Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BP5079

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
72470 / HA ZA 10-129
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overweging over belang bij de verklaring voor recht. Dat belang is er ook al hebben de procespartijen met elkaar geen geschil. De uitkomst van dit geding is van belang voor het geschil dat eiseres heeft met een derde. Bewijs door middel van deskundigenbericht over echtheid van een handtekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 72470 / HA ZA 10-129

Vonnis van 19 januari 2011

in de zaak van

[eiseres, verweerster in het incident],

wonende te Groede, gemeente Sluis,

eiseres,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. drs. J.J. Brugge te Oostburg,

tegen

[gedaagde, eiseres in het incident],

wonende te Sas van Gent, gemeente Terneuzen,

gedaagde,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. E.M.R. van Kemseke te Terneuzen.

Partijen zullen hierna [eiseres, verweerster in het incident] en [gedaagde, eiseres in het incident] worden genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident d.d. 21 juli 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 8 november 2010.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten in de hoofdzaak

[eiseres, verweerster in het incident] heeft op 1 december 2004 een zorgovereenkomst gesloten met [gedaagde, eiseres in het incident].

Overeengekomen is dat [eiseres, verweerster in het incident] gedurende 9 uur per week huishoudelijke verzorging verleent aan [gedaagde, eiseres in het incident] voor een bedrag van € 100,00 per week inclusief reis- en verblijfkosten.

De belastingdienst heeft [eiseres, verweerster in het incident] aanslagen inkomstenbelasting 2006 en 2007 opgelegd voor inkomsten door [eiseres, verweerster in het incident] van [gedaagde, eiseres in het incident] ontvangen voor het verrichten van werkzaamheden. Tegen deze aanslagen is door de raadsman van [eiseres, verweerster in het incident] bezwaar gemaakt. Het bezwaar komt er op neer dat de zorgovereenkomst tussen partijen op 1 juli 2005 is geëindigd en dat [eiseres, verweerster in het incident] in 2006 en 2007 geen werkzaamheden heeft uitgevoerd voor [gedaagde, eiseres in het incident].

De belastingdienst heeft ten aanzien van [eiseres, verweerster in het incident] de invordering van de belasting over de jaren 2006 en 2007 opgeschort totdat uitspraak zal zijn gedaan in een door [eiseres, verweerster in het incident] tegen [gedaagde, eiseres in het incident] aan te spannen procedure.

Het geschil

[eiseres, verweerster in het incident] vordert in de hoofdzaak bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht:

1. dat de zorgovereenkomst tussen partijen op 1 juli 2005 is geëindigd;

2. dat [eiseres, verweerster in het incident] in 2006 en 2007 geen werkzaamheden meer voor [gedaagde, eiseres in het incident] heeft verricht;

3. dat [eiseres, verweerster in het incident] in 2006 en 2007 geen betalingen van [gedaagde, eiseres in het incident] heeft ontvangen;

II. [gedaagde, eiseres in het incident] te veroordelen in de volledige kosten van juridische bijstand die [eiseres, verweerster in het incident] aan haar raadsman moet betalen;

III. [gedaagde, eiseres in het incident] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eiseres, verweerster in het incident] het volgende. Zij heeft van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005 huishoudelijk werk verricht bij [gedaagde, eiseres in het incident]. De zorgovereenkomst is per 1 juli 2005 geëindigd omdat de indicatie PGB stopte. [gedaagde, eiseres in het incident] heeft ter zake een verklaring opgesteld en deze ondertekend (productie 2 bij de dagvaarding). [eiseres, verweerster in het incident] is bereid daar bewijs van te leveren.

[eiseres, verweerster in het incident] heeft over het eerste half jaar van 2005 aangifte bij de belastingdienst gedaan van de door haar van [gedaagde, eiseres in het incident] ontvangen – contante - betalingen. Na 1 juli 2005 heeft [eiseres, verweerster in het incident] geen werkzaamheden meer voor [gedaagde, eiseres in het incident] verricht en ook geen betalingen meer ontvangen. Van 1 februari 2005 tot en met 31 januari 2007 werkte [eiseres, verweerster in het incident] op donderdag in Sluis. Zij werkte van maart 2006 tot het voorjaar van 2008 in Groede van 13.00 uur tot 16.30 uur. Het is voor [eiseres, verweerster in het incident] niet mogelijk om in Groede te zijn om 13.00 uur als zij bij [gedaagde, eiseres in het incident] zou werken tot 13.30 uur. [gedaagde, eiseres in het incident] verzuimt aan te geven wanneer [eiseres, verweerster in het incident] in 2006 en 2007 bij haar zou hebben gewerkt en wanneer [eiseres, verweerster in het incident] daarvoor betalingen zou hebben ontvangen.

[eiseres, verweerster in het incident] heeft recht en belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht. Zij heeft ten onrechte over de jaren 2006 en 2007 naheffingsaanslagen ontvangen. Het is daarom van belang dat in rechte wordt vastgesteld dat het contract tussen [eiseres, verweerster in het incident] en [gedaagde, eiseres in het incident] per juli 2005 is geëindigd. [gedaagde, eiseres in het incident] heeft een onrechtmatige daad jegens [eiseres, verweerster in het incident] gepleegd door valse opgave te doen over inkomsten die [eiseres, verweerster in het incident] niet heeft genoten.

[eiseres, verweerster in het incident] maakt aanspraak op volledige vergoeding van de kosten van juridische bijstand die zij aan haar raadsman moet betalen. Zij heeft middels haar raadsman getracht de belastingdienst te overtuigen van haar gelijk. Voorts vordert [eiseres, verweerster in het incident] veroordeling van [gedaagde, eiseres in het incident] in de kosten van de procedure, inclusief nakosten en rente.

[gedaagde, eiseres in het incident] voert verweer. Zij voert aan dat [eiseres, verweerster in het incident] geen belang heeft bij de verklaring voor recht. [gedaagde, eiseres in het incident] en [eiseres, verweerster in het incident] hebben geen geschil. [eiseres, verweerster in het incident] wenst kennelijk vastgesteld te hebben dat zij over de belastingjaren 2006 en 2007 voor een lager bedrag belastingplichtig zou zijn dan door de belastingdienst vastgesteld. [gedaagde, eiseres in het incident] staat buiten de rechtsverhouding tussen [eiseres, verweerster in het incident] en de belastingdienst. Op grond van artikel 3:302 BW kan [eiseres, verweerster in het incident] geen verklaring van recht jegens [gedaagde, eiseres in het incident] vorderen. Bovendien vordert [eiseres, verweerster in het incident] geen verklaring van recht omtrent een rechtsverhouding doch zij vordert een vaststelling van pretense feiten. Een dergelijke vordering vindt geen grondslag in de wet. Indien desondanks een verklaring voor recht wordt afgegeven is de belastingdienst daar niet aan gebonden. Een verklaring voor recht heeft alleen gezag van gewijsde tussen partijen.

[gedaagde, eiseres in het incident] stelt inhoudelijk dat medio 2005 de indicatie voor het PGB is omgezet van huishoudelijk werk naar persoonlijke verzorging. De zorgovereenkomst van december 2004 is toen blijven voortbestaan. [gedaagde, eiseres in het incident] betwist dat zij de verklaring die als productie 2 bij de dagvaarding is gevoegd heeft opgesteld c.q. heeft ondertekend. De handtekening onder de beëindigingsverklaring is niet van haar. [eiseres, verweerster in het incident] heeft vanaf 1 juli 2005 tot september 2007 met regelmaat (zijnde twee maal per week) werkzaamheden verricht in het kader van de persoonlijke verzorging van [gedaagde, eiseres in het incident], hetgeen [gedaagde, eiseres in het incident] stelt te kunnen bewijzen, onder meer door middel van getuigenverklaringen. [gedaagde, eiseres in het incident] heeft [eiseres, verweerster in het incident] in contanten voor deze werkzaamheden betaald en daarvan op correcte wijze verantwoording afgelegd bij onder meer de belastingdienst. Zij betwist dat zij enige onrechtmatige daad jegens [eiseres, verweerster in het incident] heeft gepleegd.

[gedaagde, eiseres in het incident] vordert veroordeling van [eiseres, verweerster in het incident] in de kosten van de procedure, inclusief nakosten en rente.

De beoordeling

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde, eiseres in het incident] is dat [eiseres, verweerster in het incident] geen belang heeft bij haar vordering. Dat verweer wordt verworpen. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3:302 BW een vordering tot een verklaring voor recht kan worden ingesteld door een onmiddellijk bij de rechtsverhouding, in welk verband die verklaring wordt gevorderd, betrokken persoon. Dat is [eiseres, verweerster in het incident]. Anders dan [gedaagde, eiseres in het incident] kennelijk meent, is niet vereist dat tussen de procespartijen sprake is van een conflict. [eiseres, verweerster in het incident] wenst dat de rechtsverhouding tussen haar en [gedaagde, eiseres in het incident] komt vast te staan en daar heeft zij in de gegeven omstandigheden een reëel en concreet belang bij. De uitkomst van het onderhavige geding zal, naar mag worden aangenomen, rechtstreeks invloed hebben op het standpunt van de Belastingdienst, die haar invordering ten aanzien van [eiseres, verweerster in het incident] heeft opgeschort totdat in dit geding uitspraak is gedaan.

De kwestie spitst zich derhalve thans toe op de vraag of de zorgovereenkomst tussen partijen op 1 juli 2005 is geëindigd. [eiseres, verweerster in het incident] stelt gemotiveerd dat dit het geval is en dat zij dan ook in 2006 en 2007 geen werkzaamheden voor [gedaagde, eiseres in het incident] heeft verricht en geen betalingen van [gedaagde, eiseres in het incident] heeft ontvangen. Dit is door [gedaagde, eiseres in het incident] gemotiveerd betwist. De rechtbank zal [eiseres, verweerster in het incident], overeenkomstig haar aanbod, toelaten tot het bewijs van haar stellingen.

In beginsel kan bewijs ten aanzien van de beëindiging van de zorgovereenkomst worden gevormd door de door [eiseres, verweerster in het incident] als productie 2 bij dagvaarding in het geding gebrachte verklaring. Nu echter de echtheid van de door [eiseres, verweerster in het incident] aan [gedaagde, eiseres in het incident] toegedichte handtekening onder die verklaring door [gedaagde, eiseres in het incident] stellig wordt ontkend, levert bedoelde verklaring op grond van het bepaalde in artikel 159 lid 2 Rv geen bewijs op, zolang niet is bewezen dat die handtekening inderdaad van [gedaagde, eiseres in het incident] afkomstig is. [eiseres, verweerster in het incident] draagt de bewijslast van de authenticiteit van de door haar aan [gedaagde, eiseres in het incident] toegedichte, maar door [gedaagde, eiseres in het incident] niet als echt erkende, handtekening onder de verklaring. Indien komt vast te staan dat de handtekening inderdaad van [gedaagde, eiseres in het incident] afkomstig is, zal voorshands aannemelijk zijn dat [eiseres, verweerster in het incident] in 2006 en 2007 geen werkzaamheden voor [gedaagde, eiseres in het incident] heeft verricht en geen betalingen van [gedaagde, eiseres in het incident] heeft ontvangen. In dat geval zal [gedaagde, eiseres in het incident] in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren.

De rechtbank is voorshands van oordeel dat bewijslevering van het feit dat [gedaagde, eiseres in het incident] de handtekening zelf heeft gezet door middel van een deskundigenbericht de meest aangewezen weg is. Zij zal [eiseres, verweerster in het incident] in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht en voorts, zo nodig, omtrent het aantal deskundigen, de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Daarna zal [gedaagde, eiseres in het incident] in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat een deskundige, om adequaat onderzoek te kunnen doen naar de authenticiteit van een handtekening, dient te beschikken over het origineel van het stuk waarop de betwiste handtekening voorkomt, alsmede over ongeveer acht tot tien aantoonbaar van de persoon wiens handtekening wordt betwist afkomstige handtekeningen uit het recente verleden (waarvan er een drietal iets ouder mogen zijn, maar niet ouder dan 2 jaar, te rekenen vanaf het moment waarop de gewraakte handtekening is geplaatst) en dat zich onder die handtekeningen bij voorkeur ook een handtekening op een paspoort of een ander identiteitsbewijs dient te bevinden. De rechtbank realiseert zich dat die vergelijkingshandtekeningen waarschijnlijk door [gedaagde, eiseres in het incident] zullen moeten worden aangeleverd. Zij verzoekt [gedaagde, eiseres in het incident] daarom bij de door haar te nemen antwoordakte mede te delen of zij in staat en bereid is benodigde handtekeningen ter beschikking te stellen.

Voorts is het de rechtbank ambtshalve bekend dat met een onderzoek als hier aan de orde in het algemeen een bedrag van ongeveer € 1.250,00 per deskundige gemoeid is. De rechtbank laat reeds thans weten dat zij, indien het tot benoeming van (een) deskundig(n) komt, voornemens is te bepalen dat dit voorschot door [eiseres, verweerster in het incident] dient te worden voldaan. Zij draagt immers de bewijslast van de echtheid van de handtekening onder de verklaring.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 februari 2011 voor akte aan de zijde van [eiseres, verweerster in het incident] als bedoeld in overweging 4.4.;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2011.