Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BQ0824

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
57579 / HA ZA 07-222
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde is veroordeeld voor seksueel misbruik door de meervoudige kamer van de sector strafrecht van de rechtbank Middelburg.

Eiseressen vorderen schadevergoeding materieel en immaterieel.

Rechtbank verklaart voor recht dat gedaagde onrechtmatige jegens eiseressen heeft gehandeld.

Partijen mogen zich uitlaten over een te benoemen deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 57579 / HA ZA 07-222

Vonnis van 14 april 2010

in de zaak van

1. [eiseres sub 1],

wonende te Wemeldinge, gemeente Kapelle,

2. [eiseres sub 2],

wonende te Vlissingen,

3. [eiseres sub 3],

wonende te Yerseke, gemeente Reimerswaal,

eiseressen,

advocaat mr. M.R. Minekus,

tegen

[gedaagde],

wonende te Wemeldinge, gemeente Kapelle,

gedaagde,

advocaat mr. H.M. Dunsbergen.

Partijen zullen hierna eiseressen en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 februari 2009

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 24 juni 2009

- de conclusie na enquête van de zijde van [gedaagde]

- de antwoordconclusie na enquête van de zijde van [eiseressen] c.s.

- de antwoordakte producties van de zijde van [gedaagde].

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

Bij het hiervoor genoemde vonnis is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren ten aanzien van de in het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 30 januari 2007 bewezen verklaarde feiten. Hij heeft daartoe zichzelf en zijn partner mevrouw [A.] (hierna: [mw. A.]), als getuigen laten horen. Daarnaast heeft hij bij akte van 27 augustus 2008 en bij conclusie na enquête stukken overgelegd. In de conclusie na enquête en in de antwoordakte producties heeft [gedaagde] verwezen naar een door of namens hem opgestelde lijst met tegenstrijdigheden en inconsistenties en naar door hem in het strafproces afgelegde verklaringen (d.d. 6, 7 en 8 februari en 18 mei 2006). Deze stukken zijn echter uitsluitend bij brief van 7 juli 2009 en niet bij conclusie of akte ter rolle overgelegd, ook niet bij de akte van 21 oktober 2009 waarin wel wordt aangekondigd dat de stukken daarbij alsnog zullen worden overgelegd. Eiseressen stellen zich daarom op het standpunt dat deze stukken niet tot de processtukken behoren en daarom geen bijdrage kunnen leveren aan het door [gedaagde] te leveren tegenbewijs. De rechtbank zal de bij brief van 7 juli 2009 gevoegde stukken desalniettemin bij de bewijswaardering betrekken. Eiseressen hebben niet bestreden dat zij de stukken hebben ontvangen en [gedaagde] heeft in zijn conclusie na enquête expliciet naar bedoelde stukken verwezen. Eiseressen zijn dus in de gelegenheid geweest van de stukken kennis te nemen en daarop te reageren.

2.2. Beide partijen ([gedaagde] bij de brief van 7 juli 2009 en eiseressen bij antwoordconclusie na enquête) hebben een afschrift overgelegd van het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2009. In dat arrest verwerpt de Hoge Raad de cassatieberoepen van [gedaagde] en de Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof ’s-Gravenhage tegen het arrest van dat hof van 30 januari 2007, behoudens voor wat betreft de op artikel 6, eerste lid, EVRM gegronde klacht. De Hoge Raad heeft het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde straf vernietigd en die straf met twee maanden verminderd tot 28 maanden gevangenisstraf. Dit brengt mee dat waar in de vonnissen van deze rechtbank van 16 juli 2008 en 18 februari 2009 nog werd uitgegaan van vrije bewijskracht van het arrest van het Hof, thans sprake is van dwingende bewijskracht ten aanzien van de in dat arrest bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal beoordelen of het door [gedaagde] geleverde tegenbewijs voldoende is om dit dwingende bewijs te ontzenuwen.

2.3. [gedaagde] heeft onder meer verwezen naar de door hem (als tegenbewijs) overgelegde verklaringen die in het strafproces zijn afgelegd door [gedaagde] zelf als verdachte, eiseressen als aangeefsters en diverse getuigen, waaronder [mw. A.]. De rechtbank is van oordeel dat die verklaringen niet kunnen bijdragen aan het door [gedaagde] te leveren tegenbewijs. Al die verklaringen zijn immers in het strafproces reeds beoordeeld en hebben (mede) geleid tot de bewezenverklaring door het Hof op 30 januari 2007, die door de Hoge Raad in stand is gelaten. Het zou afbreuk doen aan de dwingende bewijskracht van het onherroepelijke strafvonnis indien dezelfde verklaringen als die waarop dat strafvonnis is gebaseerd, als bewijs tegen dat strafvonnis zouden kunnen dienen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de in artikel 151, tweede lid, Rv geboden mogelijkheid om – ook tegen dwingend bewijs - tegenbewijs te leveren dan ook niet leiden tot een herbeoordeling van het in de strafprocedure aan de rechter voorgelegde bewijs.

Om deze reden kan ook de bij brief van 7 juli 2009 overgelegde lijst van tegenstrijdigheden en inconsistenties die door of namens [gedaagde] is opgesteld, niet als tegenbewijs dienen.

Deze lijst houdt immers niet méér in dan een andere waardering van de in de strafprocedure afgelegde verklaringen, namelijk de suggestie dat de verklaringen van eiseressen om de redenen als in die lijst zijn opgesomd, onbetrouwbaar zouden zijn.

2.4. De verklaringen die [gedaagde] en [mw. A.] op 24 juni 2009 hebben afgelegd, zijn nieuwe verklaringen, die niet bij de strafprocedure zijn betrokken. Voor het overgrote deel komen die verklaringen echter overeen met de verklaringen die zij ook in de strafprocedure hebben afgelegd. Om die reden zal de rechtbank uitsluitend ingaan op nieuwe elementen uit die verklaringen en onderdelen daaruit waarin [gedaagde] en [mw. A.] een toelichting geven op andere bewijsstukken die in het kader van de bewijslevering zijn overgelegd.

2.5. [gedaagde] verklaart dat [dhr. B.] alleen een keer bij hem boven is geweest voor een rondleiding en niet om tv te kijken of iets dergelijks. Hij heeft nooit met hem of in het bijzijn van (een van de) eiseressen een pornofilm gekeken. Ook [mw. A.] verklaart dat [dhr. B.] nooit een pornofilm (bij hen) heeft gekeken. Hij kwam volgens haar incidenteel wel eens boven, maar was dan zo weer weg. Deze verklaringen staan echter haaks op de verklaringen die [gedaagde] bij de politie op 6 en 7 februari 2006 heeft afgelegd en waarin hij verklaart:

“..het gebeurde wel eens dat ik na het werk tv ging kijken op een slaapkamer.(…) Ik had daar een paar matrassen liggen. [dhr. B.] was daar de meeste keren ook bij. Dat ging dan om [eiseres sub 2]. [eiseres sub 1] (…). Ja en [eiseres sub 3].” (6 februari 2006)

“Vraag: met wie keek jij tv? Als we daar woonden zat [eiseres sub 2] er gewoon bij. Vraag: En toen de tv nog boven stond, zat [K.] daar ook wel eens bij? Ja dat gebeurde ook wel. Vraag: wie kwamen daar wel eens? Allemaal wel eens. Vraag: Wie dan wel? [eiseres sub 2], [dhr. B.], (….)

Vraag: Wat keken jullie naar tv? Soms wel eens een videoband. Tijdens het werk vinden we regelmatig pornovideo’s en boeken. [dhr. B.] heeft wel eens zo’n band erin geduwd en keken we daarnaar. Daar waren toen denk ik [eiseres sub 2], [eiseres sub 3] en [eiseres sub 1] bij. Die band heeft maar 2 minuten gespeeld. Ik heb toen tegen [dhr. B.] gezegd dat die uit moest.” (7 februari 2006)

Gelet op deze verklaringen zijn de hiervoor bedoelde verklaringen van [gedaagde] en [mw. A.] ongeloofwaardig en kunnen geen ander licht werpen op de (betrouwbaarheid van de) verklaring die [eiseres sub 3] op dit punt in het strafproces heeft afgelegd.

2.6. [gedaagde] en [mw. A.] verklaren verder dat het stalletje waarover [eiseres sub 3] heeft verklaard, pas in 1998 is geplaatst in de weide naast de locatie waar in 1998-1999 hun huis is gebouwd. [mw. A.] heeft in dit verband gewezen op door haar overgelegde foto’s. Ook in de akte van 27 augustus 2008 wordt naar foto’s verwezen (die later bij brief van 29 augustus 2008 alsnog zijn overgelegd). Echter, ook indien deze verklaringen juist zouden zijn, is de rechtbank niet van oordeel dat dit de verklaringen van [eiseres sub 3] ongeloofwaardig maakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat – zo blijkt ook uit de verklaring van [gedaagde] – hetzelfde stalletje eerst bij het ouderlijk huis van [gedaagde] stond, waar toen ook de paarden nog stonden en waar [eiseres sub 3] ook kwam. De locatie van het stalletje is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het gehele bewijsmateriaal van ondergeschikt belang.

2.7. [gedaagde] heeft voorts een brief overgelegd met betrekking tot de oplevering van zijn woning. Uit de brief kan worden afgeleid dat de woning pas na 24 maart 1999 is opgeleverd, zoals [gedaagde] en [mw. A.] verklaren. [gedaagde] stelt dat daaruit blijkt dat het niet juist is dat [eiseres sub 3] – zoals zij heeft verklaard - al eind 1998 in het huis kwam. De rechtbank is van oordeel dat de mogelijkheid dat [eiseres sub 3] zich heeft vergist in het jaar waarin zij voor het eerst in de woning van [gedaagde] is geweest, niet afdoet aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. De verklaringen op dit punt en de overgelegde brief leveren dan ook geen tegenbewijs.

2.8. Evenmin kan tegenbewijs worden gevonden in de overgelegde verlofkaart van [gedaagde], waaruit niet blijkt dat [gedaagde] op 19 januari 2000 verlof had. Ook als op zijn verlofkaart geen verlof voor die dag is aangetekend, betekent dat nog niet dat hij die dag niet op enig moment thuis met [eiseres sub 2] kon zijn. De verlofkaart en de verklaring van [gedaagde] op dit punt vormen dus geen bewijs tegen de bewezenverklaring dat het seksueel misbruik van [eiseres sub 2] op die dag is begonnen.

2.9. [mw. A.] heeft voorts verklaard over de aanwezigheid van de fiets van [eiseres sub 2] en verwezen naar een door haar overgelegde foto waarop die te zien zou zijn. Daaruit zou volgens haar blijken dat het niet zo was dat [eiseres sub 2] haar fiets altijd uit het zicht moest zetten – zoals [eiseres sub 2] heeft verklaard. Los van de vraag of de foto op de fiets daadwerkelijk van [eiseres sub 2] was, is de rechtbank van oordeel dat deze conclusie niet uit een enkele foto kan worden getrokken. Gelet op de duur en frequentie waarmee – ook volgens [gedaagde] en [mw. A.] – [eiseres sub 2] bij hen over de vloer kwam, kan niet gezegd worden dat de – eenmalige – zichtbare aanwezigheid van de fiets de gehele verklaringen van [eiseres sub 2] ongeloofwaardig maakt. Ook deze foto en de verklaring van [mw. A.] op dit punt leveren geen tegenbewijs.

2.10. [gedaagde] heeft foto’s overgelegd met betrekking tot de aanwezigheid van veulens op zijn boerderij in het jaar 2000. Hij verklaart hierover het vreemd te vinden dat [eiseres sub 1] de veulens blijkens haar verklaringen niet heeft opgemerkt. Ook dit levert echter geen tegenbewijs ten aanzien van de feiten waarvoor [gedaagde] is veroordeeld. De verklaringen van [eiseres sub 1] (en de andere eiseressen) hebben hoofdzakelijk betrekking op de seksuele handelingen door [gedaagde]. Hoeveel en welke dieren precies op de boerderij rondliepen, is van ondergeschikt belang. Het feit dat [eiseres sub 1] niet over de veulens heeft verklaard, maakt haar verklaringen voor het overige niet ongeloofwaardig.

2.11. Verder heeft [gedaagde] nog een brief overgelegd van een zekere [dhr. C]. Deze niet gedateerde en niet ondertekende brief kan niet als tegenbewijs dienen. De schrijver van de brief is niet onder ede als getuige gehoord. Bovendien blijkt uit de brief niet dat [gedaagde] de bewezen verklaarde feiten niet heeft begaan.

2.12. De conclusie uit het voorgaande is dat [gedaagde] er niet in is geslaagd tegenbewijs te leveren, zodat ook in deze procedure als vaststaand moet worden aangenomen dat hij de feiten waarvoor hij strafrechterlijk is veroordeeld, heeft begaan. Daarmee heeft hij jegens eiseressen onrechtmatig gehandeld. [gedaagde] dient de schade die eiseressen ten gevolge van dit handelen hebben geleden te vergoeden. De onder 1 in het petitum gevorderde verklaring voor recht kan dan ook worden toegewezen.

2.13. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat eiseressen meer schade hebben geleden dan in de strafprocedure aan hen is toegewezen. Een begroting van die schade kan thans echter nog niet worden gegeven, omdat enerzijds [gedaagde] de (hoogte van de) gestelde schade en het causaal verband gemotiveerd heeft betwist en anderzijds eiseressen nog geen exacte opgave van hun schade hebben gegeven. Eiseressen hebben verwijzing naar een schadestaatprocedure verzocht, na het inwinnen van deskundigenberichten. De rechtbank is echter van oordeel dat, indien de zaak voor de begroting van de schade naar een schadestaatprocedure wordt verwezen, het meer voor de hand ligt in die procedure deskundigenberichten in te winnen. Voorstelbaar is echter ook dat – mede door de inmiddels in deze procedure verstreken tijd – de schade ook in deze procedure kan worden begroot. In dat geval ligt de benoeming van een of meer deskundige(n) in deze procedure wel voor de hand. Immers zal eerst moeten komen vast te staan dat de gestelde schade – met name die betreffende het verlies aan verdienvermogen en de studievertraging – aanwezig is en is veroorzaakt door het onrechtmatig handelen. De bewijslast hiervan rust op eiseressen. Voor een omkering van de bewijslast, zoals eiseressen hebben betoogd, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding. Uit deskundigenonderzoek zal moeten blijken tot welke psychische schade het onrechtmatig handelen van [gedaagde] bij eiseressen heeft geleid en welke studievertraging en/of verlies aan verdienvermogen, dan wel andere schade, hier het gevolg van is geweest. Hoewel de bewijslast op eiseressen rust, is de rechtbank van oordeel dat het voor de deskundige(n) te betalen voorschot door [gedaagde] dient te worden voldaan. De noodzaak tot benoeming van een deskundige vloeit immers rechtstreeks voort uit het onrechtmatig handelen en de kosten daarvan komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor zijn rekening.

Eiseressen hebben hun voorkeur uitgesproken voor de benoeming van psychiater mr. drs. J. Groenendijk en rekenkundig expertisebureau NRL als deskundigen. [gedaagde] heeft hierop nog niet gereageerd. Het is de rechtbank niet bekend of de voorkeur van eiseressen nog steeds naar genoemde deskundigen uitgaat en of die nog bereid / in staat zijn een deskundigenonderzoek te verrichten.

2.14. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte (in elk geval) uit te laten over de volgende vragen:

Eiseressen:

1. Kan de schade in deze procedure worden begroot?

Zo ja:

2. Wat is de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd?

3. Welke deskundige(n) dienen te worden benoemd?

4. Welke vragen dienen aan de deskundige(n) te worden gesteld?

[gedaagde]:

5.Welke deskundige(n) dienen te worden benoemd?

6. Welke vragen dienen aan de deskundige(n) te worden gesteld?

2.15. De rechtbank zal de zaak aanhouden tot na te noemen rolzitting voor akte als hiervoor bedoeld aan de zijde van eiseressen. [gedaagde] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld te reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

- verklaart voor recht dat gedaagde jegens eiseressen sub 1 tot en met 3 onrechtmatig heeft gehandeld en de dientengevolge ontstane schade, zowel geleden als toekomstige en zowel materieel als immaterieel, volledig dient te vergoeden;

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 12 mei 2010 voor akte als bedoeld in r.o. 2.14 aan de zijde van eiseressen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Graaf en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2010.