Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BP6849

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
70448 / HA ZA 09-616
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over uitleg van samenloopclausule in twee autoverzekeringen. Ging met name over de schade aan vervangende auto. Harde of zachte samenloopclausule? Voorrangsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 70448 / HA ZA 09-616

Vonnis van 2 maart 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. P.P.H. Lems te ‘s-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap

ALGEMENE ZEEUWSE VERZEKERINGS MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Middelburg,

gedaagde,

advocaat mr. M. van der Bent te Middelburg.

Partijen zullen hierna Aegon en Zeeuwse genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens houdende wijziging eis

- akte uitlating wijziging eis

- de conclusie van dupliek

De feiten

De heer [A.] is eigenaar van de auto, merk Volkswagen Golf, type VR6, kenteken [kentekennummer]. Deze auto was verzekerd bij Zeeuwse op een motorrijtuigverzekering met polisnummer [polisnummer]. Deze polis kent de volgende samenloopclausule: Indien het motorrijtuig wegens reparatie- of revisiedoeleinden tijdelijk vervangen wordt door een naar type en prijsklasse gelijksoortig en niet aan een aan verzekerde toebehorend motorrijtuig, is ook dit vervangende motorrijtuig gedurende deze vervangingstermijn op dezelfde voorwaarden verzekerd als het motorrijtuig, voor zover geen beroep kan worden gedaan op een andere verzekering, al dan niet van oudere datum. Op 3 november 2008 heeft [de heer A.] zijn auto afgeleverd bij Garage [naam garage] in IJzendijke voor reparatie en heeft Garage [naam garage] aan [de heer A.] uit haar bedrijfsvoorraad een Peugeot, type 306, kenteken [autokenteken] ter beschikking gesteld. Garage [naam garage] had deze Peugeot verzekerd op een Garageverzekering bij Aegon onder polisnummer [polisnummer van Aegon]. Deze polis kent de volgende samenloopclausule: De uit 1.6 voortvloeiende dekking geldt niet indien blijkt dat de door 1.6 gedekte aansprakelijkheid eveneens op (een) anders verzekering(en) is gedekt of daarop zou zijn gedekt indien 1.6 niet zou hebben bestaan. Op 9 november 2008 om omstreeks 07.40 uur is [de heer A.], die onder invloed van alcohol verkeerde, met de Peugeot in Belgë op de E34 (A11) nabij kilometerpaal 3.3 met een snelheid van ongeveer 125 km per uur achter op de voor hem rijden motorfiets, bestuurd door de heer [X.] uit Beveren, België, gereden ten gevolge waarvan de heer [de heer X.] is overleden.

Het geschil

Aegon vordert na wijziging van eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat Zeeuwse op grond van de bij haar afgesloten verzekering gehouden is dekking te verlenen voor de door benadeelden geleden en nog te lijden schade en derhalve gehouden is de (verdere) schadeafwikkeling ter hand te nemen.

2. voor recht verklaart dat Zeeuwse op grond van subrogatie en/of op grond van artikel 15 lid 1 Wam en/of op grond van cessie gehouden is tot betaling aan Aegon van de door haar reeds voldane en nog te betalen bedragen aan de nabestaanden van het slachtoffer;

3. Zeeuwse veroordeelt tot betaling aan Aegon van het reeds door haar voldane bedrag van € 17.705,86 en eventueel nog te verrichten betalingen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data zoals genoemd sub 16 dagvaarding, respectievelijk de data van betaling, tot aan de dag der algehele voldoening;

4. Zeeuwse veroordeelt in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening niet binnen bedoelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

Aegon legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Beide polissen bieden dekking, ware het niet dat de in de beide polissen opgenomen samenloopclausules bepalen wie van beiden uiteindelijk dekking dient te verlenen. Omdat Zeeuwse daartoe door de nabestaanden aangesproken weigerde dekking te verlenen heeft Aegon de behandeling van de claim op zich genomen. Aegon is echter van oordeel dan niet zij, maar Zeeuwse dekking dient te verlenen. De samenloopclausule in de polis van Aegon geldt als een “harde” clausule en die van Zeeuwse als een “zachte”clausule. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat bij samenloop van een verzekering met een “harde” samenloopclausule met een verzekering met een “zachte” clausule, de laatste dekking dient te verlenen. Zij verwijst naar de uitspraken van de Hoge Raad van 10 maart 1995, NJ 1995, 580, van 27 februari 1998, NJ 1998, 764 en van 13 januari 2006, LJN: AU3715. De samenloopclausule die Aegon hanteert voldoet volledig aan de definitie die de Hoge Raad geeft van een “harde” samenloop en de samenloopclausule van de Zeeuwse geheel aan de definitie van een “zachte” samenloopclausule. Derhalve dient de Zeeuwse de behandeling over te nemen en de door Aegon gedane uitkeringen aan haar te vergoeden. Zij heeft inmiddels aan de nabestaanden van het slachtoffer € 17.705,86 voldaan.

De Zeeuwse voert verweer. Op 3 november 2008 heeft [de heer A.] zijn auto voor reparatie bij Garage [naam garage] afgeleverd. Omdat de reparatie een ingrijpend karakter bleek te hebben heeft [de heer A.] in verband met de daarmee gepaard gaande hoge kosten in relatie tot de waarde van de auto bedenktijd gevraagd. Eind november 2008 stemde [de heer A.] alsnog in met de reparatie. Uit onderzoek is niet alleen gebleken dat [de heer A.] ten tijde van de aanrijding onder invloed van alcohol verkeerde, maar ook dat hij bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst relevante feiten niet of onjuist heeft vermeld en zich schuldig heeft gemaakt aan verzwijging. Ten onrechte is op het aanvraagformulier voor de verzekering vermeld dat de [de heer B.], de vader van [de heer A.], de eigenaar en regelmatige bestuurder van de te verzekeren auto, Volkswagen Golf VR6, kenteken [kentekennummer] is. Zeeuwse heeft de verzekeringsovereenkomst op grond van verzwijging, dwaling en bedrog vernietigd en is derhalve niet tot uitkering gehouden. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de auto van [de heer A.] niet bij Garage [naam garage] stond voor reparatie- of revisiedoeleinden. In verband met de hoge aan de reparatie verbonden kosten heeft [de heer A.] bedenktijd gevraagd om te beslissen of hij tot reparatie van zijn auto wilde overgaan. Pas eind november, bijna een maand later heeft hij opdracht gegeven voor de reparatie. Blijkens artikel 2.6 van de polisvoorwaarden van De Zeeuwse was zij bereid om het risico te dragen gedurende de tijd dat de auto wegens reparatie- of revisiedoeleinden bij de garage stond. Zij heeft geen dekking willen bieden voor door de verzekerde van Aegon (Garage [naam garage]) aan haar klanten verleende bedenktijd. Aan de voorwaarden voor dekking van een vervangende auto is derhalve niet voldaan. Van samenloop is derhalve geen sprake. Ook indien wel sprake is van samenloop dient Aegon op te komen voor de schade. De vraag of een bepaalde samenloopclausule “hard” of “zacht” is niet doorslaggevend bij de beoordeling van de vraag welke verzekeraar voor de schade dient op te komen. Ook dient gelet te worden op andere beperkingen en uitsluitingen. Het gaat er om op welke verzekering de verzekerde de sterkste aanspraken heeft. Gelet op het feit dat sprake is van verzwijging en/of verkeerde opgave en het gegeven dat niet voldaan is aan de in artikel 2.6 van de gestelde voorwaarden voor dekking heeft [de heer A.] tegenover De Zeeuwse in het geheel geen aanspraak op dekking. De polis van Aegon geeft daarentegen wel dekking voor de door de aan Garage [naam garage] toebehorende Peugeot veroorzaakte schade. Zeeuwse bestrijdt dat Aegon in de rechten van de benadeelde is gesubrogeerd. Aegon kan niet als rechtverkrijgende worden aangemerkt. Tenslotte betwist zij dat Aegon aan de nabestaanden € 17.705,86 heeft uitgekeerd.

De beoordeling

De rechtbank neemt bij de beoordeling als uitgangspunt dat beide partijen als WAM-verzekeraar stonden geregistreerd in het register van de Dienst Wegverkeer als bedoeld in artikel 13 lid 2 van de Wet aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen (WAM) en dat derhalve sprake is van twee naast elkaar bestaande “WAM-verzekeringen”, verzekeringen die voldoen aan de door of krachtens de WAM gestelde eisen. Eveneens staat vast dat het ongeval is veroorzaakt met een vervangend motorrijtuig. De rechtbank passeert de stellingen van Zeeuwse dat zij op grond van de interne verhouding tussen haar en [de heer A.] geen dekking behoeft te bieden en niet tot uitkering gehouden is omdat de aanrijding is veroorzaakt met een door Aegon verzekerde auto, omdat zij geen dekking heeft behoeven te verlenen gedurende de tijd dat de auto van [de heer A.] bij de garage heeft gestaan in afwachting van zijn beslissing om de auto te laten repareren en omdat zij de overeenkomst met [de heer A.] heeft vernietigd en bij brief van 16 juni 2009 heeft beëindigd. Tussen partijen staat als onweersproken vast dat de polis van Zeeuwse dekking gaf voor schade die met een vervangend motorrijtuig werd gemaakt. Gesteld, noch gebleken is dat de polis beperkingen bevatte met betrekking tot de duur daarvan. Het enkele gegeven dat [de heer A.], nadat de garage had vastgesteld dat met de reparatie aanzienlijke kosten gemoeid zouden zijn, enkele dagen bedenktijd heeft gevraagd, maakt niet dat daardoor de dekking van de polis is komen te vervallen. Het feit dat Zeeuwse de verzekeringsovereenkomst met [de heer A.] op grond handelen met opzet om te misleiden heeft beëindigd kan er toe evenmin toe leiden dat Zeeuwse niet tot uitkering aan de nabestaanden gehouden is. Op grond van artikel 13 WAM is de verzekeraar verplicht aan de Dienst Wegverkeer binnen 30 dagen kennis te geven van de beëindiging van de verzekering, bij gebreke waarvan de verplichtingen tegenover de WAM benadeelde zijn blijven bestaan. Gesteld, noch gebleken is dat Zeeuwse op enig moment voor het ongeval aan de Dienst Wegverkeer mededeling heeft gedaan van beëindiging van de verzekering. De rechtbank gaat bij de verdere beoordeling er derhalve vanuit dat, anders dan Zeeuwse aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd, op de datum van het ongeval beide polissen dekking boden. Van samenloop is sprake wanneer ten behoeve van één verzekerde hetzelfde belang is verzekerd tegen hetzelfde gevaar, voor hetzelfde tijdvak en voor dezelfde schade. De rechtbank passeert de stelling van Zeeuwse dat in dit geval geen sprake is van samenloop omdat de vervangende autodekking op haar polis niet op één lijn gesteld kan worden met de geregistreerde WAM-dekking. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2006, NJ 2006,282, waarin zich een zelfde soort situatie voordeed. De Hoge Raad heeft voorts in zijn arrest van 10 maart 1995, NJ 1995, 580 al uitgemaakt dat bij samenloop van een “zachte” samenloopclausule met een “harde” samenloopclausule de eerst genoemde dekking verleent en dat de verzekeraar die de schade heeft afgewikkeld en een “harde” samenloopclausule hanteert, voor het door hem vergoede bedrag verhaal heeft op de verzekeraar die een “zachte” samenloopclausule hanteert. Aegon heeft onweersproken gesteld dat zij een “harde” hanteert en dat de polisvoorwaarden van Zeeuwse en “zachte” samenloopclausule bevatten. Dat betekent dat Zeeuwse gehouden is dekking te verlenen en dat Aegon de tot dusver vergoede kosten op Zeeuwse kan verhalen. Zeeuwse heeft de door Aegon overgelegde betalingsbewijzen niet betwist. De rechtbank zal de vorderingen derhalve toewijzen.

Zeeuwse dient als de in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van Aegon worden begroot op:

- dagvaarding € 72,25

- vastrecht € 390,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 x tarief € 452,00)

Totaal € 1.366,25

De beslissing

De rechtbank

- verklaart voor recht dat Zeeuwse op grond van de bij haar afgesloten verzekering gehouden is dekking te verlenen voor de door de benadeelden geleden en nog te lijden schade en derhalve gehouden is de verdere schadeafwikkeling ter hand te nemen;

- verklaart voor recht dat Zeeuwse gehouden is tot betaling aan Aegon van de door haar reeds voldane en nog te betalen bedragen aan de nabestaanden van het slachtoffer;

- veroordeelt Zeeuwse tot betaling aan Aegon van € 17.705,86 en van eventueel nog te verrichten betalingen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2009 over € 1.663,98 en vanaf 4 mei 2009 over € 16.041,88;

- veroordeelt Zeeuwse in de kosten van de procedure welke aan de zijde van Aegon tot aan dit moment worden begroot op € 1.366,25, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en voor het geval dat betaling binnen deze termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente van de bedoelde termijn van voldoening;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 2 maart 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.