Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BP5095

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
26-01-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
69856 / HA ZA 09-541
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van een verzoek tussentijd appel (Rv 337 lid 2). Verzoeker wijst op de kosten van de deskundige. Omdat de wederpartij die kosten moet voorschieten is dat geen argument volgens de rechtbank. Nieuwe argumenten zijn ook geen reden voor toestemming tussentijds appel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 69856 / HA ZA 09-541

Vonnis in de hoofdzaak van 26 januari 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te Terneuzen,

eiser,

advocaat: mr. L.J. van Langevelde te Bergen op Zoom (voorheen: mr. E.H.A. Schute),

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE ZEELAND,

gevestigd te Middelburg,

gedaagde,

advocaat: mr. U.T. Hoekstra te Middelburg (voorheen: mr. D.M. Looten).

Partijen zullen hierna [eiser] en de provincie worden genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 november 2010;

- de akte na tussenvonnis van de zijde van [eiser];

- de brief van mr. Hoekstra van 9 december 2010;

- de antwoord akte van de zijde van de provincie;

- de brief van mr. Van Langevelde van 17 januari 2011.

De verdere beoordeling

Bij voormelde brief van 9 december 2010 heeft de provincie de rechtbank verzocht om verlof om van het tussenvonnis van 17 november 2010 in hoger beroep te mogen komen. De provincie voert daartoe aan dat dit in het belang van partijen, speciaal [eiser], is. Op die manier kan worden vermeden dat achteraf onnodige kosten voor een of meer deskundigen worden gemaakt. De provincie betoogt voorts dat het tussenvonnis van 17 november 2010 niet in stand kan blijven en voert daarvoor de volgende gronden aan. De rechtbank heeft haar ten onrechte delictueel aansprakelijk gehouden, hoewel de provincie de grondslag daarvoor – voor zover door [eiser] gesteld – had betwist. De provincie heeft slechts aangeboden om schade te vergoeden op basis van het rapport van Troostwijk. Een poging om in der minne via een vaststellingsovereenkomst een geschil te regelen impliceert echter geen aanvaarding van aansprakelijkheid op delictuele grondslag en verplicht de provincie niet tot betaling van een door de rechtbank te begroten schade. De stelling dat na werkzaamheden in opdracht van de provincie schade is ontstaan, leidt niet automatisch tot aansprakelijkheid van de provincie. De rechtbank heeft ten onrechte het opgeworpen causaliteitsvraagstuk gepasseerd.

[eiser] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Hij is van mening dat er geen gronden zijn om het verzoek te honoreren. Door tussentijds hoger beroep nemen de kosten juist toe en wordt het proces onnodig vertraagd. Voorts wijst [eiser] erop dat de provincie nu voor de eerste maal naar voren brengt dat nog niet vast staat dat zij aansprakelijk is voor de schade aan het pand van [eiser]. Dat is tardief en onbegrijpelijk. De vraag naar de causaliteit kan en dient volgens [eiser] eerst aan de orde te komen in het kader van het deskundigenbericht en leent zich er niet voor om nu in hoger beroep uitgekristalliseerd te worden. Tot slot ontkent [eiser] dat hij met de hoogte van het schadebedrag, zoals becijferd door Troostwijk, akkoord is gegaan. Van een vaststellingsovereenkomst is geen sprake.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 337 lid 2 Rv geldt als uitgangspunt dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, als sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen. De provincie heeft allereerst gewezen op het vermijden van onnodige kosten van (een) te benoemen deskundige(n). De rechtbank kent aan deze omstandigheid onvoldoende gewicht toe. Deze kosten wegen voor [eiser], voor wiens rekening ze in eerste instantie zullen komen, kennelijk niet op tegen de kosten van een tussentijds hoger beroep. Dat klemt temeer, nu de provincie in dit verband heeft gesteld dat een tussentijds hoger beroep speciaal in het belang van [eiser] is. Ten aanzien van de gronden van het hoger beroep constateert de rechtbank dat de provincie kennelijk nieuwe argumenten heeft die zij aan het hof wenst voor te leggen. Die enkele omstandigheid rechtvaardigt een uitzondering op de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv niet, zeker nu de rechtbank de kans dat het hof op basis van deze argumenten tot een andere beslissing komt niet bij voorbaat substantieel acht. Het verzoek om verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep zal daarom worden afgewezen.

Voor zover de provincie de rechtbank los van het voorgaande heeft verzocht om op het tussenvonnis van 17 november 2010 terug komen, ziet de rechtbank in hetgeen de provincie heeft aangevoerd geen aanleiding daartoe. De rechtbank overweegt, ten overvloede, dat [eiser] terecht heeft opgemerkt dat het causaliteitsvraagstuk in het kader van het deskundigenbericht aan de orde kan komen.

De beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr.drs. M.L. Ruiter en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2011.