Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BR3949

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
67783 / HA ZA 09-258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden.

Verdeling overwaarde woning rekening houdende met ingebrachte schenking. Redelijkheid en billijkheid bij verdeling overwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 67783 / HA ZA 09-258

Vonnis van 11 augustus 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Sint Jansteen,

eiser,

advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Terneuzen,

tegen

[gedaagde],

wonende te Hulst,

gedaagde,

advocaat: mr. G.M.J.O. Haaijer- Cattrysse te Hulst.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 juli 2009,

- de akte vermeerdering van eis,

- de brief van [gedaagde] van 26 november 2009, met producties,

- het proces-verbaal van niet gehouden comparitie van 27 januari 2010,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek.

De feiten

Partijen zijn op [datum] 1988 op huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere vermogensrechtelijke gemeenschap, met elkaar gehuwd. Nadat partijen per 31 december 2006 feitelijk uiteen zijn gegaan, heeft de rechtbank te Middelburg bij beschikking van 17 september 2008 in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken. Die beschikking van de rechtbank is op 21 oktober 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Terneuzen.

2.2. Gedurende het huwelijk hebben partijen een aantal goederen, waaronder de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te Hulst (nader: de echtelijke woning), in gezamenlijke eigendom verkregen. Die beperkte huwelijksgoederengemeenschap is nog niet (volledig) verdeeld.

Het geschil

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis bij akte van 1 december 2009 en na aanpassing van zijn eis bij conclusie van repliek, de verdeling van de nog tussen partijen bestaande gemeenschap op zodanige wijze dat aan [gedaagde] wordt toebedeeld de echtelijke woning voor een bedrag van € 130.500,00, onder de verplichting aan [gedaagde] om aan [eiser] binnen één maand na datum vonnis uit te keren:

a) de helft van de overwaarde van de echtelijke woning,

b) de helft van de waarde van de caravan, zijnde € 1.000,00,

c) de helft van de waarde van de levensverzekering, zijnde € 4.463,94,

d) € 3.048,62 uit hoofde van de door [eiser] ontvangen erfenis,

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

[gedaagde] stemt in met de gevorderde verdeling. Zij erkent de verschuldigdheid van de onder b. en c. genoemde bedragen. Daarentegen voert zij verweer tegen de door [eiser] voorgestane verdeling van de overwaarde van de woning. Voorts meent zij dat er geen reden is voor toewijzing van het door [eiser] onder d. genoemde bedrag.

De beoordeling

4.1. Op grond van hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd staat vast dat de tussen partijen te verdelen beperkte gemeenschap (nog) bestaat uit:

Activa:

De woning aan de [adres] te Hulst

Een caravan, Eifelland Holiday 395 LK

Een personenauto, merk Volvo v40

Een personenauto, merk Ford Mondeo

Een levensverzekering bij Interpolis met polisnummer [polisnummer]

Inboedelgoederen

Passiva:

Hypotheeklasten tot een totaalbedrag van € 94.752,24.

4.2. Partijen zijn het eens wat betreft de volgende bestanddelen van de beperkte gemeenschap.

de woning

De waarde van de woning kan op een bedrag van € 130.500,-- worden gesteld. Deze woning kan aan [gedaagde] worden toegescheiden, onder de verplichting dat [gedaagde] de hypotheeklast van € 94.752,24 op zich neemt onder vrijwaring van [eiser].

de caravan

De caravan vertegenwoordigt een waarde van € 2.000,--. Deze kan tegen deze waarde aan [gedaagde] worden toegescheiden onder de verplichting aan [eiser] te vergoeden een bedrag van € 1.000,00.

de personenauto’s

De Volvo v40 kan aan [gedaagde] worden toegescheiden; de Ford Mondeo aan [eiser]. Een en ander kan plaatsvinden zonder nadere verrekening.

de levensverzekering

Deze polis kan aan [gedaagde] worden toegescheiden. De polis vertegenwoordigde per

31 december 2006 een waarde van € 8.927,88. [gedaagde] dient de helft daarvan, ofwel

€ 4.463,94 aan [eiser] te vergoeden.

Tot slot hebben partijen medegedeeld dat de inboedelgoederen als verdeeld kunnen worden beschouwd, zonder dat ter zake daarvan nog een verrekening behoeft plaats te vinden.

4.3. Het debat tussen partijen spitst zich nog toe op een tweetal onderwerpen, te weten

de bepaling van de omvang van de in de verrekening te betrekken overwaarde van de woning en de door de man tijdens het huwelijk ontvangen erfenis.

Verdeling overwaarde woning

4.4. Partijen discussiëren nog over de vraag hoe de overwaarde ad € 35.747,76 tussen hen moet worden verdeeld.

4.5. [eiser] stelt dat hem 50% van de overwaarde toekomt, ofwel € 17.873,88. Hij

betwist dat [gedaagde] volgens de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden recht heeft op het overgrote deel van de overwaarde. Weliswaar is er sprake van enige waardestijging van de woning, maar daar staat een nagenoeg even grote stijging van de hypotheekschuld tegenover. Van een vermogensstijging is geen sprake geweest. De schenking van de ouders van [gedaagde], die niet noodzakelijk was voor partijen om de woning aan te kunnen schaffen, heeft geen rendement opgebracht. In de visie van [eiser] zou het niet redelijk zijn de hypotheekstijging buiten beschouwing te laten. Daar komt bij dat de waardestijging van de woning voor een groot deel te danken is aan door hem geleverde inspanningen. Hij heeft veel arbeid verricht aan de woning. Ook heeft hij de daarmee gemoeide kosten grotendeels voor zijn rekening genomen. Bij een verdeling als door [gedaagde] gewenst zou alleen zij profijt trekken uit de door hem geleverde prestaties, aldus [eiser].

4.6. [gedaagde] daarentegen stelt dat [eiser] miskent dat partijen gehuwd waren

met uitsluiting van elke vermogensrechtelijke gemeenschap. Nu de waarde van woning is gestegen met 118 %, is de door haar ingebrachte schenking met een gelijk percentage gestegen, ofwel tot een bedrag van (thans) € 33.140,00. In de visie van [gedaagde] moet dat bedrag – gelet op artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden – als zijnde een ‘herbelegging’ buiten de verdeling worden gelaten. Van de overwaarde van € 35.747,76 resteert dan na aftrek van de actuele waarde van de schenking nog een bedrag van

€ 2.608,00 dat in de verrekening tussen partijen moet worden betrokken. Aan ieder van de voormalige echtelieden komt dan een bedrag toe van € 1.304,00. [gedaagde] wijst ter staving van haar standpunt op het arrest Bal/Keller (HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 383). [gedaagde] betwist dat de waardestijging van de woning het gevolg is van door [eiser] verrichte arbeid. Zij stelt dat nagenoeg alle verbouwingswerkzaamheden werden uitbesteed en dat de werkzaamheden die [eiser] wel zelf heeft verricht, partijen vanwege gemaakte fouten heel veel geld hebben gekost.

4.7. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van [eiser] dat de overwaarde van

€ 35.747,76 bij helfte dient te worden verdeeld, niet juist is. [eiser] ziet er namelijk aan voorbij dat [gedaagde] ten tijde van de aanschaf van de woning een schenking van haar ouders ten bedrage van (omgerekend) € 15.202,00 heeft ingebracht. Dat bedrag dient, nu onweersproken is gebleven dat die schenking uitsluitend aan [gedaagde] toekwam, in elk geval buiten de verdeling te blijven. De vraag of het geld van die schenking indertijd wel of niet nodig was om partijen in staat te stellen de woning te kopen, is niet relevant. Vast staat dat die schenking gebruikt is voor de aanschaf van de woning.

4.8. De redenering van [gedaagde] met betrekking tot de waardestijging van de door

haar ingebrachte schenking zou gevolgd kunnen worden, ware het niet dat de op de woning rustende hypotheekschuld ook aanzienlijk is gestegen. Nu partijen daarover niets hebben gesteld, moet het ervoor worden gehouden dat de leningen die tegenover die gestegen hypotheekschuld staan, geheel of grotendeels zijn aangewend voor verbeteringen aan de woning. In dat licht bezien leidt het volgen van de door [gedaagde] voorgestane verdeling van de overwaarde tot een onbillijk resultaat, temeer ook nu [gedaagde] niet heeft betwist dat [eiser] een groot deel van de kosten die verbonden waren aan de door hem verrichte werkzaamheden voor zijn rekening heeft genomen.

4.9. Gelet op alle omstandigheden van het geval acht de rechtbank het redelijk en billijk

de overwaarde van de woning over partijen te verdelen aan de hand van de volgende benadering.

De woning is in 1991 gekocht voor (afgerond) € 60.000,--. Van die koopsom werd een bedrag van € 15.202,00 (ofwel, afgerond 1/4de deel) gefinancierd uit de schenking van de ouders van [gedaagde]. Het restant van de koopsom (afgerond 3/4de deel) werd gefinancierd door middel van een voor hun gezamenlijke rekening komende hypotheek en uit gelden die [gedaagde] en [eiser] gezamenlijk inbrachten.

De overwaarde bedraagt thans € 35.747,76. Daarvan moet worden afgetrokken het door [gedaagde] ingebrachte bedrag van € 15.202,00. Ter verdeling tussen partijen resteert dan nog een bedrag van € 20.545,75.

Op basis van hetgeen hierboven is overwogen over de financiering van de aankoopprijs van de woning, kan worden vastgesteld dat indertijd van de koopprijs (1/4 + 3/8 =) 5/8 door [gedaagde] is ingebracht en dat [eiser] 3/8 van die koopsom heeft ingebracht.

De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden redelijk en billijk het hiervoor genoemde bedrag van € 20.545,75 tussen partijen te verdelen naar de mate waarin zij hebben bijgedragen in de aanschafprijs van de woning. Aan [gedaagde] komt dan 5/8 van € 20.545,75, ofwel € 12.841,10 toe en aan [eiser] 3/8 van € 20.545,75, ofwel € 7.704,66.

Nu de woning aan [gedaagde] zal worden toebedeeld, dient zij dus ter zake de verdeling van de overwaarde van de woning aan [eiser] te betalen de som van € 7.704,66.

Nalatenschap [naam erflaatser]

4.10. [eiser] stelt dat hij gedurende het huwelijk met [gedaagde] een erfenis heeft

ontvangen van € 3.048,62 en dat dit bedrag geheel aan hem toekomt. Deze post heeft hij eerst opgevoerd bij akte vermeerdering van eis, welke akte voorafgaand aan de geplande comparitie ter griffie is ontvangen.

4.11. Bij brief van 26 november 2009 heeft [gedaagde] – in reactie op de akte

vermeerdering van eis en ter voorbereiding op de comparitie van partijen – een bankafschrift in het geding gebracht, waaruit blijkt dat op 15 november 2006 een bedrag van € 3.099,36 is bijgeschreven op de en/of-rekening van partijen bij de ABN AMRO-bank (met rekeningnummer [rekeningnummer]), met als vermelding “erfenis [naam erflaatster]”. Voorts heeft zij bij diezelfde brief een kopie in het geding gebracht van een bewijs van opname van 8 december 2006, waaruit blijkt dat op die dag het gehele saldo van genoemde rekening is opgenomen.

4.12. De comparitie van partijen is als gevolg van miscommunicatie met de raadsvrouw

van [gedaagde] niet doorgegaan, waarna is besloten de procedure schriftelijk te vervolgen.

4.13. Bij conclusie van repliek is door [eiser] niet ingegaan op de door [gedaagde]

ingediende producties. Eerst bij dupliek heeft [gedaagde] verduidelijkt wat zij met de door haar ingezonden stukken heeft bedoeld, te weten dat er geen reden is om rekening te houden met de door [eiser] bedoelde ontvangsten uit een erfenis aangezien [eiser] dat erfdeel (inclusief de rest van het saldo van de betreffende bankrekening) op 8 december 2006 heeft opgenomen.

4.14. Nu [eiser] nog niet heeft kunnen reageren op dit standpunt van [gedaagde],

ziet de rechtbank aanleiding om hem daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Zij zal de zaak daartoe verwijzen naar de rolzitting van woensdag 1 september 2010 voor akte aan de zijde van [eiser]. Vervolgens kan [gedaagde] twee weken later een slotakte nemen.

4.15. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 1 september 2010 voor akte aan de zijde van [eiser] als bedoeld in 4.14., waarna [gedaagde] twee weken later een slotakte zal kunnen nemen.

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op

11 augustus 2010.