Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BP8613

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
203993
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nasalaris ex art. 237 Rv afgewezen; geen substantiële werkzaamheden. Nadere opgave waaruit substantiële werkzaamheden wel en niet bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

Locatie Middelburg

zaak/repnr.: 203993/10-1906

beschikking van de kantonrechter d.d. 22 juli 2010

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Schouwen-Duiveland,

gevestigd te [adres],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.P.G. van Roeyen,

t e g e n :

[verweerder],

wonende te [adres],

verwerende partij,

niet verschenen.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- verzoekschrift, ingediend op 20 mei 2010.

de beoordeling van de zaak

1. Bij vonnis van 19 april 2010 met rolnr. 10-1776 heeft de kantonrechter de vordering van verzoekende partij, ingesteld tegen verwerende partij, toegewezen zoals bij inleidende dagvaarding ingesteld. De verwerende partij is daarbij in de proceskosten veroordeeld en de proceskosten aan de zijde van de verzoekende partij zijn daarbij begroot tot aan het moment van het verstekvonnis.

2. Het onderhavige verzoek strekt tot begroting op de voet van art. 237, lid 4 Rv van de na de uitspraak van het vonnis ontstane kosten. Verzoekende partij is in dit verzoek ontvankelijk, nu zij de partij is in het voordeel van wie de kostenveroordeling is uitgesproken. Verzoekende partij stelt aan dat er nakosten zijn gemaakt en zij vraagt die kosten te begroten en hiervoor een bevelschrift af te geven.

3. Aan de verwerende partij is op de daartoe voorgeschreven wijze door griffier een afschrift van het verzoekschrift gezonden en daarbij is verwerende partij in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen binnen de in de brief gemelde termijn. Daarbij is medegedeeld dat de kantonrechter na indiening van het verweerschrift in beginsel op basis van de stukken zal beschikken tenzij een van partijen tijdig laat weten de voorkeur te geven aan een mondelinge behandeling van het verzoekschrift. Verder is medegedeeld dat indien geen verweerschrift binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend en geen verzoek tot een mondelinge behandeling is ontvangen, dit door de kantonrechter zal worden opgevat als instemming met de voorgestelde procedure en referte aan het oordeel van de kantonrechter.

4. Verwerende partij heeft geen verweerschrift ingediend en ook anderszins niet gereageerd. Verzoekende partij heeft niet om ene mondelinge behandeling gevraagd.

5. De kantonrechter overweegt als volgt. Het verzoek is door de verwerende partij niet betwist, maar de kantonrechter zal dienen te beoordelen of het verzoek rechtmatig en gegrond is. De wet geeft in art. 237 Rv de mogelijkheid dat de na een uitspraak ontstane kosten (de zogenaamde nakosten) door de rechter worden begroot en dat daarvoor een bevelschrift wordt afgegeven. De vraag is wat onder deze kosten moet worden verstaan. Het Landelijk overleg van kantonsectorvoorzitters (LOK) heeft in zijn vergadering van 11 juni 2007 daarover aanbevolen dat uitgangspunt bij de inhoudelijke beoordeling van een verzoek om nasalaris dient te zijn dat een dergelijk verzoek wordt afgewezen, tenzij in het verzoekschrift voldoende concreet wordt gesteld welke substantiële werkzaamheden verzoeker daadwerkelijk heeft verricht. Uit het arrest van het gerechtshof te Amsterdam heeft van 17 juli 2007, LJN: BB4641 (welk arrest verzoekende partij ten grondslag legt aan haar verzoek) kan de conclusie worden getrokken dat nakosten toewijsbaar zijn mits sprake is van aangetoonde substantiële werkzaamheden. Een partij die toewijzing van nakosten verzoekt zal dan moeten stellen en aantonen dat er na het vonnis substantiële werkzaamheden zijn verricht, die de gevraagde vergoeding rechtvaardigen.

6. De kantonrechter is van oordeel dat van die substantiële werkzaamheden slechts sprake kan zijn indien aangetoond wordt dat de incassogemachtigde met de debiteur één of meerdere betalingsregelingen heeft afgesproken met een looptijd van (in totaal) vier of meer maanden en waarop ook betalingen zijn verricht. Het rappelleren omdat de regeling niet correct is nagekomen behoort naar het oordeel van de kantonrechter ook tot die werkzaamheden.

7. Andere werkzaamheden, zoals een onderzoek naar de inkomstenbronnen van de debiteur, opvragen van inkomensgegeven bij de debiteur, contacten met de schuldhulpverlening, contacten met de debiteur over het openstaande saldo, alsmede beslaglegging vallen naar het oordeel van de kantonrechter niet onder de substantiële werkzaamheden waarvoor op de voet van art. 237, lid 4 Rv een vergoeding kan worden toegekend.

8. Uit het verzoekschrift blijkt naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende van werkzaamheden zoals genoemd onder rechtsoverweging 6, zodat het verzoekschrift als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.J.R.P. Verhoeven, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.