Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BQ6334

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
73687 / KG ZA 10-99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot afgifte van boot door werf.

Terecht beroep op retentierecht.

Afgifte bevolen na betaling van bepaalde geldsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht,

voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 73687 / KG ZA 10-99

Vonnis van 13 juli 2010

in de zaak van

[eiser in conventie, verweerder in reconventie],

wonende te Axel,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. B.J. van de Wijnckel te Terneuzen

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PASSLUIS SHIPHANDLING B.V.,

gevestigd te Westdorpe,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.H. Pijpelink te Terneuzen.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en Passluis genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de fax met een productie d.d. 2 juli 2010 van mr. Van de Wijnckel

- de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 6 juli 2010 zijdens beide partijen overgelegde pleitaantekeningen.

De feiten

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] is eigenaar van de boot genaamd [A.], hierna: de boot. De boot is op 14 maart 2010 naar de door Passluis geëxploiteerde scheepswerf gesleept en op de wal gezet.

Passluis heeft aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] medegedeeld dat de kosten van het op de wal zetten van de boot, het liggeld gedurende 20 weken en het weer te water laten € 750,-- zouden bedragen.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft het door Passluis verzochte voorschot van € 150,-- voldaan.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft op de werf van Passluis onderhoudswerkzaamheden aan de boot verricht.

Passluis heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de toegang tot de werf ontzegd en hem laten weten dat hij de boot na betaling van het door hem verschuldigde bedrag zou terugkrijgen.

Bij brief d.d. 10 mei 2010 heeft Passluis zulks schriftelijk bevestigd aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en hem medegedeeld de overeenkomst met hem te ontbinden.

Het geschil

in conventie

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert, kort samengevat, Passluis op straffe van een dwangsom te veroordelen hem toegang te verlenen tot haar werf zodat hij de boot op een trailer kan hijsen en naar een andere werf kan transporteren en voorts veroordeling van Passluis tot betaling aan hem van een bedrag van € 3.000,-- als voorschot op door hem geleden schade.

Hij stelt daartoe dat Passluis de boot zonder recht of titel onder zich houdt en dat zij daardoor schade heeft geleden in ieder geval ter hoogte van het gevorderde bedrag. Nu de boot met opengewerkte motor zonder bescherming op de wal is geplaatst en daar geruime tijd heeft gestaan en in de huidige toestand niet te water kan worden gelaten vormen ook de kraan- en transportkosten naar een andere werf onderdeel van de door hem geleden schade.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] betwist dat tussen partijen een schriftelijke overeenkomst is gesloten betreffende het op de wal zetten van de boot en dat hij de directeur van Passluis heeft bedreigd.

Passluis voert verweer. Primair betwist zij het spoedeisend belang van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] bij het gevorderde. Ten aanzien van de vordering tot afgifte van de boot stelt zij dat zij deze rechtmatig onder zich te houdt nu zij zich op haar opschortings- c.q. retentierecht beroept. Passluis stelt daartoe, onder verwijzing naar de door haar overgelegde stukken, dat partijen een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten betreffende uit en in het water halen c.q. laten van de boot en stalling daarvan op de werf gedurende 20 weken, welke overeenkomst door haar is ontbonden nadat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zich niet aan het huishoudelijk reglement van de werf hield en haar directeur had bedreigd. Nu [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet aan zijn betalingsverplichting voldoet stelt Passluis bevoegd te zijn haar verplichting tot het vrijgeven van de boot op te schorten totdat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft betaald.

Ten aanzien van het gevorderde voorschot op schadevergoeding betwist Passluis dat er sprake is van schade aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en stelt zij dat de ingestelde vordering niet voldoet aan de eisen voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. Tenslotte voert Passluis verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring, dwangsom en proceskostenveroordeling.

in reconventie

Passluis vordert, kort samengevat, [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te veroordelen om aan haar ter zake van liggeld, kraankosten en handeling een bedrag van € 931,06 te voldoen en te bepalen dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in verzuim zal zijn indien dat bedrag niet binnen 14 dagen na dagtekening is voldaan, waarna hij de wettelijke rente over het onbetaald gebleven bedrag verschuldigd zal zijn en voorts [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 527,-- aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 juli 2010.

Zij stelt er door de opstelling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet in geslaagd te zijn de vorderingen buiten rechte te incasseren en daardoor vermogensschade te hebben geleden in de vorm van kosten voor juridische bijstand.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] voert verweer. Hij betwist het spoedeisend belang van Passluis bij het gevorderde. Voorts betwist hij, onder verwijzing naar hetgeen hij in reconventie heeft aangevoerd, opdracht aan Passluis te hebben gegeven om zijn boot uit het water te takelen en te stallen. Voorts voert hij verweer tegen de mede gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

De beoordeling

in conventie

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft, gelet op zijn ter zitting naar voren gebrachte stellingen, een spoedeisend belang bij het gevorderde en is derhalve ontvankelijk in zijn vorderingen.

Ten aanzien van de vordering tot afgifte van de boot overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Gelet op de stellingen van partijen dient beoordeeld te worden of Passluis terecht een beroep doet op een opschortings- c.q. retentierecht betreffende de boot. Uitgangspunt bij die beoordeling is dat een retentierecht bestaat indien Passluis een opeisbare vordering op [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft die voldoende samenhangt met de verplichting tot afgifte van de boot. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat gelet op het door Passluis overgelegde ondertekende stuk, voldoende vast staat dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten betreffende uit en in het water halen c.q. laten van de boot en stalling daarvan op de werf gedurende 20 weken. Hetgeen [eiser in conventie, verweerder in reconventie] hier tegenover stelt, namelijk de enkele ontkenning dat de handtekening onder het stuk de zijne is en de betwisting van de opdracht tot het uit het water takelen van de boot, acht de voorzieningenrechter ongeloofwaardig. Immers, niet valt in te zien welk belang Passluis erbij zou hebben de boot van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zonder opdracht daartoe uit het water te takelen met alle kosten van dien, terwijl het voorts onlogisch is dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zonder een overeenkomst met Passluis te sluiten wel het gevraagde voorschot aan haar betaalt. Nu voorts door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet betwist is dat, indien de overeenkomst tussen partijen tot stand was gekomen, hij het bedrag waarvan thans betaling wordt gevorderd aan Passluis verschuldigd is, staat vooralsnog voldoende vast dat Passluis een opeisbare vordering ter hoogte van € 931,06 op [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft. Aangezien de vordering van Passluis betrekking heeft op de boot van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] die op haar werf ligt, kan worden geconcludeerd dat voldoende samenhang bestaat tussen de wederzijdse verbintenissen om opschorting te rechtvaardigen. Passluis is gerechtigd haar, door de ontbinding van de overeenkomst ontstane, verplichting tot teruggave van de boot op te schorten totdat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aan zijn betalingsverplichting jegens haar heeft voldaan.

Zodra [eiser in conventie, verweerder in reconventie] voldaan heeft aan zijn betalingsverplichting jegens Passluis, komt voormeld retentierecht van Passluis te vervallen. De voorzieningenrechter zal de vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dan ook toewijzen onder de voorwaarde dat hij het bedrag van € 931.06 aan Passluis heeft betaald. Gelet op de uitdrukkelijke toezegging van Passluis dat de boot kan worden opgehaald zodra haar vordering voldaan is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding aan die veroordeling een dwangsom te verbinden.

Gelet op vorenstaande beslissing ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De tweede vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding dient aan een aantal voorwaarden te zijn voldaan. Zo dient het bestaan van de vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] op Passluis voldoende aannemelijk te zijn, in die zin dat het in een bodemprocedure hoogstwaarschijnlijk is dat de vordering wordt toegewezen. Daarnaast dient ook sprake te zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl tevens beoordeeld dient te worden of er sprake is van een onaanvaardbaar restitutierisico.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] baseert zijn vordering op het zijn stelling dat Passluis de boot zonder opdracht of toestemming van hem op de wal heeft gezet en deze zonder recht of titel onder zich houdt. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2. omtrent een en ander is overwogen, kan worden geconcludeerd dat vooralsnog niet hoogstwaarschijnlijk is dat de vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in een bodemprocedure wordt toegewezen. Zijn vordering dient in de onderhavige procedure dan ook te worden afgewezen.

in reconventie

De vordering van Passluis strekt eveneens tot betaling van een geldsom. Hiervoor gelden de hiervoor onder 4.3. genoemde voorwaarden. Gelet op hetgeen de voorzieningenrechter onder 4.2. reeds heeft overwogen betreffende het bestaan van een vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] op Passluis ter hoogte van € 931,06, kan eveneens worden geconcludeerd dat hoogstwaarschijnlijk is dat de vordering van Passluis op van der Heiden in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Nu het spoedeisend belang van Passluis bij haar vordering voorts voldoende aannemelijk is, zal deze op na te melden wijze worden toegewezen.

in conventie en in reconventie

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van Passluis. De kosten aan de zijde van Passluis worden begroot op:

- salaris advocaat € 1.054,--

- griffierecht € 263,--

totaal € 1.317,--

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Passluis heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat deze kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De enkele brief van de deurwaarder d.d. 27 mei 2010 waarnaar zij verwijst is daartoe onvoldoende.

De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

bepaalt dat Passluis zodra [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aan haar het bedrag van € 931,06 heeft voldaan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] toegang tot haar werf dient te verlenen, zodat hij in staat wordt gesteld om de boot ‘[A.]’ op een trailer te hijsen en naar een andere werf te transporteren;

in reconventie

veroordeelt [eiser in conventie, verweerder in reconventie] om aan Passluis te betalen ten titel van kraankosten en liggeld een bedrag van € 931,06 en bepaalt dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in verzuim zal zijn indien bedoeld bedrag niet binnen veertien dagen na heden zal zijn voldaan en dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] alsdan de wettelijke rente ex 6:119 BW verschuldigd wordt over het alsdan onbetaald gebleven gedeelte van bovengenoemd bedrag;

in conventie en in reconventie

veroordeelt [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in de proceskosten, aan de zijde van Passluis tot op heden begroot op € 1.317,--,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2010.