Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:4700

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
01-04-2011
Datum publicatie
19-07-2013
Zaaknummer
parketnummer 12-715183-111, RK 11/162
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat de raadsman van verdachte eveneens optreedt in het feitencomplex of een daarmee samenhangend feitencomplex van een medeverdachte, gelet op het feit dat de rechtbank van oordeel is dat een behoorlijke taakuitoefening van een raadsman/vrouw met zich meebrengt dat hij/zij elke cliënt zo volledig mogelijk op de hoogte zal stellen en houden van al wat in het onderzoek door elk van zijn/haar cliënten van betekenis is, voldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat het vrije verkeer tussen de raadsman en beide verdachten ertoe zal strekken dat deze bekend raken met omstandigheden waarvan zij in het belang van het onderzoek onkundig moeten blijven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Parketnummer: 12/715183-11

Rk-nummer: 11/162

Bevel ex artikel 50, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering

Beslissing van de rechtbank te Middelburg, meervoudige raadkamer voor strafzaken, op het bevel tot beperking vrij verkeer tussen raadsman en verdachte van de officier van justitie ex artikel 50 Wetboek van Strafvordering d.d. 31 maart 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geb.datum] te [geb. plaats],

wonende te[woonplaats, adres],

thans verblijvende in het Arrestantencomplex Torentijd te Middelburg,

raadsman mr. Veen, advocaat te Goes.

1 De procedure.

De procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het bevel tot beperking vrij verkeer tussen raadsman en verdachte d.d. 19 november 2009;

  • -

    de overige stukken.

Tijdens het onderzoek in raadkamer op 1 april 2011 is de officier van justitie

mr. Suijkerbuijk gehoord. Tevens is bij die gelegenheid de raadsman van verdachte mr. Nijssen gehoord, welke werd bijgestaan door zijn kantoorgenoot mr. Goedegebure. Verdachte is niet verschenen.

2 Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar het door hem opgemaakte bevel tot beperking vrij verkeer, medegedeeld dat er sprake is van een situatie waarin vijf verdachten zijn aangehouden tengevolge een omvangrijk onderzoek. Het openbaar ministerie is van mening dat er sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet. Omwille van het onderzoeksbelang zijn alle vijf verdachten in volledige beperkingen geplaatst. Het is van belang dat zoveel als mogelijk de onderscheiden rollen/functies van de verschillende verdachten in kaart kunnen worden gebracht. Van de verdachte[verdachte] wordt op dit punt een cruciale rol verwacht. Het is daarbij van belang dat de verdachten in vrijheid kunnen verklaren, zodat van hen een zo zuiver mogelijke verklaring kan worden afgenomen. Om dit te bewerkstelligen en collusiegevaar te voorkomen, heeft het openbaar ministerie geen volledige dossiers verschaft aan de advocaten van de verdachten. Slechts de stukken die van belang zijn voor de voorgeleiding bij de rechter-commissaris zijn verstrekt. Ook worden de verdachten één voor één aangevoerd ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris, zodat zij op geen enkele manier contact met elkaar kunnen hebben.

Indien één advocaat meerdere verdachten bijstaat, komt de advocaat te beschikken over meer informatie dan de advocaten die ‘slechts’ één verdachte bijstaan en is het mogelijk dat verdachte op de hoogte raakt van informatie die zij niet behoort te weten. Het belang van het onderzoek zal daarmee in gevaar worden gebracht. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van rechtbank ’s-Hertogenbosch (LJN: BJ2532), waarin door de rechtbank wordt geoordeeld dat een behoorlijke taakuitoefening van een raadsman/vrouw met zich meebrengt dat hij/zij elke cliënt zo volledig mogelijk op de hoogte zal stellen en houden van al wat in het onderzoek door elk van zijn/haar cliënten van betekenis is.

3 Standpunt van de verdediging.

Raadsman mr. Goedegebure heeft aangevoerd dat artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering vereist dat er sprake moet zijn van bepaalde omstandigheden waaruit een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek onkundig moet blijven. Deze omstandigheden moeten concreet aanwijsbaar zijn. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende kan worden aangetoond dat hiervan sprake is. Pas indien de raadsman van verdachte de stukken in handen krijgt, kan hij beoordelen of er sprake is van tegenstrijdige belangen. Hij zal dit dan aangeven en de rechtsbijstand aan één van de beide verdachten staken. Op dit moment is het bevel ex artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering in een te vroeg stadium aan de orde gesteld en moet dit worden afgewezen.

Raadsman mr. Nijssen sluit zich bij het voorgaande aan.

4 De beoordeling.

Aan de orde is de vraag of het bevel van de officier van justitie rechtmatig is gegeven, dan wel of het bevel dient te worden opgeheven, gewijzigd of aangevuld.

De rechtbank acht de omstandigheden, waaruit een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen de raadsman en verdachte ertoe zal strekken dat verdachte bekend zal raken met omstandigheden waarvan zij in het belang van het onderzoek onkundig moet blijven, voldoende concreet benoemd.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een behoorlijke taakuitoefening van een raadsman/vrouw met zich meebrengt dat hij/zij elke cliënt zo volledig mogelijk op de hoogte zal stellen en houden van al wat in het onderzoek door elk van zijn/haar cliënten van betekenis is.

Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat mr. Nijssen, de raadsman van verdachte, eveneens optreedt in het feitencomplex of een daarmee samenhangend feitencomplex van een medeverdachte, gelet op het bovengenoemde, voldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat het vrije verkeer tussen de raadsman en beide verdachten ertoe zal strekken dat deze bekend raken met omstandigheden waarvan zij in het belang van het onderzoek onkundig moeten blijven.

In een dergelijke situatie oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een gerechtvaardigde vrees en een ernstig vermoeden dat de in artikel 50, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering omschreven belangen zullen worden geschaad.

5 De beslissing.

De rechtbank bekrachtigt het bevel van de officier van justitie.

Deze beslissing is gegeven door mr. Van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. Nomes en mr. Van Unnik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Verdonk, griffier en is uitgesproken in raadkamer van 1 april 2011.

De officier van justitie in het arrondissement Middelburg brengt vorenstaande ter kennis van belanghebbende,

Middelburg,

De officier van justitie ,

Gezien op:

De directeur, afschr. raadsman d.d. afschr. OVJ d.d.