Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BP2389

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
12/715287-10[P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige. Straftoemeting. Gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715287-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1970],

wonende te [adres],

ter terechtzitting verschenen,

raadsvrouw mr. Kouijzer, advocaat te Middelburg,

ter terechtzitting verschenen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 januari 2011, waarbij de officier van justitie mr. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Deze is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging luidt als volgt:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2009,

althans 1 januari 2010 tot en met 19 juni 2010 te Hoedekenskerke, gemeente

Borsele,

(telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, althans een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer], geboren op 13 februari 1998, bestaande die ontucht (telkens) uit het betasten van en/of voelen aan en/of knijpen in de (ontblote) billen van die [slachtoffer] en/of het (onder de kleding) betasten van en/of het

voelen aan de borsten en/of de borststreek en/of de buik van die [slachtoffer] en/of

het wrijven met en/of duwen van zijn penis tegen de rug en/of de billen van

die [slachtoffer] en/of het zichzelf (daarbij) seksueel bevredigen.

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit en baseert zich daarbij op de bekennende verklaringen van verdachte en de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] en de aangifte van haar moeder [aangeefster/moeder]. De periode waarin de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden is van 1 december 2009 tot en met 19 juni 2010.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het betasten van de borsten van het slachtoffer. Verdachte ontkent dat hij de borsten van het slachtoffer heeft betast. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De periode betreft ongeveer zes maanden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verdediging zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ontuchtige handelingen met uitzondering van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het betasten van de borsten van het slachtoffer. De verklaringen van het slachtoffer en de verdachte komen op dit onderdeel niet overeen. De rechtbank volgt voor dit gedeelte van de tenlastelegging de verklaring van het slachtoffer aangezien zij steeds waarheidsgetrouw en authentiek heeft verklaard omtrent de handelingen die verdachte met haar heeft verricht en het betasten van de borsten past in het geheel van de gedragingen die verdachte heeft verricht in de situaties dat hij ontucht pleegde met het slachtoffer. De rechtbank acht ook dit deel van de tenlastelegging bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor de ten laste gelegde periode tot 1 december 2009 en zal verdachte ten aanzien van de periode van 1 juni 2009 tot 1 december 2009 vrijspreken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode niet gehuwd was met de moeder van het slachtoffer. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onderdeel ‘met zijn stiefkind’.

De rechtbank acht met in achtneming van het bovenstaande het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 13 januari 2011;

- de aangifte van [aangeefster/moeder];

- de verklaring van [slachtoffer].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstip(pen) in de periode van 1 december 2009 tot en met 19 juni 2010 te Hoedekenskerke, gemeente Borsele,

telkens ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer], geboren op 13 februari 1998, bestaande die ontucht telkens uit het betasten van en/of voelen aan en/of knijpen in de (ontblote) billen van die [slachtoffer] en/of het (onder de kleding) betasten van en/of het

voelen aan de borsten en/of de borststreek en/of de buik van die [slachtoffer] en/of

het wrijven met en/of duwen van zijn penis tegen de rug en/of de billen van

die [slachtoffer] en/of het zichzelf (daarbij) seksueel bevredigen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De reden voor de langere proeftijd is gelegen in het feit dat uit de stukken blijkt dat de behandeling van verdachte wellicht langere tijd zal gaan duren. Daarbij heeft de officier van justitie bijzondere voorwaarden gevorderd, inhoudende: toezicht door Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat verdachte zijn behandeling bij De Waag en andere behandelingen die Reclassering Nederland noodzakelijk oordeelt, zal volgen en een straat- en contactverbod ten aanzien van [slachtoffer]. De officier van justitie heeft in strafverzwarende zin mee laten wegen dat verdachte het feit heeft gepleegd terwijl hij politieman was.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de reclassering, een behandelverplichting bij De Waag, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod van haar leefomgeving. Deze strafmodaliteit en bijzondere voorwaarden zijn door de reclassering geadviseerd. Daarnaast bepleit de raadsvrouw aan verdachte een werkstraf op te leggen. Zij wijst daarbij op uitspraken van de rechtbank Zuthpen, de rechtbank Zwolle en het Hof Leeuwarden waaruit blijkt dat bij dergelijke delicten wel degelijk een werkstraf wordt opgelegd in plaats van gevangenisstraf. Ten slotte benadrukt de verdediging dat de moeder van het slachtoffer in een brief heeft vermeld dat zij niet wil dat verdachte in de gevangenis terecht komt.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim zes maanden meerdere malen ontucht gepleegd met [slachtoffer], de inmiddels 12-jarige dochter van zijn vriendin, die aan zijn zorg was toevertrouwd.

Verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Hierdoor heeft verdachte het slachtoffer de kans op een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, die op haar eigen tempo en onder haar eigen voorwaarden had moeten plaatsvinden, ontnomen. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn overwicht als verzorger en mede-opvoeder van het slachtoffer. Het vertrouwen dat kinderen in hun verzorgers en in een veilig thuis moeten kunnen hebben, heeft verdachte op grove wijze geschonden doordat de feiten zijn gepleegd in de woning waar het slachtoffer, haar moeder en haar zusje met verdachte in gezinsverband woonden. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten hiervan jarenlang ernstige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Daar komt bij dat verdachte bekend was met het feit dat de moeder en haar dochters als gevolg van hun gedwongen vertrek uit Rusland een belaste voorgeschiedenis hebben en dat het slachtoffer als gevolg daarvan kwetsbaar is.

Een strafverzwarende omstandigheid in deze zaak is ook dat verdachte ten tijde van de ontuchtige handelingen, werkzaam was als politieman. Vertrouwen in de politie is een belangrijke pijler van de rechtstaat en aan personen die bij de politie werkzaam zijn, worden dan ook terecht hoge eisen gesteld. Dit geldt zowel voor een optreden in functie als in de privé-sfeer. Verdachte heeft dit vertrouwen ernstig beschaamd en het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de politie moet kunnen worden gesteld schade toegebracht. Verdachte is inmiddels niet meer bij de politie werkzaam.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank daarnaast rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten. Uit het door drs. Bögels uitgebrachte psychologische rapport van 14 september 2010 blijkt dat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Over de verdachte is op 24 augustus 2010 door Reclassering Nederland een reclasseringsadvies opgesteld waaruit blijkt dat verdachte bereid is mee te werken aan de hem geboden behandelingen en dat hij zijn probleem van seksueel grensoverschrijdend gedrag onderkent. Verdachte heeft onmiddellijk bekend en steeds volledig meegewerkt aan het onderzoek, hij lijkt oprecht berouw te hebben van het leed dat hij bij het slachtoffer en haar moeder heeft veroorzaakt, welke omstandigheid de rechtbank in het voordeel van de verdachte laat wegen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. Zij legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van veertien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij legt de rechtbank aan verdachte een tweetal bijzondere voorwaarden op: ten eerste de voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat verdachte zijn behandeling bij De Waag vervolgt, of andere behandelingen die Reclassering Nederland noodzakelijk oordeelt, zal gaan volgen, ten tweede een straat- en contactverbod ten aanzien van [slachtoffer]. De wet staat, gelet op de bijzondere voorwaarden, niet toe om aan de eis van de officier van justitie van een proeftijd van drie jaar tegemoet te komen.

7 De benadeelde partij

Aangeefster [aangeefster/moeder] heeft zich als benadeelde partij gesteld maar vordert geen schadevergoeding van verdachte.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar eventuele vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat verdachte zijn behandeling bij De Waag vervolgt, of andere behandelingen die Reclassering Nederland noodzakelijk oordeelt, zal gaan volgen. Daartoe moet de verdachte zich binnen 5 dagen na 27 januari 2011 tijdens kantooruren melden bij Reclassering Nederland op het adres: Vrijlandstraat 33b te Middelburg, tel. 0118-626157. Hierna moet hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het op welke wijze dan ook direct dan wel indirect contact opnemen van [slachtoffer], geboren op 13 februari 1998,en dat verdachte zich niet mag begeven in de straat waarin [slachtoffer] feitelijk woonachtig is en de straat waarin de school staat die [slachtoffer] bezoekt;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [aangeefster/moeder] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat haar eventuele vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [aangeefster/moeder] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, mr. Vos en mr. Van Steenbergen, rechters, in tegenwoordigheid van Leijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 januari 2011.

Mr. Van Steenbergen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.