Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BP6548

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
12/994812-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Overtreding artikel 10.2 Wet milieubeheer. Partiële nietigheid dagvaarding. Uitleg van het begrip afvalstoffen in de zin van artikel 1.1 Wet Milieubeheer. De ongerijpte baggerspecie is op het perceel gebracht om een voormalige vuilstortplaats af te dekken, derhalve geen sprake van "zich ontdoen van". Daaruit volgt dat de ongerijpte baggerspecie geen afvalstof is. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/994812-08 [P]

vonnis van de meervoudige economische kamer van 3 maart 2011

in de strafzaak tegen de verdachte

Waterschap de Zeeuwse Eilanden,

gevestigd te [adres]

ter terechtzitting verschenen, vertegenwoordigd door het hoofd van de afdeling wateronderhoud en waterbeheer van (thans) het Waterschap Scheldestromen,

[vertegenwoordiger].

Als raadsman van verdachte is ter zitting aanwezig mr. De Groot, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 februari 2011, waarbij de officier van justitie mr. Koopmans en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding te weten dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 november 2006 tot

en met 25 januari 2007 te Middelburg, gemeente Middelburg,

tezamen en in vereniging met de gemeente Middelburg of (een) ander(en),

althans alleen, op een perceel (een voormalige stortplaats) gelegen aan of

nabij de Weg van Middelburg naar Kleverskerke,

al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten (ongerijpte en/of met

afvalstoffen vervuild) baggerslib heeft ontdaan door deze - al dan niet in

verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te

brengen of te verbranden;

art 10.2 lid 1 Wet milieubeheer

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding

3.1.1. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de dagvaarding nietig te verklaren. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de feitelijke uitwerking van het begrip afvalstoffen onvoldoende is. Ook in samenhang met het dossier gelezen is niet duidelijk welke afvalstoffen worden bedoeld. De verdediging wordt daardoor ernstig geschaad, omdat voor elk van de in het dossier genoemde materialen een ander juridisch regime geldt. Van de verdediging kan in redelijkheid niet verlangd worden om alles wat hier en daar in het dossier vermeld staat te weerleggen.

3.1.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de dagvaarding voldoende feitelijk is uitgewerkt. Met afvalstoffen in de dagvaarding wordt het geheel aan baggerslib bedoeld. Het baggerslib is aan te merken als een afvalstof, omdat het ongerijpt is en afvalstoffen in het slib zaten. Dit blijkt ook uit de dagvaarding.

3.1.3. Het oordeel van de rechtbank

De tekst van de dagvaarding dient gelezen te worden in samenhang met het dossier. Een tenlastelegging heeft de functie verdachte te informeren ten aanzien van welk voorval hij terecht moet staan, zodat hij weet waartegen hij zich te verdedigen heeft. Voorts heeft een tenlastelegging de functie de rechter te informeren over de grondslag van het onderzoek ter terechtzitting.

In de tekst van de tenlastelegging staat tweemaal het woord afvalstoffen. Het woord afvalstoffen wordt daarbij niet tweemaal in dezelfde betekenis gebruikt. Met het eerst genoemde woord afvalstoffen worden afvalstoffen in de zin van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer bedoeld. Dat begrip afvalstoffen is feitelijk uitgewerkt als “ongerijpte en/of met afvalstoffen vervuild baggerslib”. Met dit voor de tweede maal gebruikte woord afvalstoffen worden kennelijk materialen bedoeld die in het baggerslib zijn aangetroffen. De rechtbank zal eerst beoordelen of het begrip afvalstoffen, zoals voor de tweede maal genoemd (hierna te noemen: “materialen”), voldoende feitelijk is uitgewerkt.

Op dit punt is blijkens het dossier een veelheid van beweerdelijke materialen in het baggerslib aangetroffen. [eigenaar perceel] heeft verklaard dat de materialen bestonden uit autobanden, frames van fietsen, wielen, grof puin, houten palen en planken, allerlei stukken metaal, stukken pvc, een stukje asbestpijp, plastic en glas. In het proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2008 van verbalisant [verbalisant] is vermeld dat in het baggerslib diverse materialen zaten, zoals plastic, hout, ijzer, fiets-, auto- en tractorbanden, glas, steen en asbest. Door Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. is onderzoek gedaan naar het baggerslib. Zij hebben in het baggerslib plastic, glas, beton, baksteen, metaal en stukken asbestverdacht materiaal aangetroffen.

Door de veelheid van materialen aangetroffen in het baggerslib en door in de dagvaarding niet te specificeren voor welke afvalstoffen het Openbaar Ministerie vervolgt, is het strafrechtelijk verwijt onvoldoende feitelijk uitgewerkt. De rechtbank acht derhalve in de onderhavige tenlastelegging het deel “en/of met afvalstoffen vervuild” ontoereikend, en zal de dagvaarding op dit punt nietig verklaren. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat op de verschillende materialen verschillende wettelijke voorschriften van toepassing zijn. Door de materialen niet feitelijk uit te werken, is een deugdelijke verdediging daarom niet mogelijk.

Gelet op bovenstaande is het voor de eerste maal genoemde begrip afvalstoffen feitelijk uitgewerkt als ongerijpte baggerslib. Uit de onderhavige tenlastelegging en het dossier is voldoende duidelijk wat met het ongerijpte baggerslib wordt bedoeld. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het strafrechtelijk verwijt ten aanzien van het voor de eerste maal genoemde begrip afvalstoffen voldoende feitelijk is uitgewerkt. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat de verdediging ten aanzien van dit feit uitgebreid verweer heeft gevoerd. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdediging de reikwijdte van dit verwijt kon overzien, en is er geen reden tot verdere nietigverklaring van de dagvaarding.

3.2 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

3.3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.3.1. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk is ten aanzien van de impliciet tenlastegelegde overtreding wegens verjaring.

3.3.2. Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge de Wet op de economische delicten is het niet opzettelijk overtreden van artikel 10.2 lid 1 van de Wet milieubeheer een overtreding. Het opzettelijk overtreden van voornoemd artikel is een misdrijf.

Het recht tot strafvordering vervalt in drie jaren voor alle overtredingen. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. De verjaring wordt gestuit door elke daad van vervolging. Louter opsporingsdaden zijn niet aan te merken als daden van vervolging. In onderhavige zaak is het uitbrengen van de eerste dagvaarding aan te merken als de eerste daad van vervolging. Deze dagvaarding is betekend op 22 maart 2010. De laatste beweerdelijke storting van afvalstoffen heeft zich voorgedaan op 25 januari 2007. Indien het storten een overtreding betreft, is het recht op strafvordering verjaard.

Gelet op bovenstaande zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren, indien het tenlastegelegde opzet niet bewezen wordt verklaard.

3.4 Schorsing der vervolging

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Op het perceel van [eigenaar perceel] is baggerslib gestort om een voormalige stortplaats beter af te dekken. Alleen gerijpt baggerslib is voor dat doel geschikt. In het onderhavige geval was sprake van ongerijpt baggerslib, waardoor het aangemerkt dient te worden als afvalstof. Door het baggerslib te storten heeft verdachte zich van een afvalstof ontdaan. [werknemer], een werknemer van verdachte, heeft [getuige] opdracht gegeven tot het storten, terwijl hij wist dat het ongerijpt baggerslib betrof. Het handelen van [werknemer] kan aan verdachte worden toegerekend, mede omdat verdachte feitelijk beheerder was van het baggerslibdepot.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft om vrijspraak verzocht. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het niet verboden is om zich te ontdoen van “ongerijpt baggerslib”. Zij heeft zich daarbij mede gebaseerd op de Circulaire inzake Onderhoudsbaggerspecie en het Kabinetsbeleid.

Subsidiair heeft zij verzocht om partiële vrijspraak van de tenlastegelegde periode, omdat het overbrengen van het baggerslib pas vanaf 27 december 2006 heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft zij verzocht om vrijspraak van het medeplegen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

In de periode van 27 december 2006 tot en met 25 januari 2007 is op het perceel van [eigenaar perceel] gelegen aan de Weg van Middelburg naar Kleverskerke (hierna: “het perceel”) circa 16.000 kubieke meter aan ongerijpt baggerslib opgebracht. Het perceel is een voormalige vuilstortplaats. Het perceel was afgedekt, maar de afdeklaag op het perceel was te laag. Om het perceel alsnog voldoende af te dekken, is het baggerslib daar opgebracht.

Het baggerslib is, in opdracht van [werknemer], een werknemer van verdachte, vanuit het slibdepot “Mortiere” door [getuige] op het perceel opgebracht. Het baggerslib was voornamelijk afkomstig van baggerwerkzaamheden in de watergangen gelegen in (het centrum van) de gemeente Middelburg. Het baggerslib is naar het slibdepot gebracht om daar ontwaterd te worden. Voordat het baggerslib geheel ontwaterd was, is het nog ongerijpte baggerslib op het perceel gebracht.

Voor de vraag of het verbod op het storten van afvalstoffen buiten een inrichting, als bedoeld in artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer, in onderhavige zaak is overtreden, is bepalend of sprake was van afvalstoffen.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer werd ten tijde van de beweerdelijke overtreding onder “afvalstoffen” verstaan: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn

nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (hierna: “de richtlijn”), waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn, gelezen in samenhang met de bijlagen II A en B van deze richtlijn, terwijl er voor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

De enkele omstandigheid dat het baggerslib niet gerijpt was rechtvaardigt daarom niet zonder meer de conclusie dat sprake was van een afvalstof. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt af van de betekenis van de term “zich ontdoen van”. Bij de kwalificatie van een handeling die volgens de enkele omschrijving ervan op het eerste gezicht zowel een verwijderingshandeling (het, anders gezegd, “zich ontdoen van”) kan zijn als een handeling van nuttige toepassing, moet van geval tot geval worden nagegaan of het belangrijkste doel van de betrokken handeling is, dat de afvalstoffen een nuttige functie kunnen vervullen doordat zij in de plaats komen van andere materialen die anders voor deze functie hadden moeten worden gebruikt, in welk geval de handeling als een nuttige toepassing moet worden aangemerkt. Zowel bij nuttige toepassing als bij verwijdering dient dit in ieder geval plaats te vinden zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval het belangrijkste doel van het opbrengen van het baggerslib het afdekken van een voormalige vuilstortplaats was. Door het opbrengen van baggerslib was het niet nodig om andere materialen te gebruiken om het perceel af te dekken. Het opbrengen van het baggerslib kan derhalve als een nuttige toepassing aangemerkt worden. Ter zitting is gebleken dat het perceel inmiddels met het (toen) ongerijpte baggerslib is afgedekt. Omdat het baggerslib ongerijpt was, heeft het wel enige maanden geduurd, voordat het baggerslib bewerkt kon worden. Van gevaar voor de gezondheid van de mens of nadelige gevolgen voor het milieu is door het enkele ongerijpt zijn niet gebleken.

Uit voorgaande overwegingen volgt dat het ongerijpte baggerslib in het onderhavige geval niet aangemerkt kan worden als een afvalstof, omdat verdachte zich er niet van heeft ontdaan. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat voor het al dan niet gerijpt zijn van baggerslib geen wettelijke norm bestaat en het baggerslib voldeed aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Daar doet niet aan af dat gerijpt baggerslib mogelijk geschikter was geweest om het perceel af te dekken.

Reeds gelet op bovenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft “en/of met afvalstoffen vervuild”;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Jager, voorzitter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en mr. Jaspers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 maart 2011.