Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BQ2874

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
12/715466-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak van brandstichting en/of een ontploffing te weeg brengen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715466-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 april 2011

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen verdachte

[verdachte],

geboren op [1963],

wonende te [adres],

raadsman mr. Goedegebure, advocaat te Zierikzee,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 april 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hofstede, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 26 september 2010 te Vlissingen ter uitvoering van het door

hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een

ontploffing teweeg te brengen in de woning aan de [adres], terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was, met dat opzet vier,

althans één of meer, gaspit(ten) van het gasfornuis open heeft gedraaid/gezet

en open heeft laten staan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuldig is aan de hem tenlastegelegde poging tot het teweeg brengen van een ontploffing en baseert zich daarbij op de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting, de getuigenverklaring van [getuige 1] en [getuige 2] en het proces-verbaal van bevindingen van de politie. Daarnaast baseert de officier van justitie zich op jurisprudentie met betrekking tot veroordelingen en vrijspraken van brandstichting in soortgelijke zaken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen, maar verzoekt bij haar beoordeling rekening te houden met het feit dat het medicijngebruik van verdachte meegespeeld heeft met de keuze die hij op het bewuste moment heeft gemaakt. Daarnaast voert de verdediging aan dat verdachte niet de intentie had om derden in gevaar te brengen. Zijn intentie zag alleen op het in gevaar brengen van zijn eigen leven op dat moment.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij, na het slikken van pillen (anti-depressiva) en het drinken van een aantal glazen alcohol, diverse gaspitten van het fornuis in de woning aan de [adres] heeft open gedraaid. Reden daarvoor was dat hij op dat moment het leven vanwege relatieproblemen niet meer zag zitten. Vervolgens is verdachte op de bank in de woonkamer gaan liggen wachten. Door alarmering van de hulpdiensten door de ex-vrouw van verdachte, [getuige 1], en de tussenkomst van die hulpdiensten, is voorkomen dat verdachte is overleden of dat er brand en/of ontploffen van de woning is ontstaan. Verdachte heeft ontkend dat hij met zijn handelen gevaar aan derden heeft willen toebrengen. Zijn opzet was alleen gericht op het beëindigen van zijn eigen leven. Over andere mogelijke gevolgen heeft hij niet nagedacht. De rechtbank ziet dit bevestigd in het psychologisch onderzoeksrapport dat over verdachte is opgemaakt. De deskundige komt in betreffende rapportage tot de conclusie dat er op het moment van de zelfmoordpoging tijdelijk sprake was van een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Verdachte zag geen uitweg meer, was radeloos en voelde zich ernstig gekrenkt. In die toestand deed hij een poging tot zelfmoord. Dit ging gepaard met een concretisering en vernauwing van het gedachteleven in die zin dat hij zich beperkte tot handelingen die zouden kunnen leiden tot zijn overlijden. Hij was door de vernauwing van zijn gedachten ook niet in staat om de eventuele gevolgen voor derden te overzien. De rechtbank acht om die redenen – mede gelet op de verklaringen van verdachte – niet bewezen dat verdachte opzet had op het teweeg brengen van een ontploffing, ook niet in voorwaardelijke zin.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem tenlastegelegde feit heeft begaan en zal hem daarvan dan ook vrijspreken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het hem tenlastegelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. Geelhoed en mr. Van Steenbergen, rechters, in tegenwoordigheid van Leijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 april 2011.