Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BQ1728

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
26-04-2011
Zaaknummer
12/715488-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inrijden op politieagenten. Vrijspraak voor poging doodslag en poging zware mishandeling. Veroordeling voor bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715488-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer van 3 februari 2011

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen verdachte

[verdachte]

geboren op [1987]

wonende te [adres]7.

Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. Van de Voorde, advocaat te Goes.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2011, waarbij de officier van justitie, mr. De Smet-Dierckx, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 25 mei 2009, op de Van der Maelstedeweg te Hulst, in de

gemeente Hulst,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] (hoofdagent van Politie Zeeland) en/of [benadeelde partij 2] (agent van Politie

Zeeland) van het leven te beroven, met dat opzet met een (personen)auto al

snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of

zonder te remmen is afgereden/ingereden op een politievoertuig, waarin die [benadeelde partij 5]

en/of die [benadeelde partij 2] zich bevond(en),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 25 mei 2009, op de Van der Maelstedeweg te Hulst, in de

gemeente Hulst,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan de hoofdagent

van politie [benadeelde partij 1] en/of de agent van politie [benadeelde partij 2], gedurende of

ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (personen)auto

al snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans aanzienlijke, snelheid

en/of zonder te remmen is afgereden/ingereden op een politievoertuig, waarin

die [benadeelde partij 5] en/of die [benadeelde partij 2] zich bevond(en),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet

mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 25 mei 2009, op de Van der Maelstedeweg te Hulst, in de

gemeente Hulst,

[benadeelde partij 1] (hoofdagent van Politie Zeeland) en/of [benadeelde partij 2] (agent van

Politie Zeeland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers is verdachte opzettelijk dreigend met een (personen)auto al

snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of

zonder te remmen afgereden/ingereden op een politievoertuig, waarin die [benadeelde partij 5]

en/of die [benadeelde partij 2] zich bevond(en);

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 mei 2009, op de Molenstraat te Clinge, in de gemeente

Hulst,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[benadeelde partij 3] (brigadier van Politie Zeeland) en/of [benadeelde partij 4] (hoofdagent van

Politie Zeeland) van het leven te beroven, met dat opzet met een

(personen)auto al snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans

aanzienlijke, snelheid en/of zonder te remmen is afgereden/ingereden op een

politievoertuig, waarin die [benadeelde partij 3] en/of die [benadeelde partij 4] zich bevond(en),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 2 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 25 mei 2009, op de Molenstraat te Clinge, in de gemeente

Hulst,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan de brigadier

van politie [benadeelde partij 3] en/of de hoofdagent van politie [benadeelde partij 4], gedurende of

ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een

(personen)auto al snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans

aanzienlijke, snelheid en/of zonder te remmen is afgereden/ingereden op een

politievoertuig, waarin die [benadeelde partij 3] en/of die [benadeelde partij 4] zich bevond(en),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 2 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet

mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 25 mei 2009, op de Molenstraat te Clinge, in de gemeente

Hulst,

[benadeelde partij 3] (brigadier van Politie Zeeland) en/of [benadeelde partij 4] (hoofdagent van

Politie Zeeland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers is verdachte opzettelijk dreigend met een (personen)auto al

snelheidverhogend, in elk geval met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of

zonder te remmen afgereden/ingereden op een politievoertuig, waarin die [benadeelde partij 3]

en/of die [benadeelde partij 4] zich bevond(en);

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 25 mei 2009, op de Verrekijker te Sint Jansteen, in de

gemeente Hulst,

[benadeelde partij 5] (hoofdagent van Politie Zeeland) en/of [benadeelde partij 6] (hoofdagent van

Politie Zeeland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers is verdachte opzettelijk dreigend met een (personen)auto al

snelheidverhogend, althans met hoge/aanzienlijke snelheid en/of zonder te

remmen afgereden/ingereden op een politievoertuig waarin die [benadeelde partij 5] en/of [benadeelde partij 6]

zich bevonden;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 25 mei 2009, te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de

voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Roskampstraat, opzettelijk -

toen één of meer zich in een politievoertuig bevindende politie-ambtenaren, en

wel (een) opsporingsambtena(a)r(en) in de zin van artikel 141 van het Wetboek

van Strafvordering, van verdachte vorderde(n) of verdachte beval(en) het door

verdachte, bestuurde motorrijtuig te doen stilhouden, welke vordering of welk

bevel door die politie-ambtena(a)r(en), belast met en bevoegd verklaard tot

het opsporen van strafbare feiten, werd gedaan doordien deze van een aan dit

politievoertuig aangebrachte transparant, waarin de woorden "stop" of "stop

politie" in rode letters tegen donkere achtergrond verlicht werden, gebruik

maakte(n) - niet heeft voldaan aan genoemde vordering of genoemd bevel gedaan

door genoemde ambtena(a)r(en);

art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 25 mei 2009, in de gemeente Hulst,

als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee:

- op één of meer wegen in één of meer kernen van die gemeente binnen de

bebouwde kom heeft gereden met een (veel) hogere snelhe(i)d(en) dan de

toegestane maximum snelheid van 50 km/uur en met hoge snelheid één of meer

kruisingen is opgereden en/of overgestoken, en/of

- op de weg, de N 290, welke weg was aangeduid als autoweg, heeft gereden met

een snelheid van ongeveer 150 km/uur, althans met een (veel) hogere snelheid

dan de toegestane maximum snelheid van 100 km/uur, in elk geval met een

snelheid die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse, en/of

- op de weg, de Kijkuitstraat, heeft gereden met een snelheid van ongeveer

150 km/uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de toegestane maximum

snelheid van 80 km/uur, in elk geval met een snelheid die te hoog was voor

een veilig verkeer ter plaatse, en/of

- op één of meer kruispunten (met hoge snelheid) het in zijn richting gekeerde

rode verkeerslicht heeft genegeerd, en/of

- te omstreeks 01.40 uur op de weg, de Hulsterweg, met hoge, althans

aanzienlijke, snelheid heeft gereden, terwijl de verlichting van zijn

voertuig was uitgeschakeld, en/of

- één of meer rotondes (op de Grote Kreekweg en/of de Absdaalseweg) via de voor

linker zijde is overgestoken,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Inleiding

Verdachte is op 25 mei 2009 met zelfmoordplannen en onder invloed van cocaïne in zijn auto gaan rijden vanuit zijn woonplaats in België richting Frankrijk en vervolgens naar Nederland. Zowel in België als in Nederland waren door de politie diverse wegblokkades opgeworpen in een poging verdachte tot stilstand te brengen. Uiteindelijk is hij weer terug in België na een aanrijding met een politievoertuig aangehouden kunnen worden.

4.1 Ten aanzien van feit 1

4.1.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte door met hoge snelheid zijn voertuig in de richting van de politieauto te sturen, voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. Dit misdrijf is niet voltooid, omdat de verbalisanten de auto naar rechts een parkeervak opstuurde. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de verklaringen van deze verbalisanten.

4.1.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak verzocht voor het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet het opzet had om de verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Weliswaar is verdachte afgereden op de auto waarin de verbalisanten zich bevonden, maar verdachte is om een aanrijding te voorkomen op het laatste moment uitgeweken, hetgeen verbalisanten [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] in hun verklaring bevestigen. De bedreiging acht de verdediging wel bewezen.

4.1.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting uit van het volgende.

Verdachte stond op 25 mei 2009, op de Van der Maelstedeweg te Hulst, voor het politiebureau. Van tegengestelde kant kwam een politievoertuig aanrijden met daarin [benadeelde partij 1], hoofdagent van Politie Zeeland, en [benadeelde partij 2], agent van Politie Zeeland. Zij brachten hun dienstvoertuig tot stilstand op ongeveer 200 meter afstand van het voertuig van verdachte aan de voor hun bestemde rechter rijstrook op de rijbaan. Verdachte begon te rijden en maakte in korte tijd veel snelheid. Verdachte reed recht op het dienstvoertuig af met een snelheid van 40 à 50 km/u. Om een aanrijding te voorkomen reden de agenten rechts een parkeervak op. Verdachte draaide op datzelfde moment weg van het dienstvoertuig.

Poging doodslag, dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

Voor een bewezenverklaring van een poging doodslag, dan wel poging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, moet verdachte minstgenomen de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen dan wel zouden overlijden.

Nu verdachte is uitgeweken, acht de rechtbank niet bewezen dat het opzet van verdachte gericht was op het veroorzaken van een botsing met het dienstvoertuig met mogelijk de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] als gevolg. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op basis waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat verdachte met zijn handelen de kans op een dergelijke aanrijding voor lief heeft genomen, zodat ook voorwaardelijk opzet niet bewezen is.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Bedreiging

Verdachte is met een snelheid van 40 à 50 km/u recht op het voertuig afgereden, waarin [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zich bevonden. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] hebben daarover verklaard dat zij ervan overtuigd waren dat verdachte niet ging uitwijken dat er een aanrijding zou ontstaan, met zwaar lichamelijk letsel en mogelijk met de dood, ten gevolge .

Verdachte heeft door met zijn auto recht op het dienstvoertuig af te rijden en pas op het laatste moment uit te wijken zich zodanig gedragen dat bij [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het dienstvoertuig waarin zij zich bevonden ging aanrijden, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

Gelet op de beperkte snelheid van verdachte en de omstandigheid dat de verbalisanten zich in een auto bevonden, is niet aannemelijk dat een aanrijding de dood van één van de verbalisanten tot gevolg zou hebben gehad. Wel acht de rechtbank de kans aanmerkelijk dat een dergelijke aanrijding zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben gehad. Daarom acht de rechtbank bedreiging met het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zoals onder 1 meer subsidiair tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Ten aanzien van feit 2

4.2.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de verklaringen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4].

4.2.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak verzocht voor het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet het opzet had om de verbalisanten van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door tegen het dienstvoertuig waarin zij zich bevonden aan te rijden. Verdachte is immers naar de linkerweghelft uitgeweken om een aanrijding te voorkomen. Er was al eerder een blokkade geweest door verbalisanten die hun voertuig dwars hadden gezet bij een wegversmalling en ook daar was verdachte uitgeweken door tussen enkele bomen door te rijden en achter de blokkade weer de weg op te draaien.

4.2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting uit van het volgende.

Op 25 mei 2009 heeft [benadeelde partij 3], brigadier van de politie Zeeland, het dienstvoertuig waarin hij en [benadeelde partij 4], hoofdagent van de politie Zeeland, zich bevonden dwars op de rijbaan van de Molenstraat ter hoogte van de Wittebrugstraat te Hulst gezet. Hierdoor was de rijbaan nagenoeg afgesloten. Een auto kon alleen nog passeren over het aan de zuidzijde van de rijbaan gelegen fietspad. Verdachte was, nadat het dienstvoertuig dwars over de weg geplaatst was, nog ongeveer 350 à 400 meter van het dienstvoertuig verwijderd. In plaats van snelheid te verminderen, verhoogde verdachte zijn snelheid tot 80 à 100 km/u. [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] waren ervan overtuigd dat de bestuurder niet zou stoppen en reden daarom achteruit.

Poging doodslag, dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

[benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] hebben verklaard dat verdachte niet meer kon stoppen en alleen omdat zij achteruit reden een botsing voorkomen werd. Verdachte is toen rakelings langs hun voertuig gereden. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij nog een honderdtal meter van het dienstvoertuig verwijderd was toen het dienstvoertuig door de agenten achteruit werd gereden. Hij kon daarna links langs de auto rijden. Volgens hem had hij nog wel kunnen stoppen en zou hij ook gestopt zijn als het dienstvoertuig niet was verplaatst. Hij had controle over zijn voertuig en hij was niet van plan om zelfmoord te plegen en zou ook daarom een botsing voorkomen hebben.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij nog had kunnen stoppen en anders op andere wijze een botsing zou hebben voorkomen niet onaannemelijk. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat verdachte nog de mogelijkheid had om over het fietspad het dienstvoertuig te passeren. Ook neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat verdachte, zoals hiervoor onder 4.1 overwogen, in een andere situatie ook is uitgeweken.

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene opzet op levensberoving dan wel zware mishandeling, ook in voorwaardelijke zin, niet wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Bedreiging

Verdachte is met een snelheid van 80 à 100 km/u recht op het stilstaande voertuig van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] afgereden. Zou met voornoemde snelheid een aanrijding zijn veroorzaakt, dan was de kans aanmerkelijk dat [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] ten gevolge van de aanrijding om het leven zouden zijn gekomen. Zij hebben daarover verklaard dat zij er van overtuigd waren dat verdachte met die hoge snelheid met zijn auto tegen hun dienstvoertuig zou rijden met zeer ernstige gevolgen .

Verdachte heeft weliswaar verklaard dat het niet zijn bedoeling was de agenten te bedreigen, maar door met een snelheid van 80 à 100 km/u recht op het dienstvoertuig af te rijden heeft verdachte zich zodanig gedragen dat bij [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] redelijke vrees kon ontstaan dat hij het dienstvoertuig waarin zij zich bevonden ging aanrijden, met dodelijke afloop als gevolg.

De rechtbank acht derhalve het onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde, te weten bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, wettig en overtuigend bewezen.

4.3 Ten aanzien van feit 3

4.3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de verklaringen van [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6].

4.3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting uit van het volgende.

Verdachte is op 25 mei 2009 op de Verrekijker te Sint Jansteen met hoge snelheid recht afgereden op de politieauto waarin [benadeelde partij 5], hoofdagent van Politie Zeeland, en [benadeelde partij 6], hoofdagent van Politie Zeeland, zich bevonden. Zij stonden met hun dienstvoertuig aan de rechterkant van de weg, verdachte is ook rechts gaan rijden. Op het allerlaatste moment maakte verdachte een wilde stuurbeweging naar links en is het dienstvoertuig rakelings voorbij gereden. Bij [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] bestond op dat moment de overtuiging dat verdachte hun de dood in wilde jagen.

Zou met voornoemde snelheid een frontale aanrijding zijn veroorzaakt, dan bestond aanmerkelijke kans dat [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] ten gevolge van de aanrijding om het leven zouden zijn gekomen.

Door met hoge snelheid recht op het dienstvoertuig af te rijden en pas op het allerlaatste moment uit te wijken heeft verdachte zich zodanig gedragen dat bij [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het dienstvoertuig waarin zij zich bevonden ging aanrijden, met dodelijke afloop als gevolg.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4 Ten aanzien van feit 4

4.4.1. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 4 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 20 januari 2011;

- het proces-verbaal bevindingen van 25 mei 2009 .

4.5 Ten aanzien van feit 5

4.5.1. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 5 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 20 januari 2011;

- het proces-verbaal van bevindingen van [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 5] van 26 mei 2009 ;

- het proces-verbaal van bevindingen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] van 26 mei 2009 ;

- het proces-verbaal van bevindingen van agenten [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] van

26 mei 2009 .

4.6 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. meer subsidiair

op 25 mei 2009, op de Van der Maelstedeweg te Hulst, in de

gemeente Hulst,

[benadeelde partij 1] hoofdagent van Politie Zeeland en [benadeelde partij 2] agent van

Politie Zeeland heeft bedreigd met zware mishandeling,

immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto al

snelheidverhogend zonder te remmen afgereden op een politievoertuig, waarin die [benadeelde partij 5]

en die [benadeelde partij 2] zich bevonden;

2. meer subsidiair

op 25 mei 2009, op de Molenstraat te Clinge, in de gemeente Hulst,

[benadeelde partij 3] brigadier van Politie Zeeland en [benadeelde partij 4] hoofdagent van

Politie Zeeland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto met hoge snelheid en

zonder te remmen afgereden op een politievoertuig, waarin die [benadeelde partij 3]

en die [benadeelde partij 4] zich bevonden;

3.

op 25 mei 2009, op de Verrekijker te Sint Jansteen, in de

gemeente Hulst,

[benadeelde partij 5] hoofdagent van Politie Zeeland en [benadeelde partij 6] hoofdagent van

Politie Zeeland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto

met hoge snelheid afgereden op een politievoertuig waarin die [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6]

zich bevonden;

4.

op 25 mei 2009, te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de

voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Roskampstraat, opzettelijk -

toen één of meer zich in een politievoertuig bevindende politie-ambtenaren, en

wel opsporingsambtenaren in de zin van artikel 141 van het Wetboek

van Strafvordering, van verdachte vorderden het door

verdachte, bestuurde motorrijtuig te doen stilhouden, welke vordering door die politie-ambtenaren, belast met en bevoegd verklaard tot

het opsporen van strafbare feiten, werd gedaan doordien deze van een aan dit

politievoertuig aangebrachte transparant, waarin de woorden "stop" of "stop

politie" in rode letters tegen donkere achtergrond verlicht werden, gebruik

maakten - niet heeft voldaan aan genoemde vordering gedaan

door genoemde ambtenaren;

5.

op 25 mei 2009, in de gemeente Hulst,

als bestuurder van een personenauto, daarmee:

- op wegen in of meer kernen van die gemeente binnen de

bebouwde kom heeft gereden met een veel hogere snelheden dan de

toegestane maximum snelheid van 50 km/uur en met hoge snelheid kruisingen is opgereden en overgestoken, en

- op de weg, de N 290, welke weg was aangeduid als autoweg, heeft gereden

met een veel hogere snelheid

dan de toegestane maximum snelheid van 100 km/uur

- op de Kijkuitstraat, heeft gereden met een veel hogere snelheid dan de toegestane maximum

snelheid van 80 km/uur en

- op kruispunten met hoge snelheid het in zijn richting gekeerde

rode verkeerslicht heeft genegeerd, en

- te omstreeks 01.40 uur op de weg, de Hulsterweg, met hoge

snelheid heeft gereden, terwijl de verlichting van zijn

voertuig was uitgeschakeld, en

- op de Grote Kreekweg en de Absdaalseweg via de voor

linker zijde is overgestoken,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Omtrent de geestvermogens van verdachte ten tijde van het begaan van de ten laste gelegde feiten heeft dr. W.J.L. Lander, klinisch psycholoog, een onderzoek verricht. Hij heeft in zijn rapport van 9 augustus 2010 omtrent zijn bevindingen gerapporteerd. Uit het rapport komt naar voren dat verdachte narcistische persoonlijkheidstrekken heeft en als gevolg daarvan moeite heeft met persoonlijk falen, kritiek en afwijzing. Er heeft een aantal stresserende levensgebeurtenissen plaatsgevonden hetgeen verdachte als een falen heeft ervaren. Verdachte heeft daardoor een aanpassingsstoornis ontwikkeld. Om deze onlustgevoelens te verminderen is hij cannabis en cocaïne gaan gebruiken. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was sprake van deze aanpassingsstoornis en ook was verdachte onder invloed van cocaïne. Omdat het de eerste keer was dat verdachte in een dergelijke situatie onder invloed van cocaïne was, heeft de deskundige aangenomen dat verdachte niet op de hoogte was van de ontremmende werking. De deskundige heeft geconcludeerd dat verdachte als gevolg van de aanpassingsstoornis en het cocaïnegebruik, ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde zijn wil en gedrag in mindere mate in vrijheid heeft kunnen bepalen. De deskundige heeft geconcludeerd dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd voor het tenlastegelegde.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige over.

Verdachte is strafbaar, nu niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. Wel zal de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met de conclusie van de deskundige inhoudende dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde licht verminderd toerekeningsvatbaar was.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen acht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact met Emergis. Zij heeft het verdachte zwaar aangerekend dat deze feiten gepleegd zijn tegen politieambtenaren. Daar komt nog bij dat verdachte al eerder is met politie en justitie in aanraking is geweest voor overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

In haar eis heeft de officier van justitie in strafverminderende zin meegenomen dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar was. Ook heeft de officier van justitie er in strafverminderende zin rekening mee gehouden dat verdachte in België is veroordeeld voor feiten die diezelfde nacht hebben plaatsgevonden op Belgisch grondgebied. Een deel van de feiten heeft plaatsgevonden op Belgisch grondgebied en een ander deel op Nederlands grondgebied.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de feiten anderhalf jaar geleden zijn gepleegd, verdachte zijn leven inmiddels weer op de rails heeft, hij heeft een vaste fulltime baan en volgt daarnaast een opleiding. Voorts wijst zij op de Belgische feiten, die tot hetzelfde feitencomplex behoren en waarvoor verdachte in België reeds 4 maanden gevangenisstraf heeft uitgezeten.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het opleggen van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden en de ernst van de gepleegde feiten, alsmede met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 6 januari 2011 betreffende verdachte blijkt dat hij al eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994. Tevens is verdachte op 7 september 2009 in België veroordeeld voor een poging tot doodslag. Op 17 november 2009 is hij in België ook veroordeeld voor het bezit van amphetamine.

De deskundige constateert dat de aanpassingsstoornis alsmede het middelengebruik niet meer van toepassing zijn. De kans op recidive is hierdoor klein. Hij adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact met Emergis. Verdachte kan dan begeleid worden bij het abstineren van middelen. Ook kan de psychologische behandeling bij Emergis voortgezet worden.

In het reclasseringsadvies van Emergis van 3 maart 2010 wordt verplicht reclasseringstoezicht geadviseerd. Verdachte heeft een professioneel behandelkader nodig, hetgeen reeds gerealiseerd is bij een psycholoog van Emergis. Zonder dit behandelkader is de kans op decompensatie aanwezig. Sinds november 2009 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst, verdachte heeft zich in die periode aan de schorsingsvoorwaarden gehouden, waaronder reclasseringstoezicht. Het schorsingstoezicht is goed verlopen; verdachte komt zijn afspraken goed na en toont zich gemotiveerd om recidive te voorkomen. Ook zijn er geen signalen welke duiden op een terugval in drugsgebruik.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde. Nu de rechtbank de meer subsidiair tenlastegelegde feiten bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De feiten 1 meer subsidiair, 2 meer subsidiair, 3 en 4 zijn misdrijven. Voor deze feiten zal de rechtbank één straf opleggen. Feit 5 is een overtreding, daarvoor zal de rechtbank een aparte straf opleggen.

Ten aanzien van feit 1 tot en met 4

Verdachte heeft met zijn rijgedrag politieambtenaren angst aangejaagd en hij heeft een door twee van deze ambtenaren gedane vordering tot stoppen genegeerd. Dit betreffen ernstige feiten die in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank houdt echter bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte, rekening gehouden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid, het lange tijdsverloop tot de behandeling ter zitting en het als laag ingeschatte recidiverisico. Verdachte heeft zich, in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis, moeten houden aan een aantal schorsingsvoorwaarden. Eén van deze voorwaarden hield in dat hij zich moest laten behandelen bij Emergis. Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat verdachte zich goed heeft gehouden aan deze voorwaarde. De rechtbank laat dit bij het bepalen van de straf in belangrijke mate meewegen.

In strafverminderende zin houdt de rechtbank ook rekening met het feit dat de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in dezelfde context als de in België gepleegde feiten, waarvoor verdachte reeds een gevangenisstraf heeft uitgezeten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde kan worden volstaan met een werkstraf van 200 uur.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes maanden teneinde de ernst van de feiten te benadrukken, verdachte ervan te weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen en om een verplichte begeleiding door de reclasseringsinstelling Emergis mogelijk te maken.

Ten aanzien van feit 5

De rechtbank acht het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor twee jaar waarvan één jaar voorwaardelijk passend en geboden, aangezien verdachte het feit heeft gepleegd terwijl hij een auto bestuurde en hij met zijn onverantwoordelijk rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Met het voorwaardelijke deel wordt tevens beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] vorderen elk een schadevergoeding ter zake van immateriële schade van € 500,- voor feit 1.

De benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] vorderen elk een schadevergoeding ter zake van immateriële schade van € 500,- voor feit 2.

De benadeelde partijen [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] vorderen elk een schadevergoeding ter zake van immateriële schade van € 350,- voor feit 3.

De verdediging heeft de grondslag van de vorderingen niet gemotiveerd betwist, zodat de vorderingen kunnen worden toegewezen. De verdediging heeft wel de hoogte van de vorderingen betwist.

De rechtbank zal in redelijkheid voor alle benadeelde partijen een schadevergoeding van

€ 350,- ter zake van immateriële schade toewijzen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 62, 184 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.6 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 meer subsidiair: Bedreiging met zware mishandeling;

feit 2 meer subsidiair: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 4: Opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen van strafbare feiten;

feit 5: Overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Ten aanzien van feit 1 tot en met 4

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Emergis Justitiële Verslavingszorg te Middelburg, ook als dat inhoudt dat hij zich voor zijn persoonlijkheidsproblematiek en middelengebruik laat behandelen bij Emergis, waartoe hij zich binnen drie werkdagen volgend op zijn veroordeling moet melden bij deze instelling op het telefoonnummer 0118-686999 en waarna hij zich gedurende door deze instelling bepaalde perioden moet blijven melden zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

Ten aanzien van feit 5

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling van € 350,- aan immateriële schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, aan ieder van de benadeelde partijen:

? [benadeelde partij 2]

[adres];

? [benadeelde partij 1]

[adres];

? [benadeelde partij 4]

[adres];

? [benadeelde partij 3]

[adres];

? [benadeelde partij 6]

[adres] en

? [benadeelde partij 5]

[adres];

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [benadeelde partij 2], € 350,-, 7 dagen hechtenis;

- benadeelde partij [benadeelde partij 1], € 350,-, 7 dagen hechtenis;

- benadeelde partij [benadeelde partij 4], € 350,-, 7 dagen hechtenis;

- benadeelde partij [benadeelde partij 3], € 350,-, 7 dagen hechtenis;

- benadeelde partij [benadeelde partij 5], €350,-, 7 dagen hechtenis en

- benadeelde partij [benadeelde partij 6], € 350,-, 7 dagen hechtenis

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Haesen, voorzitter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en mr. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 februari 2011.

Mr. Groen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen