Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:1904

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
AWB-10_639
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

[AWB nummer]

AWB nummer: 10/639

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[Naam bedrijf] .,

gevestigd te [Vestigingsplaats] ,

eiseres,

gemachtigden: mr. ing. L.J. Wildeboer en mr. A.J. Koppert, beiden advocaat te Utrecht

tegen

College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Vlissingen,

verweerder.

I Procesverloop

Eiseres heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 15 juni 2010 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 31 maart 2011 behandeld ter zitting. Namens eiseres zijn verschenen mr. ing. L.J. Wildeboer en mr. A.J. Koppert alsmede ir. J.A.M.M. Geurts. Tevens waren aanwezig

[naam aanwezige] en [naam aanwezige2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

[naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger2] . Verweerder is tevens bijgestaan door mr. U.T. Hoekstra, advocaat te Middelburg. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II Overwegingen

1.

Eiseres heeft op 13 oktober 2009 een aanvraag voor een bouwvergunning bij verweerder ingediend ten behoeve van de bouw van een hotelcomplex met zalen en recreatie-appartementen aan de [Adres] te [Plaats] .

2.

Bij brief van 3 november 2009 heeft verweerder eiseres verzocht om enkele ontbrekende gegevens aan te leveren. Eiseres heeft haar aanvraag bij brief van 18 november 2009 toegelicht.

3.

Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 8 december 2009 besloten om de bouwaanvraag van eiseres buiten behandeling te laten, omdat eiseres niet zou hebben aangetoond belanghebbende te zijn. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar aangetekend.

4.

Verweerder heeft voorts in afwijking van het advies van de bezwarencommissie besloten om zijn primaire besluit te handhaven en de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, onder c van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet in behandeling te nemen.

5.

In geschil is de vraag of verweerder de bouwaanvraag van eiseres -op basis van de door hem genoemde overwegingen- terecht buiten behandeling heeft kunnen laten.

6.

Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij voert daartoe vaste jurisprudentie aan, waaruit is af te leiden dat de aanvrager van een bouwvergunning niet als belanghebbende wordt gekwalificeerd indien het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. Realisatie van het door eiseres ingediende bouwplan is uitgesloten omdat een deel van het bouwplan gesitueerd is op een perceel dat in eigendom is van de gemeente Vlissingen, en de gemeente Vlissingen dit perceel niet in eigendom aan eiseres wenst over te dragen. Om deze reden is eiseres geen belanghebbende. Op grond van artikel 4:5 van de Awb is eiseres in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen met gegevens en bescheiden waaruit haar belang als aanvrager blijkt. Eiseres heeft haar belang niet aangetoond.

7.

Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij voert daartoe aan dat verweerder het besluit ten onrechte op artikel 4:5, eerste lid, sub c, van de Awb heeft gebaseerd, aangezien deze bepaling enkel ziet op gegevens omtrent de bouwaanvraag en geen betrekking heeft op het belanghebbendebegrip. Alle vereiste gegevens met betrekking tot de bouwaanvraag zijn ingediend. Verweerder heeft in strijd gehandeld met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb door (onvoldoende) ongemotiveerd af te wijken van het advies van de bezwarencommissie. Verweerder handelt in strijd met het beginsel van détournement de pouvoir door in zijn overwegingen aan te geven dat hij niet de indruk wil wekken dat hij het perceel zou willen verkopen.

De rechtbank overweegt als volgt.

8.

Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

In artikel 4:5, eerste lid van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

  1. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

  2. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15 van de Awb of

  3. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

9.

Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 28 oktober 2009, LJN: BK1371) is de rechtbank van oordeel dat eiseres als belanghebbende kan worden aangemerkt. Uit de hiervoor genoemde uitspraak is af te leiden dat een aanvrager enkel niet als belanghebbende kan worden beschouwd als aannemelijk is dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. Dat laatste is hier naar het oordeel van de rechtbank niet het geval, aangezien ter zitting is komen vast te staan dat het perceel, dat verweerder niet in eigendom wenst over te dragen niet bebouwd zal worden, maar gebruikt zal worden als parkeervoorziening. Nu op die gronden de bestemming ‘verkeersdoeleinden’ rust, acht de rechtbank de vraag of eiseres deze gronden op enig moment al dan niet in eigendom zal verwerven niet relevant voor de vraag of de beoogde bouwplannen verwezenlijkt kunnen worden. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen ten aanzien van de overdracht van de overige percelen in een civiel rechterlijke procedure zijn verwikkeld, waarvan de uitkomst ongewis is. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat eiseres op enig moment van de bouwvergunning gebruik zal kunnen maken. Eiseres moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

10.

De stukken alsmede het verhandelde ter zitting geven de rechtbank voorts geen aanknopingspunten dat aan een van de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb opgenomen voorwaarden is voldaan. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte op artikel 4:5, eerste lid, van de Awb heeft gebaseerd.

11.

De rechtbank komt gelet op het vorenoverwogene tot de conclusie dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert. Het besluit is mitsdien genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

11.

In het geval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, en te bezien of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

12.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het procesdossier onvoldoende gegevens om te beoordelen of de bouwaanvraag dient te worden verleend. De rechtbank ziet dan ook geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.

13.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De kosten in de beroepsprocedure worden vastgesteld op een bedrag van € 874,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III Uitspraak

De rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;



vernietigt het bestreden besluit;



draagt verweerder op om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;



veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op

€ 874,- (achthonderdvierenzeventig euro).

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,- (tweehonderdachtennegentig) aan eiseres vergoedt.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2011 door mr. J.F.I. Sinack, voorzitter, mr. J.C.K.W. Bartel en mr. M.C.J. Batenburg-van Rijswijk in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier.

Afschrift verzonden op: 9 juni 2011

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.