Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BP6610

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
10/283
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Enkelvoudige raadkamer; 591a Sv. Verhoor verdachte door de politie in tegenwoordigheid van raadsman, vervolgens sepotbeslissing door de politie. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding voor rechtsbijstand niet onder het bereik van artikel 591a Sv valt, nu er niet gesproken kan worden van een zaak in de zin van artikel 591a Sv. De Salduz-jurisprudentie is hier niet van toepassing, omdat verdachte niet is aangehouden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2011/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

rk-nummer: 10/283

Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 591a Wetboek van Strafvordering

Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ingekomen ter griffie op 12 juli 2010 in de zaak:

[verzoeker],

geboren op [1968],

wonende te [adres].

1. De procedure

Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:

• het verzoekschrift met bijlagen dat strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat tot een bedrag van € 1.558,67, ter zake van de kosten van rechtsbijstand, vermeerderd met de kosten raadsman met betrekking tot de indiening en behandeling van bovenvermeld verzoekschrift;

• de kennisgeving van niet verdere vervolging van 18 juni 2010 van de politie, welke als bijlage bij het verzoekschrift is gevoegd.

Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van de enkelvoudige raadkamer op

15 februari 2011. Aldaar zijn verschenen en gehoord verzoeker voornoemd, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Van der Velde, advocaat te Breda, en de officier van justitie in het arrondissement Middelburg, mr. Rammeloo.

2. De beoordeling

Het verzoekschrift is tijdig en op de juiste wijze ingediend.

Tegen verzoeker is wegens een tegen hem gerezen verdenking van doorrijden na een aanrijding door de politie proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal is niet aan de officier van justitie verzonden. De zaak is afgedaan door middel van een zogenaamd politiesepot. Verzoeker heeft zich in verband met de tegen hem gerezen verdenking voorafgaand aan zijn verhoor tot een raadsman gewend. Deze heeft voor rechtsbijstand een bedrag van € 1.558,67 aan verzoeker in rekening gebracht. Verzoeker heeft op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering vergoeding van deze kosten verzocht, vermeerderd met de kosten in verband met het indienen (en behandelen) van het verzoekschrift.

Alvorens de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek dient zij de vraag te beantwoorden of is voldaan aan de voorwaarde van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, dat ‘de zaak’ is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering. Onder zaak in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering dient te worden verstaan een zaak waarmee (ten minste) de officier van justitie of een gemandateerde parketsecretaris heeft kennisgenomen. Van een dergelijke kennisname kan al blijken als de sepotbeslissing is genomen door het openbaar ministerie.

De sepotbeslissing in onderhavige zaak is genomen door een politiefunctionaris. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak niet blijkt van enige bemoeienis van het openbaar ministerie. De verdediging heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij niet betwist dat het openbaar ministerie geen kennis heeft genomen van het proces-verbaal. Gelet hierop kan niet worden gesproken van een zaak in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsvrouw heeft ter zitting betoogd dat onder zaak ook het strafrechtelijk onderzoek in het opsporingstraject valt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de thans heersende jurisprudentie met betrekking tot het begrip ‘zaak’ dateert van vóór de Salduz-jurisprudentie. Na dit arrest heeft er een verschuiving plaatsgevonden van het tijdstip waarop een verdachte voor het eerst zijn raadsman/vrouw om rechtsbijstand kan vragen. Een verdachte kan bij zijn eerste verhoor nog niet dan wel onvoldoende overzien wat de uiteindelijke gevolgen zullen zijn, of het openbaar ministerie kennis zal nemen van het proces-verbaal en of hij (alsnog) in voorlopige hechtenis zal worden genomen. Nu het in casu een ernstige verdenking betrof, en een vervolging voorafgaand aan het eerste verhoor nog tot de mogelijkheden behoorde, heeft verzoeker zijn raadsman ingeschakeld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een zaak in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering een zaak is waarvan ten minste de officier van justitie kennis heeft genomen. Dat is hier niet het geval. Het staat een verdachte vrij om contact op te nemen met een raadsman. Uit het dossier komt naar voren dat de raadsman aanwezig is geweest bij het verhoor, maar van enige andere betrokkenheid blijkt niet. De zaak Salduz is hier niet van toepassing, nu verdachte niet is aangehouden.

De rechtbank overweegt het volgende. Zij is van oordeel dat de zaak Salduz niet relevant is voor het onderhavige verzoek. De zaak Salduz als ook andere zaken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarin zij zich heeft uitgelaten over het recht dat een verdachte heeft om een advocaat te raadplegen voorafgaand aan het eerste verhoor en bijstand te krijgen van deze advocaat tijdens het politieverhoor, hebben allen betrekking op verdachten die zijn aangehouden. Een aanhouding impliceert vrijheidsbeneming en is een dwangmiddel dat in de wet en jurisprudentie met de nodige waarborgen is omgeven, waaronder het voornoemde recht op rechtsbijstand. De rechtbank stelt vast dat verzoeker zelf contact heeft opgenomen met de politie, nadat hij had vernomen dat de leasemaatschappij was gevorderd om de gegevens van de bestuurder van de personenauto waarover hij beschikte bekend te maken, en dat hij vervolgens vrijwillig op het politiebureau is verschenen voor verhoor. Hij is op geen enkel moment aangehouden geweest. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot toekenning van vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand dient te worden afgewezen.

De vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift worden gesteld op het forfaitaire bedrag van € 540,00, aangezien de raadsvrouw bij de behandeling in raadkamer is verschenen en er een inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden.

3. De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand af.

De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van vergoeding tot een bedrag van € 540,00 (vijfhonderd veertig euro) toe, zijnde de kosten voor het opstellen, indienen en de behandeling ter zitting van het onderhavige verzoekschrift.

De rechtbank bepaalt dat een bedrag van € 540,00 zal worden overgemaakt op rekeningnummer 1340.53.273 t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Gimbrère International Advocaten, o.v.v. 'dossiernummer 2010.7987'.

Deze beslissing is op 1 maart 2011 gegeven door mr. Van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Philipsen, griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen de beslissing ex artikel 591a Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te 's Gravenhage (artikel 91 lid 1 Sv).

De officier van justitie in het arrondissement Middelburg brengt vorenstaande ter kennis van belanghebbende,

Middelburg,

De officier van justitie,