitter, mr. Nomes en mr. Van Steenbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 juni 2011.

Mr. Van Steenbergen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.