Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BP8889

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
75195 / HA ZA 10-465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijzing in het bestek is onvoldoende voor toepasselijkheid van arbitrageclausule.

Rechtbank is bevoegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 75195 / HA ZA 10-465

Vonnis in incident van 16 maart 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INSTALLATIEBEDRIJF [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J. de Bliek te Tilburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AANNEMINGSBEDRIJF [S.] B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. W.H. Lindhout te Bergen op Zoom.

Partijen zullen hierna [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en [S.] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie houdende de exceptie van arbitrale onbevoegdheid

- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.

- de akte zijdens [S.]

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

De feiten in het incident

[S.] heeft in opdracht van de familie [A.] een woning gebouwd te Terneuzen. Het bestek maakt onderdeel uit van de aannemingsovereenkomst tussen [S.] en de familie [A.]. De UAV 1989 zijn via de verwijzing in het bestek naar de STABU Standaard 2001 van toepassing verklaard. In de leden 1 en 2 van paragraaf 49 UAV 1989 is omtrent de beslechting van geschillen bepaald:

“Voor de beslechting van de in deze paragraaf bedoelde geschillen doen partijen uitdrukkelijk afstand van hun recht de tussenkomst van de gewone rechter in te roepen.

Alle geschillen, welke ook -daaronder begrepen die, welke slechts door één der partijen als zodanig worden beschouwd- die naar aanleiding van de overeenkomst of van overeenkomsten, die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen opdrachtgever en aannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijf in Nederland, zoals deze drie maanden voor de dag van aanbesteding luiden.”

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] heeft in opdracht van [S.] installatiewerkzaamheden verricht in voornoemde woning. Alvorens de opdracht werd verstrekt heeft [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] op 16 november 2007 een offerte uitgebracht, welke op 26 november 2007 door [S.] is geaccepteerd.

In de hoofdzaak vordert [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident], samengevat, [S.] te veroordelen aan [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] te betalen een bedrag van € 29.894,30, vermeerderd met rente en kosten, alsmede een bedrag van € 4.484,15 aan buitengerechtelijke kosten. De vordering betreft betaling van facturen inzake door [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] ingevolge voornoemde opdracht verrichte installatiewerkzaamheden.

Het geschil in het incident

[S.] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij stelt daartoe dat de UAV 1989 via verwijzing in het bestek naar de STABU Standaard 2001 van toepassing zijn verklaard en dat ingevolge het arbitrale beding in paragraaf 49 van die voorwaarden de Raad van Arbitrage voor de Bouw bij uitsluiting van de gewone rechter bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen. [S.] betwist de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident].

[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] voert verweer. Primair stelt zij dat [S.] in strijd met het bepaalde in artikel 11 Rv blijkens de inhoud van de punten 2 tot en met 5 van de incidentele conclusie eerst ten gronde verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] en dat daarmee de mogelijkheid van het voeren van verweer tegen de rechtsmacht van de rechtbank is komen te vervallen. Voorts is [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] van mening dat deze rechtbank wel bevoegd is. Zij betwist de toepasselijkheid van het bestek in de rechtsverhouding tussen partijen en stelt dat de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 73 van haar algemene voorwaarden bevoegd is.

De beoordeling in het incident

De rechtbank is van oordeel dat [S.] voor alle weren de exceptie van onbevoegdheid heeft voorgesteld ten aanzien van de vordering van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident]. Dit volgt uit het feit dat de exceptie is neergelegd in een aparte conclusie. Dat in die conclusie met enkele woorden wordt gesproken over het geschil in de hoofdzaak maakt niet dat sprake is van een verweer ten gronde.

[S.] beroept zich op de toepasselijkheid van het bestek in de rechtsverhouding tussen partijen op grond waarvan via een schakelbepaling de Raad van Arbitrage voor de Bouw bevoegd zou zijn kennis te nemen van geschillen. De rechtbank is van oordeel dat het bestek niet de rechtsverhouding tussen partijen bepaalt, nu het niet is aan te merken als overeenkomst tussen [S.] en [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident]. Verwijzingen naar het bestek in de correspondentie tussen partijen betreffen puur uitvoeringstechnische zaken. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat de voorwaarden met de arbitrageclausule in casu van toepassing zijn.

De e xceptie van onbevoegdheid is dan ook ten onrechte voorgesteld. De rechtbank acht zich bevoegd om van hetgeen [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] heeft gevorderd kennis te nemen.

Gelet op het vorenstaande zal de incidentele vordering worden afgewezen.

[S.] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het incident worden veroordeeld welke aan de zijde van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] worden begroot op een bedrag van € 452,-- (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat.

De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst het gevorderde af,

veroordeelt [S.] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident] tot op heden begroot op € 452,--,

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 27 april 2011 voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van [S.],

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.