Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BP7494

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
11-03-2011
Zaaknummer
12/706032-10[P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

art 6 WvW: dodelijk verkeersongeval, gradatie van schuld. Gelet op de prceshouding van verdachte, wiens ernstige, levensbedreigende ziekte en de daaruit voortvlloeiende onzekerheid met betrekking tot zijn levensverwachting komt de rechtbank tot een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/706032-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 maart 2011

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen

[verdachte]

geboren op [1985]

wonende te [adres]

raadsman mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 februari 2011, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Namens de nabestaanden van [slachtoffer] is gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staan in de inleidende dagvaarding te weten dat:

hij op of omstreeks 12 september 2010 te Scherpenisse, gemeente Tholen, als verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

((personen)auto), daarmede rijdende over de weg, de Gorishoeksedijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - na het gebruik van alcoholhoudende drank -

met een snelheid te rijden die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse, en/of gezien zijn, verdachtes, rijrichting onvoldoende rechts te

rijden, en/of (vervolgens) in een slip- of slingerbeweging te geraken, en/of (vervolgens) in botsing, althans in aanrijding, te komen met een voor hem,

verdachte, tegemoetkomende fietsster en/of diens fiets, waardoor die fietsster (genaamd [slachtoffer]) werd gedood, terwijl hij verkeerde

in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel

gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

a)

hij op of omstreeks 12 september 2010 te Scherpenisse, gemeente Tholen, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na

zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van

de Wegenverkeerswet 1994, 400 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

en/of

b)

hij op of omstreeks 12 september 2010 te Scherpenisse, gemeente Tholen, als verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

((personen)auto), daarmede rijdende over de weg, de Gorishoeksedijk, met een snelheid heeft gereden die te hoog was voor een veilig verkeer ter

plaatse, en/of gezien zijn, verdachtes, rijrichting onvoldoende rechts heeft gereden, en/of (vervolgens) in een slip- of slingerbeweging is geraakt, en/of

(vervolgens) in botsing, althans in aanrijding, is gekomen met een voor hem, verdachte, tegemoetkomende fietsster en/of diens fiets,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon woren veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat door het rijgedrag van verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] werd gedood. Hij merkt daarbij het rijgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig aan. Daarbij neemt hij in aanmerking dat verdachte met een grote hoeveelheid alcohol op is gaan rijden, onvoldoende rechts heeft gehouden en met een snelheid reed die naar omstandigheden te hoog was.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging kan worden bewezen dat verdachte heeft gereden na het gebruik van alcoholhoudende drank en dat hij onvoldoende rechts heeft gehouden. Naar de mening van de verdediging kan niet worden bewezen dat verdachte te hard heeft gereden. Gelet daarop acht de verdediging wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. De verdediging heeft daarbij nog aangevoerd dat de medische toestand van het slachtoffer ’s middags om 17.00 uur nog werd omschreven als ernstig doch vooralsnog niet levensbedreigend, terwijl zij ’s avonds is overleden. Omdat verdere informatie ontbreekt is niet duidelijk in hoeverre het overlijden van het slachtoffer aan verdachte kan worden toegerekend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting uit van het volgende.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto op 12 september 2010 omstreeks 14.56 uur gereden over de Gorishoeksedijk te Scherpenisse binnen de gemeente Tholen komende vanuit de richting Westkerkseweg en gaande in de richting van de Hartogsweg. Naast hem in de auto zat [passagier]. Op de weg fietste mevrouw [slachtoffer] vanuit tegenovergestelde richting. De auto van verdachte is in een slip geraakt en met de linkervoorzijde aan de voor hem linkerzijde van de rijbaan terecht gekomen. Hierbij heeft hij de fietsster geraakt, om vervolgens door de linkerberm te rijden, uit te breken naar de rechterzijde en vervolgens aan de rechterzijde de berm in te rijden en met de linkervoorzijde tegen een boom te botsen. Door de aanrijding is de fietsster zwaar gewond geraakt. Omstreeks 20.45 uur is zij in het Sint Elisabethziekenhuis in Tilburg overleden als gevolg van zeer uitgebreid bloedverlies.

Voordat hij ging rijden, had verdachte in de ochtend en de vroege middag alcoholhoudende drank, te weten diverse flesjes bier, gedronken. Bij het ademonderzoek dat na het ongeval bij verdachte is afgenomen, is vastgesteld dat het alcoholgehalte van zijn adem 400 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg.

De Gorishoeksedijk is een polderweg die gelegen is op een dijklichaam, waar ten tijde van de aanrijding een maximumsnelheid gold van 80 km/u. De plaats waar de aanrijding plaatsvond is gelegen na een bocht. Aan de linkerzijde is een bomenrij gesitueerd en aan de rechterzijde bebossing met daarin bomen. De bomen en bebossing stonden ten tijde van het ongeval vol in het blad. Ten tijde van het ongeval was het droog en zonnig. Rijdend vanaf de Westkerkseweg te Scherpenisse gaande in de richting van de Gorishoeksedijk te Scherpenisse, met voornoemde weersomstandigheden, wordt aangekeken tegen een donkere achtergrond in de richting van de Gorishoeksedijk. Verkeer vanuit de tegenovergestelde richting kan in die omstandigheden minder opgemerkt worden omdat tegen een donkere achtergrond aangekeken wordt en de ogen moeten wennen aan de omstandigheden.

De onderhoudstoestand van de auto waarin verdachte reed was goed. De auto had kort voor het ongeval nieuwe remschijven en remblokken gekregen.

Overtreding artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is op zijn minst vereist dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig dan wel onoplettend heeft gereden en dat als gevolg van dat rijgedrag een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor letsel aan personen is toegebracht. In zijn algemeenheid valt niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Bij de beoordeling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Ten aanzien van de schuld van verdachte is tenlastegelegd dat hij gelet op de omstandigheden met een te hoge snelheid zou hebben gereden, dat hij onvoldoende rechts heeft gehouden en in een slip- of slingerbeweging is geraakt.

- te hoge snelheid

Ten tijde van het ongeval gold op de Gorishoeksedijk een maximum snelheid van 80 km/u. Ter zitting en bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij ter plekke van het ongeval ongeveer 60-70 km/u reed. Blijkens het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse kan niet worden vastgesteld met welke snelheid verdachte ten tijde van het ongeval reed. Ook aan de hand van getuigenverklaringen van [passagier] en [getuige] kan de werkelijke snelheid niet worden vastgesteld. [passagier] heeft verklaard dat hij niet op de kilometerteller heeft gekeken maar dat verdachte voor zijn gevoel wel harder reed dan was toegestaan. [getuige] heeft verklaard dat zij op de Westkerkseweg nog nooit een auto zo hard heeft zien rijden , maar die verklaring dient als subjectief te worden gewaardeerd, heeft weliswaar waarschijnlijk, maar niet met zekerheid, betrekking op de auto waar verdachte in reed en heeft geen betrekking op de plaats en het moment van het ongeval. Tot slot is door de politie vastgesteld dat de weg onder de omstandigheden waaronder het ongeval plaatsvond, te berijden was met 80 km/uur. Op grond van deze verklaringen en bevindingen in hun onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte gelet op de omstandigheden met een te hoge snelheid heeft gereden voor veilig verkeer ter plaatse.

- onvoldoende rechts gehouden

In het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse wordt als vermoedelijke toedracht geconcludeerd dat verdachte vermoedelijk in de bocht ter hoogte van de T-kruising met de Schakelweg aan de voor hem linkerzijde van de weg de controle over zijn voertuig heeft verloren. Verdachte heeft verklaard dat hij niet geheel rechts reed toen hij de Gorishoeksedijk op reed, hij nam de binnenbocht. Toen zijn ogen na de overgang van licht naar de plotselinge duisternis aan het licht gewend waren zag hij op een afstand van 15 à 20 meter de fietsster, die niet rechts maar meer in het midden van de weg fietste. Om haar te ontwijken stuurde hij naar rechts en voelde dat de auto begon te slippen.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte voorafgaand aan het ongeval onvoldoende rechts heeft gereden waardoor hij bij het zien van de fietstster moest uitwijken waarbij hij in een slipbeweging is geraakt als gevolg waarvan het ongeval heeft plaatsgevonden. Indien hij voldoende rechts had gereden had hij niet hoeven uitwijken met alle gevolgen van dien.

- slip- of slingerbeweging

Het in een slip- of slingerbeweging geraken is als zodanig geen gedraging die schuld in de zin van artikel Wegenverkeerswet 1994 oplevert. Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse noch uit de verklaringen van verdachte of getuige [passagier] kan worden afgeleid wat er de oorzaak van is geweest dat de auto in een slipbeweging is geraakt. Niet is komen vast te staan of sprake is geweest van een gedraging van verdachte waardoor de auto in een slipbeweging is geraakt of dat de oorzaak moet worden gezocht in andere factoren zoals een nat wegdek of mogelijke problemen met de remmen van de auto, zoals door de verdediging is geopperd. De rechtbank merkt daarbij op dat in de tenlastelegging ook geen gedraging is opgenomen die tot het in een slip- of slingerbeweging geraken zou hebben geleid. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan derhalve niet bijdragen aan de schuld van verdachte.

Letsel

Nadat mevrouw [slachtoffer] in aanvankelijk ernstige, maar niet levensbedreigende toestand, naar het Sint-Elisabethziekenhuis te Tilburg is gebracht, is zij daar ’s avonds aan haar verwondingen overleden. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende causaal verband is tussen het ongeval en het overlijden van het slachtoffer. Aangenomen mag worden dat wanneer het ongeval niet had plaatsgevonden, mevrouw [slachtoffer] nog had geleefd. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat bij de behandeling in het ziekenhuis fouten zijn gemaakt zonder welke het slachtoffer niet zou zijn overleden.

Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte een verkeersfout heeft gemaakt die eruit bestaat dat hij onvoldoende rechts heeft gereden. Daarbij komt dat hij onder invloed verkeerde van alcohol.

Gelet op de inhoud van de hierboven genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige overtreding van dien aard en ernst is en onder zodanige omstandigheden is begaan, dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat het aan zijn schuld te wijten is dat er een ongeval met dodelijke afloop heeft plaats gevonden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 12 september 2010 te Scherpenisse, gemeente Tholen, als (verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een

personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Gorishoeksedijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, - na het gebruik van alcoholhoudende drank -

gezien zijn, verdachtes, rijrichting onvoldoende rechts te

rijden, en in een slip- of slingerbeweging te geraken en vervolgens in botsing, te komen met een voor hem,

verdachte, tegemoetkomende fietsster en diens fiets, waardoor die fietsster (genaamd [slachtoffer]) werd gedood, terwijl hij verkeerde

in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van één jaar. Daarnaast vordert hij een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren. De officier van justitie stelt rekening te hebben gehouden met de ziekte van verdachte, waarbij hij hem detentiegeschikt acht. In het geval de ziekte zich wederom openbaart kan een gratieverzoek worden ingediend.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangegeven dat het leven van verdachte na het ongeval een doffe ellende is. Ten eerste vanwege het ongeval. Verdachte trekt zich de gevolgen van het ongeval voor het slachtoffer en haar nabestaanden heel erg aan. Daar komt bij dat kort na het ongeval bij hem een levensbedreigende ziekte is geconstateerd waartegen geen behandeling mogelijk is. De artsen kunnen hem geen prognose geven. Volgens de raadsman is de kans groot dat verdachte geen jaar meer te leven heeft. Als gevolg van het ongeval en de ziekte verkeert verdachte in grote psychische problemen.

Om die reden verzoekt de verdediging verdachte niet naar de gevangenis te sturen. In plaats daarvan verzoekt de verdediging de maximale werkstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De verdediging verzoekt in verband met een mogelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen er rekening mee te houden dat verdachte ver van de bewoonde wereld af woont en voor zijn sociale contacten van de auto afhankelijk is. Bovendien kan verdachte indien hij over zijn rijbewijs beschikt weer bij zijn oude werkgever in dienst treden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het opleggen van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden en de ernst van de gepleegde feiten, alsmede met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich onder invloed van alcohol in het verkeer dusdanig heeft gedragen dat hij niet alleen zichzelf maar ook zijn passagier en medeweggebruikers in gevaar heeft gebracht.

Bij bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen de oriëntatiepunten straftoemeting en afspraken van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) en gepubliceerd op Rechtspraak.nl.

De rechtbank acht een lagere gradatie van schuld bewezen dan de officier van justitie aan zijn eis ten grondslag heeft gelegd.

Gezien verdachtes proceshouding, waarbij hij ruimhartig openheid van zaken heeft gegeven en waarbij hij zichzelf niet heeft gespaard, heeft de rechtbank de indruk dat bij verdachte sprake is van oprecht berouw. De rechtbank weegt dat in het voordeel van verdachte mee alsmede de omstandigheid dat verdachte excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden en er blijk van heeft gegeven zeer met hun lot te zijn begaan. De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft, en met het feit dat hij als gevolg van het inhouden van zijn rijbewijs zijn werk is kwijtgeraakt.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de ernstige levensbedreigende ziekte van verdachte en de daaruit voortvloeiende onzekerheid met betrekking tot zijn levensverwachting. Nog daargelaten dat de rechtbank op basis van haar waarneming ter terechtzitting en het reclasseringsadvies ernstige twijfels heeft ten aanzien van de detentiegeschiktheid van verdachte, is zij van oordeel dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden het ondergaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor deze verdachte buitenproportioneel zwaar zou zijn. De rechtbank zal daarom een werkstraf opleggen. Bij het bepalen van de hoogte van de werkstraf zal de rechtbank er rekening mee houden dat voor deze verdachte tevens geldt dat, mede gezien de beperkingen aan zijn arm als gevolg van zijn ziekte en zijn psychische gesteldheid, een werkstraf zwaarder zal vallen dan een vergelijkbare werkstraf voor de gemiddelde gestrafte. Omdat daarmee de straf lager zal uitvallen dan enkel op grond van het feit gerechtvaardigd lijkt, zal de rechtbank tevens een geldboete opleggen. Bij het bepalen van de hoogte van die geldboete wordt aansluiting gezocht bij voormelde oriëntatiepunten voor rijden onder invloed van alcohol.

De rechtbank zal tevens een - deels voorwaardelijke - ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te noemen duur opleggen, De rechtbank laat daarbij meewegen dat verdachte onevenredig zwaar is getroffen door het verliezen van zijn werk als gevolg van het inhouden van het rijbewijs. De rechtbank beoogt het mogelijk te maken dat verdachte, indien zijn gezondheid het toelaat, binnen afzienbare termijn zijn werk zal kunnen hervatten. De rechtbank schat het recidiverisico als laag in. Verdachte heeft voldoende duidelijk gemaakt dat hij inmiddels goed doordrongen is van het gevaar van alcohol in het verkeer en dat hem er alles aan gelegen is om te voorkomen dat een dergelijk ongeval ooit nog zal plaatsvinden.

Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf van 180 uur in combinatie met een geldboete van € 550,-- en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, passend.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8 lid 2 ahf/ond a en b, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 Beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan Huijsmans en de erfgenamen van [slachtoffer], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kunnen worden aangemerkt.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uur;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 550,--;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 11 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van vierentwintig maanden waarvan zestien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 1.00 STK Personenauto [kenteken];

1.00 STK Fiets Dames kl: zilver.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. Geelhoed en mr. Jaspers, rechters, in tegenwoordigheid van Buijze, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 maart 2011.

Mr. Geelhoed is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.