Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BP8680

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
68250 / HA ZA 09-319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen exploitanten van antiekhandel en de gemeente over de vraag of met de gemeente is afgesproken dat zij op een bepaalde locatie om niet hun handel mochten drijven. De gemeente heeft in verband met een tussentijdse verhuizing van het bedrijf een vergoeding betaald. De vordering tot doorbetaling van die vergoeding wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 68250 / HA ZA 09-319

Vonnis van 16 maart 2011

in de zaak van

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie], h.o.d.n. [naam handelszaak],

wonende te Koudekerke,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.S. Yap te Bergen op Zoom,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VLISSINGEN,

zetelend te Vlissingen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. U.T. Hoekstra te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en de gemeente genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 september 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 18 januari 2010, waarin vonnis is gewezen

- de processen-verbaal van getuigenverhoor van 19 april en 22 juli 2010

- de akte overlegging producties van de gemeente

- de conclusie na enquête van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie]

- de antwoordconclusie na enquête van de gemeente

- het proces-verbaal van pleidooi van 27 januari 2011, met de daartoe van beide zijden overgelegde pleitnotities.

De feiten

Bij overeenkomst van 18 oktober 1999 heeft de gemeente aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] om niet in gebruik gegeven het (destijds bouwvallige) pand [pand A.] te Vlissingen. De overeenkomst bevat de navolgende bepaling:

“De periode van in gebruikgeving gaat in op 18 oktober 1999 en wordt aangegaan tot 18 oktober 2000. Na deze periode kan, met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, de ingebruikgeving worden verlengd.”

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] exploiteerde in genoemd pand aan antiekhandel.

2.2. Na 18 oktober 2000 is de ingebruikgeving (stilzwijgend) verlengd. Bij brief van 30 oktober 2003 heeft de gemeente - in verband met de gewenste tijdelijke huisvesting van de Hema op de locatie [straat in centrum van Vlissingen] – aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] laten weten:

“(…) Voor de uitvoering van het ontwikkelde plan op de locatie Spuistraat-Lange Zelke is het nodig om een tijdelijke vervangende winkelruimte te realiseren. Uiteindelijk is er voor gekozen om deze vervangende winkelruimte te situeren op de locatie van de [straat in centrum van Vlissingen], waarvan de panden [pand A.] deel uitmaken.

In verband hiermede zijn wij genoodzaakt u de ingebruikgeving van de panden [pand A.] op te zeggen per 1 december 2003. (…)”

2.3. Vervolgens is er tussen partijen – in het kader van de door de gemeente gewenste ontruiming van het pand [pand A.] – overleg geweest over tijdelijke huisvesting elders en de terugkeer naar de [straat in centrum van Vlissingen] (in de aldaar te realiseren nieuwbouw) van de antiekzaak van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie]. In een brief van de gemeente aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie], gedateerd 23 januari 2004, staat onder meer:

“(…) We hebben besloten ACB Ontwikkeling als eerste gegadigde aan te merken voor de herontwikkeling van de v.m. PZC-locatie aan de [straat in centrum van Vlissingen]. Met dit bedrijf zullen wij thans de onderhandelingen starten om te komen tot een samenwerkingsovereenkomst, welke als basis zal moeten dienen voor de planvorming op deze locatie. Bij de te voeren onderhandelingen over de samenwerkingsovereenkomst is voor ons onder meer uitgangspunt, dat de beoogde planvorming moet plaatsvinden binnen marktconforme financiële kaders. (…) Onze inspanning is erop gericht om in deze overeenkomst een zodanige regeling op te nemen, die terugkeer door u in het nieuw te realiseren project mogelijk maakt. Wij gaan daarbij ook uit van marktconforme condities. In de gezamenlijk met ACB Ontwikkeling gevoerde gesprekken is vastgesteld, dat ook ACB Ontwikkeling een en ander onderschrijft.

Uitgebreid is met u gesproken over de financiële gevolgen voor u, welke zijn verbonden aan tijdelijke huisvesting van uw winkel. Deze gevolgen spitsen zich toe op de periode waarvoor tijdelijke huisvesting nodig is en de te treffen financiële regeling voor deze periode.

De periode waarvoor tijdelijke huisvesting nodig is, is gekoppeld aan het gereedkomen van de nieuwe winkelruimte voor de Hema in het Centrumplan Spuistraat-Lange Zelke. Op basis van de huidige stand van zaken van dit centrumplan kan worden vastgesteld, dat de locatie aan de [straat in centrum van Vlissingen] na drie jaar – zijnde 1 januari 2007 – beschikbaar kan komen voor de realisering van het nieuwbouwplan. Mochten zich in de realisering van het centrumplan onvoorziene ontwikkelingen voordoen, die gevolgen hebben voor deze termijn, dan zal zulks terstond onderwerp van nader overleg met u vormen.

Overigens gaan wij er vanuit, dat ACB Ontwikkeling terstond na het beschikbaar komen van de bouwlocatie aan de [straat in centrum van Vlissingen] met de daadwerkelijke uitvoering van het bouwplan zal starten.

Wij hebben intussen kennis genomen van de mogelijkheid voor u om tijdelijk het pand [pand B.] te kunnen huren.

In de kosten verbonden aan tijdelijke huisvesting van uw winkel in dit pand zullen wij u een jaarlijkse vergoeding toekennen van in totaal € 21.000,-- per jaar gedurende de periode tot aan de start van de realisering van het nieuwbouwplan aan de [straat in centrum van Vlissingen] zijnde 1 januari 2007. (…)”

2.4. In 2004 heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] haar winkel in genoemd pand aan de [pand B.] gehuisvest; de gemeente heeft een vergoeding voor de kosten daarvan betaald. In april 2007 is de Hema van de locatie [straat in centrum van Vlissingen] vertrokken. Vervolgens is er op die locatie niet begonnen met de uitvoering van een bouwplan

2.5. Na discussie daarover tussen partijen heeft de gemeente bij brief van 11 december 2007 aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] bericht:

“Wij hebben besloten om tot het tijdstip van bouw op de locatie [straat in centrum van Vlissingen] [adres] u de vergoeding te blijven toekennen van de huur van het pand [pand B.], zoals opgenomen in onze brief van 23 januari 2004 (…).”

De gemeente heeft deze vergoeding tot 1 januari 2010 aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] betaald.

2.6. Op 15 augustus 2008 schrijft de gemeente aan (de raadsman van) [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] omtrent de nieuwbouw op de locatie [pand A.] het volgende:

“Er is ons nog geen (definitief) bouwplan voorgelegd. Evenmin is er een overeenkomst – in welke vorm en in welk stadium dan ook – waarin de overdracht van de betreffende gronden evenals de inspanningsverplichting ten opzichte van uw cliënt is opgenomen.

(…) (Er) wordt (…) op ambtelijk/technisch nivo overlegd over de totstandkoming van het bouwplan voor deze locatie. Hierover kunnen wij nog wel melden, dat deze planontwikkeling voor wat de daaraan te stellen stedenbouwkundige en architectonische randvoorwaarden betreft een nauwe samenhang heeft met de direct aangrenzende (bouw)planontwikkeling van een deel van het 1e deelplan voor het Scheldekwartier. Dit heeft de nodige aanpassing gevraagd en geleid tot enige vertraging in de voortgang.

We verwachten dat ons in het 4e kwartaal van dit jaar een bouwplan voor deze locatie wordt voorgelegd. In elk geval zullen wij dat dan ook toetsen op de mogelijkheid tot terugkeer van het bedrijf van uw cliënt. (…)”

2.7. Op de locatie [pand A.] is tot op heden geen nieuwbouw gerealiseerd; er zijn ook geen plannen om op korte termijn nieuwbouw te realiseren.

Het geschil

in conventie

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de gemeente nalatig is geweest, toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en de gemeente beveelt haar verplichtingen alsnog na te komen;

II. de gemeente veroordeelt tot betaling aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] van € 75.000,--, althans enig bedrag, aan schadevergoeding uit hoofde van de toerekenbare tekortkoming;

III. de gemeente veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] stelt dat de gemeente in strijd met de afspraken, zoals weergegeven in de brief van 23 januari 2004, er niet voor heeft gezorgd dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vanaf 1 januari 2007 onder dezelfde voorwaarden als voorheen (dat wil zeggen: om niet) is teruggeplaatst op de locatie [pand A.]. Aldus komt de gemeente haar verplichtingen jegens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet na. De gemeente kan zich daarbij niet verschuilen achter projectontwikkelaars. De gemeente heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ook nooit op de hoogte gesteld van de voortgang van het nieuwbouwproject. De gemeente is aansprakelijk voor de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] geleden schade. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is nu verplicht langer te blijven in de [pand B.], een veel mindere locatie dan die aan de [straat in centrum van Vlissingen]. Zij lijdt omzetschade en schade door waardedaling van de onderneming. Deze schade – samen met de kosten rechtsbijstand en de kosten in verband met het (tijdens de onder 2.5 genoemde discussie daarover) hebben moeten voorschieten van de huur voor de [pand B.] – begroot zij op € 75.000. Dat de gemeente ook na 1 januari 2007 de huur van de [pand B.] is blijven voldoen, doet aan de geleden schade niets af.

Bij conclusie na enquête heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] – geheel subsidiair en stellend dat de haar gegeven bewijsopdracht niet met de grondslag van de vordering in direct verband stond – die

grondslag aldus geformuleerd: de gemeente had de plicht ondubbelzinnig en uitdrukkelijk uiting te geven aan de gemaakte afspraken met derden; dat heeft de gemeente nagelaten door zich (met name na 1 januari 2007) niet uit te laten over de terugplaatsing en het tijdspad. Op die tekortkoming in de nakoming van de op de gemeente rustende inspanningsverplichting is de schadevordering gebaseerd.

3.3. De gemeente voert verweer. Zij stelt dat zij tegenover [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet de verplichting op zich heeft genomen haar terug te plaatsen in nieuwbouw aan de [straat in centrum van Vlissingen], en evenmin dat zulks om niet zou gebeuren. Zij heeft zich slechts verplicht om in een met de beoogd projectontwikkelaar te sluiten overeenkomst een zodanige regeling op te nemen dat terugkeer van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] mogelijk zou worden, zulks op marktconforme condities. Aan die inspanningsverplichting heeft de gemeente voldaan; zij heeft (in 2005) de toen beoogde projectontwikkelaar ACB Ontwikkeling op de afspraak met [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gewezen en ACB Ontwikkeling medegedeeld dat in het verdere ontwikkelingstraject met die afspraak/ inspanningsverplichting rekening diende ter worden gehouden. ACB Ontwikkeling noch een andere projectontwikkelaar wil(de) uiteindelijk het project ter hand nemen. De inspanningen van de gemeente zijn vruchteloos gebleven.

De gemeente betwist de gestelde schade. Zij is voor de keuze van de [pand B.] niet verantwoordelijk. De schadevordering is, gelet op de onder 2.1 tot en met 2.5 weergegeven voorgeschiedenis, onredelijk. De aan de vordering kennelijk ten grondslag liggende gedachte dat de gemeente op grond van de aanvankelijke bruikleenovereenkomst nog steeds verplicht is [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] om niet een pand ter beschikking te stellen, is onjuist.

in reconventie

3.4. De gemeente vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat zij de betaling van de tegemoetkoming in de huurkosten van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zal mogen staken per 1 januari 2010, dat de relatie tussen partijen vanaf die datum beëindigd zal zijn en dat partijen elkaar over en weer niets meer verschuldigd zullen zijn, zulks met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van dit geding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de uitspraak.

3.5. De gemeente stelt dat bij het aangaan van de onder 2.3 weergegeven (door enerzijds de druk van de kant van de Hema en anderzijds de weigering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] het pand aan de [straat in centrum van Vlissingen], ondanks de onder 2.1 weergegeven afspraken, te verlaten, min of meer afgedwongen) afspraak dat de gemeente kosten van huisvesting elders aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (tijdelijk) zou vergoeden, partijen er van uit gingen dat op de locatie [pand A.] nieuwbouw zou worden gerealiseerd, waarbij de datum 1 januari 2007 was genoemd. De huidige situatie, waarin vast staat dat die nieuwbouwplannen niet door gaan (en dus van tijdelijkheid geen sprake meer is), was toen niet voorzien. Voorts blijkt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (gelet op het negatief resultaat over 2008) geen profijt heeft van de tegemoetkoming van de gemeente en dat zij een marktconforme huur (bij terugkeer in de [straat in centrum van Vlissingen] te betalen) niet zal kunnen voldoen. Onder deze, destijds onvoorziene, omstandigheden kan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] van de gemeente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de afspraken niet verlangen. De gemeente wil haar relatie met [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] definitief beëindigen; zij wil en kan geen pand aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in gebruik geven.

3.6. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] voert verweer. Zij stelt dat uit niets blijkt dat de nieuwbouwplannen definitief van de baan zijn. Er zijn geen omstandigheden die rechtvaardigen dat de gemeente haar tegemoetkoming in de huurkosten van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] per 1 januari 2010 zal mogen staken. Het is niet aan haar te wijten dat de periode waarvoor de gemeente verplicht is haar een tegemoetkoming in de huisvestingskosten te betalen, langer is geworden dan in 2004 werd voorzien. De door de gemeente gestelde onvoorziene omstandigheden zijn niet aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] toe te rekenen. Er moet eerst (in conventie) duidelijkheid komen over de toekomst, opdat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] haar bedrijfsvoering kan aanpassen. Pas daarna kan het eventueel niet langer betalen van een tegemoetkoming door de gemeente aan de orde komen.

De beoordeling

in conventie

In de dagvaarding heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] haar vordering uitdrukkelijk gebaseerd op niet-nakoming door de gemeente van de door haar op zich genomen verplichting [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] op 1 januari 2007 onder dezelfde voorwaarden als waaronder zij voorheen in de Walstaat was gehuisvest, in de te realiseren nieuwbouw aan de [straat in centrum van Vlissingen] terug te plaatsen. Daarbij gaf [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aan dat onder “onder dezelfde voorwaarden” diende te worden verstaan “om niet”; ook in latere processtukken heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] uitdrukkelijk de stelling ingenomen dat was afgesproken dat zij om niet in de Walstaat zou kunnen terugkeren. Bij de berekening van haar schade neemt zij 1 januari 2007 als beginpunt; door haar ondervonden nadeel na die datum wijt zij aan de gestelde niet-nakoming door de gemeente. Voorts gaat zij er bij de schadebegroting (die zij baseert op jaarstukken, die betrekking hebben op de periode dat zij met de tegemoetkoming van de gemeente haar onderneming in de [pand B.] dreef) niet van uit dat zij, was zij teruggeplaatst in de [straat in centrum van Vlissingen], huisvestingslasten zou hebben.

4.2. De rechtbank stelt vast, dat waar [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de gemeente verwijt haar in het ongewisse te laten over de herhuisvesting en het tijdspad, zij daarbij – gelet op haar overige stellingen – steeds als uitgangspunt hanteert dat de gemeente jegens haar de verplichting heeft om haar per 1 januari 2007, om niet te herhuisvesten in de [straat in centrum van Vlissingen]. Immers, waren die afspraken niet gemaakt, dan had de gemeente ook niet (vanaf 1 januari 2007) de verplichting om [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] – toen de omstandigheden rondom de nieuwbouwplannen wijzigden – daarover op de wijze als [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] stelt dat had gemoeten, te berichten. Bovendien wordt ook aan dit verwijt gekoppeld, dat de gemeente jegens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] schadeplichtig is, en wordt de schade ook hier begroot, uitgaande van de situatie dat zij per 1 januari 2007 zonder huisvestingslasten zou zijn gehuisvest in de nieuwbouw aan de [straat in centrum van Vlissingen]. De grondslag van de vordering ligt derhalve primair in de onder 4.1. genoemde, door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gestelde, afspraken.

4.3. Ter comparitie is vastgesteld dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door de gemeente, met de inhoud van voornoemde brief het bestaan van de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gestelde afspraken, zoals onder 4.1 genoemd onvoldoende waren bewezen. Nu die afspraken de grondslag waren van haar vordering, is zij bij ter comparitie gewezen, mondeling vonnis, tot het bewijs van haar stelling – toen geformuleerd: dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] na nieuwbouw op het perceel [pand A.] onder dezelfde condities als zij tot begin 2004 in het oude pand zat (dat wil zeggen: om niet) en uiterlijk op 1 januari 2007 met haar bedrijf in het (nieuwe) pand zou terugkeren – toegelaten. Er zijn vervolgens getuigen gehoord. Na de bewijsvoering heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gesteld dat de bewijsopdracht niet in direct verband staat met de grondslag van de vordering; die stelling wordt, gelet op het hiervoor onder 4.2 overwogene, verworpen.

4.4.1. Ter levering van het haar toegelaten bewijs heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] als getuigen voorgebracht haar echtgenoot [echtgenoot], de architect [dhr. C.] en de bouwkundige [dhr. D.]. In tegenverhoor heeft de gemeente doen horen de gepensioneerde projectontwikkelaar [dhr. E.].

4.4.2. Uit de verklaring van [echtgenoot], die aangaf bij de besprekingen die omtrent de winkel van zijn echtgenote met de gemeente werden gemaakt, aanwezig te zijn geweest, blijkt dat hij eind 2003 met de gemeente heeft gesproken over mogelijke terugkeer van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in de te realiseren nieuwbouw aan de [straat in centrum van Vlissingen]. Hij ging er toen van uit, zo verklaarde hij, dat zijn echtgenote in het gunstigste geval na vier jaar weer aan de [straat in centrum van Vlissingen] zou zitten; alle betrokkenen gingen er van uit dat die termijn maximaal vijf jaar zou zijn. Voorts heeft [echtgenoot] verklaard dat hij met de gemeente heeft gesproken over terugkeer om niet. In een concept-brief van de gemeente werd gesproken van “marktconforme condities”. Namens de gemeente is hem toen gezegd dat “marktconforme condities” ook “om niet”zou kunnen betekenen. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft toen aangegeven graag te willen dat in de brief “om niet” of “onder dezelfde voorwaarden als waaronder voorheen van het pand gebruik werd gemaakt” zou worden opgenomen. Hij heeft vervolgens niet gezien of dat is gebeurd. Een definitieve brief heeft hij niet gezien; hij heeft daar ook niet naar gevraagd. De brief van 23 januari 2003 van de gemeente hebben hij en zijn echtgenote, zo verklaarde hij, destijds niet ontvangen. Later is er over de voorwaarden waaronder terugkeer mogelijk was niet meer gesproken.

4.4.3. De getuige Laban heeft over de afspraken omtrent wat er met de winkel van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zou gebeuren, niets kunnen verklaren.

4.4.4. De getuige [dhr. D.] heeft verklaard dat hij in de periode voordat de Hema had aangegeven tijdelijk van de locatie [straat in centrum van Vlissingen] gebruik te willen maken, gesprekken over een op te starten project [pand A.] heeft bijgewoond, en dat hij daarin heeft begrepen dat de gemeente graag wilde dat de winkel van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] op die plaats zou terugkeren. Over de financiële consequenties daarvan zou namens de gemeente zijn gezegd dat daarvoor een potje was en dat dat zou worden weggesubsidieerd. Toen de Hema betrokken raakte bij de locatie, was [dhr. D.] al minder betrokken bij het project. Over de precieze wijze waarop de winkel van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zou terugkeren is met [dhr. D.], zo verklaarde hij, nooit gesproken. Van [echtgenoot] had hij wel gehoord dat de terugkeer van de winkel van zijn echtgenote financieel aantrekkelijk werd gemaakt; de invulling daarvan kende [dhr. D.], zo verklaarde hij, niet.

4.4.5. Uit de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen kan niet blijken van de afspraak dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] per 1 januari 2007 zou terugkeren aan de [straat in centrum van Vlissingen]. De enige getuige die over een datum spreekt is de heer [echtgenoot], en hij spreekt slechts over vier jaar of vijf jaar als uitgangspunten. Als terugplaatsing na vier jaar zou plaatsvinden, zou dat rond 1 januari 2008 hebben plaatsgevonden, zou van vijf sprake zijn geweest, dan zou dat rond 1 januari 2009 zijn geweest. Dat 1 januari 2007 als datum van terugkeer tussen partijen was afgesproken, is niet bewezen. Slechts staat vast (zoals in de brief van 23 januari 2004 vastgelegd) dat toen werd voorzien dat de locatie [straat in centrum van Vlissingen] op 1 januari 2007 voor nieuwbouw beschikbaar zou komen.

4.4.6. Evenmin is bewezen dat tussen partijen was afgesproken dat terugkeer onder dezelfde condities als tot begin 2004 golden, dat wil zeggen: om niet zou plaats vinden.

Getuige [dhr. D.] heeft verklaard dat over financiële aspecten van de terugkeer wel is gesproken, maar heeft niets kunnen verklaren over daadwerkelijke afspraken. Getuige [echtgenoot] verklaart over zijn wens dat zijn echtgenote om niet zou kunnen terugkeren, maar geeft ook aan dat hem bekend is dat de gemeente sprak over marktconforme condities, die mogelijk (maar niet persé) konden inhouden: om niet. Bij die vage bespreking is het gebleven. Niet is komen vast te staan dat de gemeente heeft toegezegd [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] om niet te laten terugkeren.

4.5. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft aldus niet bewezen dat de door hem gestelde afspraken zijn gemaakt, Voor zover haar vorderingen zijn gebaseerd op niet-nakoming door de gemeente van die afspraken, moeten zij worden afgewezen.

4.6. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft voorts, na de bewijsvoering, nog gesteld dat de gemeente een inspanningsverplichting om tot terugplaatsing van haar onderneming aan de [straat in centrum van Vlissingen] te komen, niet is nagekomen. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft zij dat toegelicht, stellende dat de gemeente onvoldoende heeft gedaan om te bewerkstellingen dat daadwerkelijk nieuwbouw aan de [straat in centrum van Vlissingen] zou plaatsvinden. Dat ontoereikende handelen van de gemeente leidde zij af uit het feit dat die nieuwbouw feitelijk niet is gerealiseerd. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat de nieuwbouw niet is gerealiseerd, niet zonder meer betekent dat de gemeente onvoldoende heeft gedaan om tot realisering ervan te komen. Tegenover de gemotiveerde stelling van de gemeente dat zij de nodige activiteiten heeft verricht om de nieuwbouw gerealiseerd te krijgen, maar dat er uiteindelijk geen projectontwikkelaar was te vinden, die het project wilde uitvoeren, heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] haar stelling te weinig onderbouwd. Die stelling wordt gepasseerd. Andere gronden waaruit blijkt dat de gemeente zich onvoldoende heeft ingespannen zijn niet gesteld. Ook voor zover de vorderingen op de hier bedoelde grondslag waren gebaseerd, worden zij afgewezen.

4.7. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zullen worden afgewezen. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- vast recht € 1.650,--

- getuigentaxe € 42,50

- salaris advocaat € 5.811,-- (6,5 x tarief IV, € 894,--)

Totaal € 7.503,50

Opdat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] een redelijke termijn van betaling behoort te worden gegund, zal de rechtbank de – door de gemeente onbetwist gevorderde – wettelijke rente over de proceskosten doen ingaan op de vijftiende dag na die waarop dit vonnis is betekend.

in reconventie

4.8. Vast staat dat partijen – hoewel, zoals hiervoor al overwogen, geen concrete einddatum is afgesproken – er toen zij de afspraak maakten, dat de gemeente een tegemoetkoming in de kosten van huisvesting van de winkel van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in de [pand B.] zou betalen, van uit gingen dat de huisvesting daar drie tot maximaal vijf jaar zou duren. Aldus was onvoorzien dat dat – zoals nu blijkt – een onbepaalde tijd zou duren. Dat de omstandigheid dat het veel langer is gaan duren niet aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is te wijten, is niet van belang. Alleen in geval de omstandigheden voor rekening behoren te komen van degene die zich er op beroept (in dit geval de gemeente), zal een verzochte wijziging van een overeenkomst niet kunnen worden uitgesproken (art. 6:258, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). Er is geen uitzicht op terugplaatsing van de winkel van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in de [straat in centrum van Vlissingen]. Enig alternatief voor die plaatsing is door haar ook niet aangedragen. Dat betekent dat nakoming van de afspraken zou betekenen dat de gemeente nog lang de tegemoetkoming zou dienen te betalen. Dat kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar worden gevergd. Op enig moment dient een eind te komen aan de betalingen. De gemeente heeft zes jaar de tegemoetkoming betaald. Was alles gegaan zoals destijds voorzien, dan zou [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de [pand B.] hebben verlaten uiterlijk begin 2009. Vanaf dat moment had zij dan in de [straat in centrum van Vlissingen], tegen marktconforme tarieven en dus met eigen huisvestingskosten, haar winkel hebben geëxploiteerd. Zij had dus ook voor die datum haar bedrijfsvoering zodanig dienen in te richten, dat zij in staat was huisvestingslasten te dragen. Dat zij thans de bedrijfsvoering nog niet heeft aangepast, kan onder die omstandigheden aan toewijzing van de vordering van de gemeente niet in de weg staan. In het licht van al het vorenstaande kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de gemeente niet worden gevergd, dat zij thans nog de tegemoetkoming blijft betalen. De vordering van de gemeente om vast te stellen dat zij de tegemoetkoming met ingang van 1 januari 2010 kan staken, zal worden toegewezen.

4.9. Gelet op het vorenstaande en in acht nemend hetgeen in conventie is geoordeeld – namelijk dat niet is komen vast te staan dat de gemeente haar inspanningsverplichting niet is nagekomen – staat vast de gemeente thans de (overeenkomstig het in 4.8 overwogene als gewijzigd te beschouwen) overeenkomst is nagekomen. Dat leidt ertoe dat ook de tweede vordering van de gemeente kan worden toegewezen.

4.10 [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 904,-- (2 x tarief I1, € 452,--) aan salaris advocaat. Opdat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] een redelijke termijn van betaling behoort te worden gegund, zal de rechtbank de – door de gemeente onbetwist gevorderde – wettelijke rente over de proceskosten doen ingaan op de vijftiende dag na die waarop dit vonnis is betekend.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

wijst de vorderingen af;

in reconventie

verklaart voor recht dat de gemeente de betaling van de tegemoetkoming in de huurkosten van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zal mogen staken per 1 januari 2010 en dat de relatie tussen partijen vanaf die datum beëindigd zal zijn en dat partijen elkaar over en weer niets meer verschuldigd zullen zijn;

in conventie en in reconventie

veroordeelt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in de kosten van deze geding, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 8.407,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na die waarop dit vonnis is betekend;

verklaart dit vonnis, voor zover het de proceskosten betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.