Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BQ9900

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
parketnummer: 12/700067-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gifmoord Kattendijke. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700067-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1956] te [plaats] [(land)],

wonende te [adres], [woonplaats],

gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Vrouwen in Breda,

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Vermeirssen, advocaat te Goes,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2011 waarbij de officier van justitie mr. De Smet-Dierckx en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte wordt verweten dat:

zij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 8 maart 2009 te Kattendijke,

gemeente Goes, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, hebbende zij, verdachte, voornoemde [slachtoffer]

(verdachtes wettige echtgenoot)(telkens) na kalm beraad en rustig overleg

opzettelijk - zakelijk weergegeven -:

een hoeveelheid van een middel/vloeistof, bevattende minoxidil en/of één of

meer andere voor de gezondheid schadelijke stoffen (waaronder

amitriptilyne), in een fles en/of glas (al dan niet gevuld met een

hoeveelheid alcoholische drank (te weten Rua Vieja)) gedaan en/of aan die

[slachtoffer] toegediend en/of te drinken gegeven en/of ter consumptie voor

die [slachtoffer] achtergelaten;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

zij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 08 maart 2009 te Kattendijke,

gemeente Goes, opzettelijk en met voorbedachten rade, mishandelend een

persoon, te weten [slachtoffer], (telkens) na kalm beraad en rustig overleg,

een hoeveelheid van een middel/vloeistof, bevattende minoxidil en/of één of

meer andere voor de gezondheid schadelijke stoffen (waaronder

amitriptilyne), in een fles en/of glas (al dan niet gevuld met een

hoeveelheid alcoholische drank (te weten Rua Vieja)) gedaan en/of aan die

[slachtoffer] toegediend en/of te drinken gegeven en/of ter consumptie voor

die [slachtoffer] achtergelaten, welk feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

en/of

zij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 8 maart 2009 te Kattendijke,

gemeente Goes, (telkens) opzettelijk haar echtgenoot [slachtoffer], tot

wiens onderhoud, verpleging of verzorging zij krachtens artikel 81 Boek I van

het Burgerlijk wetboek verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht

en/of heeft gelaten, door tijdig(e) medische assistentie aan die [slachtoffer]

te onthouden en/of heeft nagelaten deze (tijdig) in te roepen terwijl deze

onmiskenbaar en dringend geboden was.

art 255 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf 3 Wetboek van Strafrecht

art 301 lid 3 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding van het tweede subsidiaire feit

3.1.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat dit deel van de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is. Onduidelijk is welke feitelijke handelingen of gedragingen zouden moeten leiden tot het normatieve deel van de tenlastelegging. Eveneens is onduidelijk of het gaat om het in hulpeloze toestand brengen of het in hulpeloze toestand laten.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht dit deel van de tenlastelegging nietig te verklaren wegens strijd met artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat een nalaten niet nader feitelijk ingevuld kan worden, zodat het verweer verworpen dient te worden.

3.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat, nu de termen ‘in hulpeloze toestand brengen of laten’ niet voldoende feitelijk zijn, deze termen in de tenlastelegging nader omschreven dienen te worden. De rechtbank stelt vast dat deze termen nader zijn omschreven, te weten dat aan verdachte wordt verweten dat zij tijdig(e) medische assistentie aan het slachtoffer heeft onthouden en/of dat zij heeft nagelaten deze hulp (tijdig) in te roepen, terwijl de hulp onmiskenbaar en dringend geboden was. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging daarmee voldoende feitelijk omschreven is en ook overigens aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet. De dagvaarding is daarom geldig.

3.2 De overige voorvragen

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Rechtmatigheid van de aanhouding, inverzekeringstelling en inbewaringstelling

4.1.1 Het standpunt van de verdediging

Rechtmatigheid van de aanhouding

De verdediging heeft aangevoerd dat, na vaststelling van een natuurlijke dood door de dienstdoende arts van de huisartsenpost – waarover volgens deze arts geen twijfel kon bestaan – , verdachte wordt aangehouden, nadat informatie wordt verkregen van de dochter van het slachtoffer die het plotselinge overlijden niet vertrouwt, en van [getuige 1], een goede vriend van het slachtoffer. De dochter heeft verklaard dat haar vader toen hij bij haar in Spanje was had verteld dat verdachte eens medicijnen door het eten zou hebben gedaan. [getuige 1] verklaart dat het slachtoffer in de week voorafgaand aan zijn overlijden tegen hem heeft gezegd dat verdachte pillen door zijn eten heeft geprakt en hem zo had proberen te vergiftigen.

De verdediging is van mening dat het bovenstaande onvoldoende is voor het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Het redelijk vermoeden moet blijken uit objectieve feiten en omstandigheden. Daarvan was hier geen sprake. Het enige wat er was, was een vage opmerking van het slachtoffer zelf, aldus uit slechts één bron, welke opmerking niet is gemaakt om een risico aan te duiden dat dit zou gebeuren. Het ging om een eenmalige gebeurtenis uit het verleden, die kennelijk door het slachtoffer is geïnterpreteerd als een poging tot vergiftiging, maar welke gebeurtenis in feite ging om het toedienen van medicijnen die het slachtoffer weigerde in te nemen. Bovendien werden er door de zoon en de dochter van het slachtoffer omstandigheden genoemd die een natuurlijke dood onderstrepen, namelijk een slechte lichamelijke conditie en depressie, welke omstandigheden een eventueel redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte juist ontkrachtte. Er was ten tijde van de aanhouding dus geen redelijk vermoeden van schuld.

De aanhouding van verdachte is daarmee onrechtmatig. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit dient gesanctioneerd te worden met bewijsuitsluiting.

Rechtmatigheid van de inverzekeringstelling

Ook de inverzekeringstelling is onrechtmatig, omdat er op dat moment nog steeds onvoldoende objectieve feiten en omstandigheden voor een redelijk vermoeden van schuld waren. Het enige verschil met het moment van aanhouding is de verklaring van [getuige 1]. Maar daarvoor geldt dat de bron van zijn verklaring het slachtoffer is. Tegen hem heeft het slachtoffer verteld dat het verdachtes bedoeling was om met de pillen door het eten het slachtoffer beter te maken. Uit deze verklaring volgt juist dat geen sprake was van een poging tot vergiftiging en dat het na dat ene incident niet meer is voorgekomen.

Verdachte is derhalve eveneens onterecht in verzekering gesteld. Ook hier doet de verdediging een beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De verhoren van verdachte die tijdens de inverzekeringstelling zijn afgenomen, dienen van het bewijs te worden uitgesloten.

Rechtmatigheid van de bewaring

Op het moment dat verdachte in bewaring is gesteld, bestonden er naar de mening van de verdediging onvoldoende ernstige bezwaren. Deze volgen namelijk niet uit de verklaringen die tot dan toe zijn afgelegd. De resultaten van de obductie door dr. Kubat op 11 maart 2009 wijzen op een natuurlijke dood. Weliswaar meldt zij dat de aangetroffen volle blaas en het longoedeem voorkomt bij vergiftigingen, maar dat dat niet specifiek is. Uit de rapportage van 13 maart 2009 van arts-medisch adviseur Noordsij volgt dat de gezondheidstoestand van het slachtoffer, met name het alcoholgebruik en de hartkwalen, het overlijden goed kunnen verklaren. Huisarts Schmeitz heeft tegen rechercheur Groenewegen verklaard dat longoedeem in deze casus niet vreemd is vanwege de lekkende hartklep.

Ondanks deze ontlastende informatie is verdachte in bewaring gesteld. Zulks ten onrechte, zodat de verdediging ook hier een beroep doet op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Alle verklaringen van verdachte sinds de inbewaringstelling dienen daarom van het bewijs te worden uitgesloten.

4.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de verdediging deze standpunten al eerder heeft aangevoerd en dat de verweren door de rechter-commissaris en het gerechtshof zijn verworpen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat niet toe dat de verweren nu bij de rechtbank worden gevoerd.

4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Rechtmatigheid van de aanhouding en de inverzekeringstelling

De vraag of een opsporingsambtenaar een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van een verdachte kon hebben, wordt door de rechter-commissaris, en door de rechter in feitelijke instanties – ook ter terechtzitting – marginaal getoetst. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat hieraan niet in de weg.

Marginaal toetsend komt de rechtbank tot het oordeel dat de hulpofficier van justitie verdachte als verdachte in de zin van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kon aanmerken op het moment van aanhouding, op grond van de dan bekende feiten en omstandigheden te weten:

- na de vaststelling van natuurlijk overlijden is telefonisch bericht ontvangen van de dochter van het slachtoffer dat het overlijden mogelijk kon zijn veroorzaakt door vergiftiging met medicijnen. Het slachtoffer was in de week voor zijn overlijden bij zijn dochter in Spanje geweest en had verteld dat verdachte wel eens medicijnen in zijn eten had gedaan;

- een vriend van het slachtoffer, [getuige 1], die met het slachtoffer mee is gegaan naar Spanje, kon diezelfde avond telefonisch bevestigen dat het slachtoffer dit had verklaard;

- verdachte was voorafgaand aan het overlijden alleen met het slachtoffer in de woning geweest en

- vastgesteld is dat het slachtoffer is overleden.

Na de aanhouding om 00:15 uur op 9 maart 2009 is verdachte verhoord, alsmede de zoon van het slachtoffer en [getuige 1], waarna verdachte om 14:30 uur die dag in verzekering is gesteld. Uit de verklaringen van de zoon en [getuige 1] komt een beeld naar voren van een geleidelijk aan slechter wordende relatie tussen verdachte en het slachtoffer. Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden en op de artikelen 57, eerste lid, en 58, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de inverzekeringstelling van verdachte naar het oordeel van de rechtbank als rechtmatig worden aangemerkt.

Rechtmatigheid van de bewaring

Na de inverzekeringstelling zijn op 10 maart 2009 de resultaten van de voorlopige sectie bekend geworden. In het rapport merkt dr. Kubat op dat het aangetroffen longoedeem en de volle blaas niet specifiek zijn, maar onder andere vaak voorkomen bij intoxicaties.

Na de inverzekeringstelling zijn voorts de dochter van het slachtoffer en [getuige 1] verhoord, evenals de broer van het slachtoffer en diens vrouw en een aantal buurtbewoners. Ook uit deze verklaringen valt af te leiden dat de relatie tussen verdachte en de overledene vooral de laatste jaren problematisch was, waarbij sprake was van alcoholmisbruik en mogelijk het plegen van fysiek geweld door het slachtoffer. De rechtbank overweegt dat op grond van deze aanvullende feiten en omstandigheden, die de verdenking ondersteunden en een mogelijk motief naar voren brachten, de rechter-commissaris heeft kunnen besluiten tot het bevelen van de bewaring.

4.2 Ten aanzien van de tenlastegelegde feiten

4.2.1 Het primair en eerste subsidiair ten laste gelegde feit

4.2.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie komt tot de conclusie dat moord bewezen kan worden en zij baseert zich voor de bewijsconstructie op de volgende overwegingen. Er is sprake van een onnatuurlijk overlijden van het slachtoffer als gevolg van de aanwezigheid van een dodelijke concentratie minoxidil in zijn lichaam. Uit onderzoek is komen vast te staan dat het minoxidil afkomstig is uit een medicijnflesje met haargroeimiddel waarvan minoxidil een bestanddeel is. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden vastgesteld dat de vloeistof door de verdachte uit het medicijnflesje in een fles Rua Vieja is gedaan waarna deze is uitgeschonken in een sherryglas. Het slachtoffer heeft het minoxidil binnen gekregen door uit dit glas te drinken. Behalve minoxidil is ook het middel Amitriptyline in het lichaam van het slachtoffer aangetroffen. De verdachte had beide middelen bij haar aanhouding als verdachte in haar bezit. Voorafgaand aan de toediening van de middelen heeft de verdachte voorbereidend onderzoek gedaan naar de werking van diverse medicatie, waaronder hartmedicatie. Dit onderzoek en haar gedragingen in de week voor het overlijden, tijdens het overlijden en na het overlijden van het slachtoffer zijn maar op een manier uit te leggen, namelijk dat zij heeft gehandeld als na kalm en rustig beraad. Geen van de alternatieve scenario’s is aannemelijk.

4.2.1.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging aangevoerd dat er geen causaal verband is aangetoond tussen het gebruik van Minoxidil en het overlijden van het slachtoffer. De ingeschakelde deskundigen verschillen hierover van mening waarbij de diverse conclusies ruimte laten voor meerdere interpretaties. Voor een bewezenverklaring is noodzakelijk dat dit causaal verband is aangetoond.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat naast het scenario zoals geschetst door het Openbaar Ministerie er andere zeer reële mogelijkheden zijn waarop het slachtoffer de minoxidil in zijn lichaam kan hebben gekregen, welke mogelijkheden niet worden weersproken door de forensische rapportages en overige bewijsmiddelen. Zo is het heel goed mogelijk dat het slachtoffer het middel per ongeluk heeft ingenomen. Gelet op het hoge alcoholpromillage in zijn bloed, heeft het slachtoffer kunnen denken dat het Corvalol was, een rustgevend middel dat regelmatig zowel door verdachte als het slachtoffer werd gebruikt. Corvalol zat in een flesje gelijkend aan dat van het haargroeimiddel en welk flesje ook op het aanrecht stond. Hij kan dan tevens een grotere hoeveelheid dan bedoeld binnen hebben gekregen, omdat Corvalol in een druppelflesje zat en het flesje met haargroeimiddel een open hals had.

Een andere mogelijkheid is dat het slachtoffer bewust minoxidil heeft ingenomen, omdat hij zelfmoord wilde plegen of een poging tot zelfmoord wilde doen. Dit scenario is reëel. Het slachtoffer had eerder aangegeven zelfmoord te willen plegen en hij leed aan depressiviteit. Er doet zich bovendien een goede vergelijking voor met het einde van de relatie met zijn eerdere partner. Toen deze relatie beëindigd werd, deed hij kennelijk ook een wanhoopsdaad. Aangezien hij had gesproken over een scheiding van verdachte bevond hij zich in een gelijke situatie, zodat herhaling voor de hand ligt.

Ook is het mogelijk dat het slachtoffer de minoxidil heeft ingenomen omdat alle alcoholhoudende drank op was en hij zich in de zucht naar alcohol vergreep aan alles waar maar alcohol in zou zitten, een bekend verschijnsel bij alcoholisten. Forensisch arts Bakker heeft verklaard dat de inhoud van het flesje minoxidil ruikt naar alcohol.

Het niet aantreffen van DNA- en biologische sporen van het slachtoffer op het flesje haargroeimiddel betekent niet dat dit materiaal er niet op heeft gezeten.

Voorts kunnen de minoxidilsporen op de fles Rua Vieja en op het sherryglas op een later moment op deze voorwerpen zijn gekomen, namelijk door aanraking van deze fles en het glas door verdachte nadat het slachtoffer was overleden. Het NFI is in staat een zeer lage concentratie te meten.

4.2.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt over het bewijs het volgende.

Een wezenlijk element in het strafrechtelijk verwijt dat verdachte wordt gemaakt, zijn de feitelijke handelingen van het in een glas of fles doen van minoxidil, en/of het toedienen ervan aan het slachtoffer, en/of het aan het slachtoffer te drinken geven en/of ter consumptie voor hem achterlaten. Uit de bewijsmiddelen moet blijken dat de verdachte een of meerdere van deze handelingen heeft verricht.

De bewijsmiddelen die voor dat bewijs beschikbaar zijn, zijn de volgende:

- de vaststelling dat in het lichaam van het slachtoffer een concentratie minoxidil en Amitriptyline aanwezig was,

- de vaststelling dat minoxidil is aangetoond in het extract van de met methanol uitgespoelde dop van de fles Rua Vieja en in het extract van de met methanol uitgespoelde binnenzijde van het sherryglas,

- het bezit bij de verdachte, kort na haar aanhouding, van een flesje met haargroeimiddel waarvan minoxidil een bestanddeel is, en een doordrukstrip met tabletten Zentiva, inhoudende Amitriptyline.

- de vaststelling dat op de dop van de fles Rua Vieja en op de drinkrand van het sherryglas is DNA van het slachtoffer is aangetroffen en

- de vaststelling dat het DNA-profiel dat op de randen van de buitenzijde van de dop van het flesje met haargroeimiddel is aangetroffen, afkomstig kan zijn van de verdachte.

Deze bewijsmiddelen leveren naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op dat de verdachte de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke handelingen heeft verricht. De inhoud van de bewijsmiddelen ziet namelijk niet op het feitelijke handelen. Het standpunt van de officier van justitie dat de verdachte het haargroeimiddel in de fles Rua Vieja heeft gedaan waarna zij deze heeft uitgeschonken in een sherryglas, is een aanname, gebaseerd op een verstrekkende interpretatie van de feiten zoals die uit hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijken. Dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring van de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke handelingen. De stukken bevatten daarvoor ook overigens onvoldoende bewijs.

De officier van justitie heeft naast de hiervoor genoemde bewijsmiddelen een aantal feiten en omstandigheden benoemd die zouden bijdragen aan het bewijs. Het gaat dan om het feit dat op het flesje met het haargroeimiddel geen dactyloscopische sporen van het slachtoffer zijn aangetroffen, dat de verdachte zenuwachtig zou zijn geweest ten tijde van de aanhouding en dat de verdachte haar verklaringen gaandeweg het politie-onderzoek zo heeft aangepast dat het bezit van de twee middelen die in het lichaam van het slachtoffer zijn aangetroffen, aan eigen gebruik gerelateerd kunnen worden. Het gaat verder om het feit dat de verdachte volgens de officier van justitie geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het bezit van het flesje met het haargroeimiddel op het moment van haar aanhouding. De officier van justitie heeft voor het bewijs tevens betekenis toegekend aan het feit dat de verdachte op 23 februari 2009 op internet heeft gezocht op zoektermen als ‘propanolol’, ‘cinnerizine’ en ‘overdozering’. Zowel propanolol als cinnerizine waren aan de verdachte voorgeschreven. Dit wijst er volgens de officier van justitie op dat de verdachte alle voorhanden zijnde medicatie in de woning op een potentieel dodelijke werking van een overdosering is gaan onderzoeken. Voorts is genoemd dat de verdachte een aantal jaren voorafgaand aan 8 maart 2009 een keer medicijnen door het eten van het slachtoffer heeft gedaan en dat zij van plan was om in april 2009 naar Rusland te gaan om haar ouders weer te zien. De officier van justitie kent ook betekenis toe aan het feit dat de verdachte op

7 maart 2009 tegen een buurtbewoner heeft gezegd dat zij ging scheiden terwijl zij later heeft verklaard dat de relatie met het slachtoffer weer begon te verbeteren. Zij was in haar verklaringen niet consistent. Voorts acht de officier van justitie opvallend dat de verdachte kort voor het overlijden van het slachtoffer twee keer met de hond is gaan wandelen en dat zij niet 112 heeft gebeld, maar naar een buurtbewoner is gelopen waarvan ze weet dat die in de verzorging zit.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze feiten en omstandigheden, ondanks de door de verdachte terzake gegeven verklaringen, op zichzelf steun bieden aan het schuldscenario waar ter terechtzitting door de officier van justitie van is uitgegaan, namelijk dat het de verdachte moet zijn geweest die op enig moment op 8 maart 2009 een hoeveelheid van het haargroeimiddel aan drank heeft toegevoegd waarvan zij wist dat deze door het slachtoffer zou worden genuttigd. Daartoe is vereist dat de feiten en omstandigheden vanuit de invalshoek van het schuldscenario worden geïnterpreteerd en geduid. Maar ook als deze interpretatie en duiding wordt gevolgd, kan dit, in samenhang met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat er alsdan sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het slachtoffer de middelen minoxidil en Amitriptyline heeft toegediend op een van de wijzen als in de tenlastelegging is beschreven.

De conclusie van het voorgaande is dat de verdachte van het primair en eerste subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Gelet op deze conclusie komt de rechtbank niet toe aan het verweer van de raadsman betreffende de causaliteit tussen de minoxidil in het lichaam van het slachtoffer en zijn overlijden.

4.2.2 Ten aanzien van het tweede subsidiair ten laste gelegde feit

4.2.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van dit feit is naar voren gebracht dat het opvallend is dat verdachte kort voor het overlijden van het slachtoffer een tweede keer met de hond is gaan wandelen, terwijl zij uit de slaapkamer gorgelende en snurkende geluiden hoorde. Ze heeft verklaard dat zij geen zin had om verdachte te helpen en dat ze weg wilde.

Ook heeft zij na thuiskomst en het aantreffen van haar man niet 112 gebeld, terwijl ze dat in een eerdere soortgelijke situatie in december 2008 wel had gedaan. Verdachte is in plaats daarvan naar een buurtbewoner enkele huizen verder gelopen waarvan ze weet dat die in de verzorging zit.

4.2.2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het wel vaker gebeurde dat het slachtoffer op bed lag en snurkende geluiden maakte. Hij stelde hulp van verdachte dan niet op prijs. Het weggaan om te gaan wandelen met de hond door verdachte terwijl het slachtoffer in de slaapkamer lag en de deur van de slaapkamer opzettelijk had gesloten, kan daarom niet worden gezien als het in hulpeloze toestand laten.

Voorts heeft de raadsman gewezen op de verklaring van getuige [getuige 2], die verklaard heeft dat hij verdachte op 8 maart 2009 om 19:02 uur op de hoek van de Monnikendijk en de Zandweg te Kattendijke zag lopen met haar hondje, richting haar woning. Vanaf dat punt is het nog een kwartier lopen naar de woning. Na thuiskomst moet zij, kort na het aantreffen van haar man, naar de woning van voornoemde buurtbewoner (in dezelfde straat, enkele huizen verder) zijn gelopen, omdat zij daar tussen 19:15 uur en 19:30 uur heeft aangebeld. Zij is naar die woning gelopen, omdat getuige [getuige 3], woonachtig op dat adres, werkzaam is als verzorgende en zij volgens verdachte haar man eventueel zou kunnen reanimeren. Het was sneller om naar deze buurvrouw te lopen dan om in Kattendijke te wachten op een ambulance. Hieruit dient te worden geconcludeerd dat verdachte wel snel en

4.2.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat verdachte met haar hond is gaan lopen vlak voor het overlijden van het slachtoffer, nadat zij vanuit de slaapkamer waar hij lag geluiden had gehoord, niet zonder meer met zich meebrengt dat kan worden gezegd dat zij het slachtoffer in een hulpeloze toestand heeft gelaten. De rechtbank overweegt hiertoe dat op dat moment niet duidelijk was dat medische hulp onmiskenbaar en dringend geboden was.

Voor wat betreft verdachtes handelen nadat zij het slachtoffer had aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat zij niet tijdig medische hulp heeft ingeschakeld. Gelet op de door de verdediging aangevoerde tijdstippen is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrij snel na het aantreffen van het slachtoffer naar de woning van een buurtbewoner is gelopen, om daar hulp te vragen aan getuige [getuige 3], die werkzaam is in de verzorging en waarvan verdachte mocht verwachten dat zij medische hulp kon bieden. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van het tweede subsidiaire feit geldig;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, mr. Geelhoed en mr. Vos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 juni 2011.