Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BQ2584

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
77267 / KG ZA 11-22
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen schorsing executie van verstekvonnis. Gronden voldoen niet aan criteria van klaarblijkelijk juridische fo feitelijke misslag of doen ontstaan van noodtoestand. Ook de gronden van het verzet tegen de verstekbeslissing in deze huurzaak worden onvoldoende geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 77267 / KG ZA 11-22

Vonnis van 15 februari 2011

in de zaak van

1. [eiser sub 1] en

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te Middelburg,

eisers,

advocaat mr. R. Wouters te Middelburg,

tegen

1. [gedaagde sub 1] en

2. [gedaagde sub 2],

thans verblijvende te Zuid-Afrika,

gedaagden,

advocaat mr. J.A. Trimbach te De Meern.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,

- de brief van mr. Trimbach, ingekomen ter griffie op 15 februari 2011, met producties

- de mondelinge behandeling ter gelegenheid waarvan zijn verschenen [eisers], bijgestaan door hun advocaat, en mr. Trimbach namens [gedaagden]

- de pleitnota van mr. Trimbach.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 15 februari 2011 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan een schriftelijke uitwerking.

De feiten

Tussen partijen is een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning/het perceel aan de [adres], [postcode] te Middelburg.

Wegens een huurachterstand heeft [gedaagden] [eisers] doen dagvaarden.

Bij verstekvonnis van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg d.d. 10 januari 2011 is de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het perceel te ([postcode]) Middelburg aan de [adres] ontbonden en is [eisers] onder meer veroordeeld de woning binnen 14 dagen na betekening van het desbetreffende vonnis te ontruimen en te verlaten, met machtiging aan [gedaagden] om [eisers] in geval van weigering of nalatigheid tot ontruiming te noodzaken. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Op 31 januari 2011 is het betreffende vonnis betekend aan [eisers] en is hem aangezegd dat tot ontruiming wordt overgegaan op 16 februari 2011.

[eisers] heeft [gedaagden] gedagvaard c.q. zal [gedaagden] dagvaarden in een verzetprocedure bij de kantonrechter tegen de zitting van 21 februari 2011.

Het geschil

[eisers] vordert dat de voorzieningenrechter zal gebieden de executie van het betreffende verstekvonnis te schorsen en geschorst te houden voor zover dat vonnis ziet op de ontruiming van de woning totdat op het daartegen door [eisers] ingestelde verzet door de kantonrechter zal zijn beslist of die verzetprocedure op andere wijze zal zijn geëindigd alsmede dat [gedaagden] wordt verboden de executie van het desbetreffende vonnis voort te zetten, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 15.000,-- voor iedere daad van tenuitvoerlegging in strijd met de verzochte schorsing.

[eisers] voert daartoe het volgende aan. Hij stelt dat het vonnis berust op een juridische en feitelijke misslag. Er is geen grondslag voor de ontbinding, ontruiming en de betaling van voorschotten die in het verstekvonnis zijn toegewezen. Voorts is de huurprijs niet opeisbaar aangezien de betaling hiervan is opgeschort. Daar komt bij dat vermindering van de huurprijs dient plaatst te vinden c.q. betaling van de ontstane schade. Er is sprake van gebreken aan de woning, die [gedaagden], ondanks hiertoe in gebreke te zijn gesteld, niet herstelt. [gedaagden] heeft geen in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot executie van het vonnis.

[gedaagden] voert verweer. Hij verwijst ter onderbouwing hiervan naar een uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 1983, NJ 1984/145.

[gedaagden] stelt dat de ontruiming is gebaseerd op het vonnis van de kantonrechter van 10 januari 2011. Dit vonnis berust niet op een juridische of feitelijke misslag.

[eisers] heeft de omvang van de gestelde huurachterstand niet weersproken. Ten tijde van dagvaarden bedroeg die achterstand een bedrag van € 5.075,-- (achterstand tot en met december 2010). [eisers] heeft ook de gebruikersvergoeding van januari en februari 2011 onbetaald gelaten zodat [gedaagden] thans in hoofdsom te vorderen heeft een bedrag van € 7.975,--.

[gedaagden] stelt gemotiveerd dat [eisers] om meerdere redenen niet de bevoegdheid toekomt om de betaling van de huurpenningen op te schorten.

Daarnaast is gesteld noch gebleken dat sprake is van na voormeld vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten of omstandigheden die aan de zijde van [eisers] een noodtoestand zullen doen ontstaan. De omstandigheid dat [eisers] bij ontruiming de woning dient te verlaten en dakloos zal worden - hoe vervelend ook - was ten tijde van de uitspraak van de kantonrechter reeds bekend en levert geen noodtoestand op in de zin van genoemd arrest van de Hoge Raad.

Voorts kan niet worden gezegd dat [gedaagden] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis. [eisers] heeft tot op de dag van vandaag geen huur betaald. Hiermee hoeft [gedaagden] geen genoegen te nemen. De omvang van de huurachterstand - meer dan drie maanden - rechtvaardigt ook een ontruiming.

De beoordeling

Blijkens het tussen partijen gewezen verstekvonnis van de kantonrechter van 10 januari 2011 is [eisers] onder meer veroordeeld tot ontruiming. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Weliswaar is het vonnis niet onherroepelijk, maar tot op heden is het vonnis onverminderd van kracht. [gedaagden] is derhalve bevoegd om tot executie over te gaan. Hierop dient een uitzondering te worden gemaakt indien [gedaagden] door het treffen van de executiemaatregelen zoals hij heeft gedaan, misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid, omdat hij, mede gelet op de belangen aan de zijde van [eisers] die door de executie zouden worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitspraak in de verzetprocedure tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal onder meer het geval kunnen zijn indien de tenuitvoerlegging van het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of op grond van nadien voorgevallen of aan het licht gekomen feiten of omstandigheden de executie van dat vonnis klaarblijkelijk aan de zijde van [eisers] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Dat sprake is van een klaarblijkelijke juridische dan wel feitelijke misslag in het vonnis van 10 januari 2011 is niet gebleken. [eisers] heeft, tevens in de procedure in verzet, aangevoerd dat er geen grondslag is voor de ontbinding, ontruiming en betaling van de voorschotten die in het verstekvonnis zijn toegewezen, en dat de huurprijs niet opeisbaar is omdat de verplichting tot betaling hiervan is opgeschort. Daarnaast dient vermindering van de huurprijs plaats te vinden, c.q. betaling van ontstane schade aldus [eisers] Deze verweren leiden echter niet tot de conclusie dat sprake is van een evidente juridische misslag. Een evidente juridische misslag in een vonnis is immers een misslag ten aanzien van de feiten of het recht, die uit het vonnis blijkt en zo in het oog springt dat er in redelijkheid niet aan getwijfeld kan worden dat het een misslag betreft. Daarvan is hier geen sprake.

Voor zover [eisers] bedoelt te stellen dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in voornoemde zin wordt als volgt overwogen.

Voorshands staat onvoldoende vast dat de beslissing van 10 januari 2011 substantieel zal worden gewijzigd. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat onweersproken vaststaat dat [eisers] tot op heden geen enkel bedrag aan huur heeft betaald, terwijl namens [gedaagden] gemotiveerd is aangevoerd dat de gebreken aan de woning inmiddels zijn verholpen, daargelaten de vraag of aan [eisers] in verband met deze gebreken überhaupt een recht op opschorting toekwam.

De omstandigheid dat [eisers] de woning moet verlaten, zonder nadere bijkomende omstandigheden waaromtrent niets is gebleken, levert geen noodtoestand op in bovengenoemde zin; de executie kan op die grond niet worden geschorst.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot schorsing van de executie dient te worden afgewezen.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- vast recht EUR 258,00

- salaris advocaat 1.054,00 (2 punt × tarief EUR 527,00)

Totaal EUR 1.312,00

De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 1.312,00,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2011.