Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BP6859

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
23-12-2010
Datum publicatie
07-03-2011
Zaaknummer
Awb 10/66
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade. Windturbines. Zelf voorzien

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/79 met annotatie van J.W. van Zundert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummers: 10/65 t/m 10/71, 10/73, 10/75, 10/78, 10/79, 10/81, 10/83 t/m 10/87, 10/89, 10/90, 10/92 t/m 10/94, 10/96, 10/98, 10/99, 10/101, 10/102, 10/105 t/m 10/108

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

1. Stichting Aktiegroep Windturbines Hoofdplaatpolder (hierna: SAWH)

2. [naam 1]

3. [naam 2]

4. [naam 3]

5. [naam 4]

6. [naam 5]

7. [naam 6]

8. [naam 7]

9. [naam 8]

10. [naam 9]

11. [naam 10]

12. [naam 11]

13. [naam 12]

14. [naam 13]

15. [naam 14]

16. [naam 15]

17. [naam 16]

18. [naam 17]

19. [naam 18]

20. [naam 19]

21. [naam 20]

22. [naam 21]

23. [naam 22]

24. [naam 23]

25. [naam 24]

26. [naam 25]

27. [naam 26]

28. [naam 27]

29. [naam 28]

30. [naam 29]

31. [naam 30], eisers

gemachtigde mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis,

tegen

de raad van de gemeente Sluis,

te Oostburg,

verweerder.

I. Procesverloop

1. Bij besluit van 21 december 2006 (eiser 19), bij besluit van 31 januari 2007 (lees: 2008) (eiser 27), bij besluit van 28 februari 2008 (eiser 9), bij een tweetal besluiten van 24 april 2008 (eisers 3 tot en met 8, 10 tot en met 17, 20 en 21, 23 tot en met 26 en 28 tot en met 31) en bij besluit van 22 mei 2008 (eiser 22) heeft de raad van de gemeente Sluis beslissingen genomen op de aanvragen van eisers 3 tot en met 31 om een planschadevergoeding in verband met het planologisch mogelijk maken van de plaatsing van vijf windturbines in de Hoofdplaatpolder, gemeente Sluis.

Bij besluit van 26 november 2009 (verzonden 16 december 2009) heeft verweerder de bezwaren van eisers 3 tot en met 31 ongegrond verklaard. De bezwaren van eiseres 2 zijn bij besluit van 26 november 2009 (verzonden 16 december 2009) niet ontvankelijk verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eisers 1 tot en met 14 en 16 tot en met 31 op 25 januari 2010 en eiser 15 op 26 januari 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De beroepen zijn op 11 november 2010 ter zitting behandeld.

Aldaar zijn verschenen mr. A.P. Cornelissen, gemachtigde van eisers, bijgestaan door A. Streefkerk-Wegman, werkzaam als juridisch adviseur bij Verhagen Advies, alsmede de eisers [naam 1], [naam 5], [naam 8], [naam 17] en [naam 20] in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde M.A.C. Laros, bijgestaan door M. Provoost, werkzaam bij Taxatie- en Advieskantoor Rijk.

Ter zitting heeft de rechtbank verweerder verzocht het stuk aangeduid als uitspraak van de Raad van State van 17 juni 2003, de bouwvergunning met verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) voor de bouw van de vijf windturbines en de uitspraak op bezwaar inzake deze bouwvergunning alsnog over te leggen. Partijen hebben toestemming gegeven deze stukken aan de processtukken toe te voegen. Zij hebben verklaard in te stemmen dat een tweede zitting enkel voor het onderzoek van deze stukken achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Genoemde stukken zijn op 18 en 23 november 2010 bij de rechtbank ingekomen en aan de processtukken toegevoegd.

II. Overwegingen

Formele aspecten

Ontvankelijkheid

SAWH

2.1 SAWH heeft op 25 januari 2010 pro forma beroep ingesteld. De rechtbank heeft SAWH bij brief van 29 januari 2010 gedurende vier weken in de gelegenheid gesteld de gronden van het beroep in te zenden. Op verzoek van SAWH heeft de rechtbank de termijn van inzending bij brief van 17 februari 2010 tot 23 maart 2010 en nadien bij brief van 18 maart 2010 tot 10 april 2010 verlengd. SAWH heeft van de gelegenheid om de gronden van het beroep in te zenden geen gebruik gemaakt.

De rechtbank verklaart SAWH op de voet van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet ontvankelijk.

[naam 17]

2.2. [naam 17] is gebruiker van de woning [adres 1] te [plaats 1], die het eigendom is van zijn echtgenote [naam 31]. [naam 31] heeft het verzoek om vergoeding van planschade ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 24 april 2008 het verzoek afgewezen.

[naam 17] heeft als gebruiker van de woning bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verweerder heeft op dit bezwaar nog niet beslist. Anders dan gesteld in de brief van 16 december 2009 heeft verweerder op 26 november 2009 enkel beslist op het bezwaar van [naam 31]. Het beroep van [naam 17] mist aldus feitelijke grondslag.

De rechtbank verklaart [naam 17] niet ontvankelijk.

2.2.1. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het belang van [naam 17] als gebruiker van de woning bij de afwijzing van het verzoek om vergoeding van planschade niet rechtstreeks is betrokken, op grond waarvan [naam 17] niet als belanghebbende is aan te merken.

[naam 1]

2.3.[naam 1] is op [nr.] januari 2003 gescheiden van [naam 32]. Tot de gemeenschap van goederen behoorde de woning [adres 2] te [plaats 1]. Op 20 mei 2005 heeft [naam 32] het verzoek om vergoeding van planschade ingediend. Tegen het besluit van 24 april 2008, waarbij aan hem planschade is toegekend, heeft [naam 1] bezwaar gemaakt. Verweerder heeft haar in dat bezwaar niet ontvankelijk verklaard.

2.3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of [naam 32] het verzoek om vergoeding van planschade mede namens [naam 1] heeft ingediend.

[naam 1] beantwoordt deze vraag bevestigend. Zij voert daartoe aan, dat het verzoek in de “wij-vorm” is gesteld.

Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij voert daartoe aan dat [naam 1] ten tijde van het verzoek niet meer gehuwd was met [naam 32]. Zij heeft niet zelf een verzoek om vergoeding van planschade ingediend dan wel het door [naam 32] ingediende verzoek mede ondertekend. Het primaire besluit is ook niet aan haar gericht.

2.3.2. De rechtbank is van oordeel dat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door [naam 32] ingediende verzoek om vergoeding van planschade mede namens haar is ingediend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking, dat [naam 32] gebruik heeft gemaakt van een model voor het indienen van het verzoek. Onder die omstandigheid wijst het gebruik van de “wij-vorm” niet zonder meer naar een voormalige partner van wie gescheiden wordt geleefd. Ook uit de tot de stukken behorende e-mail van 16 september 2008 aan M. Laros leidt de rechtbank af, dat [naam 32] niet heeft beoogd mede op te treden namens [naam 1].

Nu [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat namens haar het verzoek om vergoeding van planschade is ingediend, is haar belang niet rechtstreeks bij de toekenning van de planschade betrokken. Verweerder heeft haar dan ook terecht niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. Het beroep is ongegrond.

[naam 13]

2.4. [naam 33] is eigenares van de woning Statendijk [nr.] te [plaats 1] en

[naam 13] is eigenaar van een daarnaast gelegen landbouwloods met erf en ondergrond, en een aangrenzend perceel bouw- en grasland. [naam 33] en [naam 13] hebben gezamenlijk het verzoek om vergoeding van planschade ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 24 april 2008 het verzoek afgewezen. [naam 13] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

2.4.1. De rechtbank is van oordeel dat, omdat [naam 13] geen eigenaar is van de woning, zijn belang bij de afwijzing van het verzoek om vergoeding van planschade voor de woning niet rechtstreeks is betrokken. Nu [naam 13] in zoverre niet als belanghebbende is aan te merken, had [naam 13] voor zover het de woning betreft, in zijn bezwaar niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Verweerder heeft dit niet onderkend. De beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd. Het beroep is gegrond.

Aangezien het beroep van [naam 13] alleen de afwijzing van de vergoeding om planschade voor de woning betreft, kan de rechtbank de zaak zelf afdoen. De rechtbank zal het bezwaar van [naam 13] voor zover het de woning betreft, alsnog niet ontvankelijk verklaren.

Inhoudelijke aspecten

Schadeveroorzakend besluit

[naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 8], [naam 9], [naam 10], [naam 11], [naam 12], [naam 14], [naam 15], [naam 16], [naam 18], [naam 19], [naam 20], [naam 21], [naam 22], [naam 23], [naam 24], [naam 25], [naam 26], [naam 27], [naam 28], [naam 29] en [naam 30]

2.5. Ingevolge artikel 49 WRO, zoals die wet gold ten tijde hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan of het besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 of 19 (van de WRO) schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.5.1. Eisers hebben – in verschillende bewoordingen – materieel gesteld schade te hebben geleden als gevolg van het planologisch mogelijk maken van de plaatsing van vijf windturbines in de Hoofdplaatpolder en vergoeding van de geleden schade verzocht. Verweerder heeft de verzoeken ook als zodanig opgevat. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

2.5.2. Uit de stukken blijkt, dat het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Oostburg op 10 september 2002 (verzonden 30 oktober 2002) vergunning heeft verleend tot het oprichten van een windenergiepark met 5 stuks windturbines met bijbehorende civiele en elektrische infrastructuur op diverse percelen in de Hoofdplaatpolder, met verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, lid 2, WRO. Deze vergunning is bij de beslissing op bezwaar inzake de vergunning van 14 april 2003 niet herroepen, en is daarmee onherroepelijk geworden, nu niet is gebleken dat tegen dat besluit beroep is ingesteld.

Op grond van deze vergunning is de litigieuze plaatsing van de vijf windturbines in de Hoofdplaatpolder planologisch mogelijk geworden.

2.5.3. Verweerder heeft aan de beoordeling van de verzoeken om vergoeding van planschade het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, 4e herziening (windturbinepark)’, vastgesteld door de raad van de gemeente Oostburg op 19 september 2002, goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 25 februari 2003 en in werking getreden op 1 mei 2003, als het schadeveroorzakende besluit ten grondslag gelegd. Verweerder is daarmee ten onrechte voorbijgegaan aan het onder 2.6.2. beschreven besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 19 WRO, en heeft miskend dat dat besluit als het (eerste) schadeveroorzakende besluit moet worden aangemerkt. De bestreden besluiten alsmede de beslissingen op de verzoeken om vergoeding van planschade kunnen op grond hiervan niet in stand blijven.

De beroepen van [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 8], [naam 9], [naam 10], [naam 11], [naam 12], [naam 14], [naam 15], [naam 16], [naam 18], [naam 19], [naam 20], [naam 21], [naam 22], [naam 23], [naam 24], [naam 25], [naam 26], [naam 27], [naam 28], [naam 29] en [naam 30] zijn gegrond.

Overwegingen ten aanzien van zelf voorzien

3.1 Hoewel gelet op het voorgaande een beoordeling van de overige beroepsgronden achterwege kan blijven, ziet de rechtbank in dit geval vanwege proceseconomische redenen en het reeds verstreken tijdsverloop sinds de indiening van de verzoeken om vergoeding van planschade aanleiding om deze niettemin te beoordelen en daarbij te onderzoeken of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien.

Voorzienbaarheid

[naam 4]

3.2. Het door [naam 4] ingediende verzoek om vergoeding van planschade voor de woning Hogeweg [nr.] te Hoofdplaat is door verweerder afgewezen, omdat de planologische wijziging ten tijde van de aankoop van de woning voorzienbaar was. Deze afwijzing is bij het bestreden besluit gehandhaafd. In beroep is tegen deze motivering van het bestreden besluit niet opgekomen.

De rechtbank neemt in aanmerking, dat volgens vaste jurisprudentie de voorzienbaarheid van een planologische wijziging dient te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in nadelig opzicht zou veranderen.

[naam 4] heeft de woning aangekocht op 22 juni 2002. Uit de stukken is af te leiden dat op 17 september 2001 het voorontwerpbestemmingsplan Landelijk Gebied 4e herziening, waarin de plaatsing van de in geding zijnde windturbines planologisch regeling vindt, voor inspraak ter inzage is gelegd. Daarenboven is op 21 maart 2002 het bouwplan voor de windturbines met vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, WRO gedurende 4 weken ter inzage gelegd. De rechtbank is van oordeel dat eiser vanaf 17 september 2001, en in ieder geval vanaf 21 maart 2002, rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat de planologische situatie te zijnen nadeel zou veranderen, en dat mitsdien de planologische wijziging ten tijde van de aankoop van de woning voor [naam 4] voorzienbaar was.

Gelet hierop bepaalt de rechtbank dat rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover dit betrekking heeft op [naam 4], in stand blijven.

Planvergelijking

3.3. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de gestelde schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon, onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.

3.3.1. Uit de stukken blijkt, dat het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, 4e herziening (windturbinepark)’ onder meer door de binnenplanse vrijstelling opgenomen in artikel 4 van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ van de gemeente Oostburg (hierna: het moederplan) ruimere planologische mogelijkheden voor het oprichten van windturbines biedt dan thans op grond van de met vrijstelling verleende bouwvergunning voor de oprichting van de vijf windturbines is gerealiseerd. Uit dien hoofde is ook het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, 4e herziening (windturbinepark)’ als (tweede) schadeveroorzakend besluit aan te merken.

Voor het bepalen van de planschades moeten in het onderhavige geval dan ook twee planvergelijkingen worden gemaakt. De eerste ziet op de vergelijking tussen de bepalingen van het moederplan en de verleende vrijstelling op grond van artikel 19 WRO; de tweede ziet op de vergelijking tussen de verleende vrijstelling op grond van artikel 19 WRO en de bepalingen van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, 4e herziening (windturbinepark)’. Op basis van deze planvergelijkingen zouden afzonderlijke besluiten inzake de vergoeding van planschade dienen te worden genomen.

3.3.2. De rechtbank ziet bij het onderzoek of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, op proceseconomische gronden reden het gecumuleerde effect van beide planvergelijkingen in aanmerking te nemen en de in 3.3.1. bedoelde (beide) besluiten samen te nemen, alsmede als peildaum 1 mei 2003 aan te houden. Zij sluit hierbij aan bij partijen, die bij de bepaling van de planschades in het onderhavige geval eveneens zijn uitgegaan van een planvergelijking die ziet op de vergelijking tussen de bepalingen van het moederplan en de bepalingen van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, 4e herziening (windturbinepark)’.

3.3.3. De gronden waarop het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied, 4e herziening (windturbinepark)’ betrekking heeft, hadden op basis van het moederplan de bestemming ‘Agrarische doeleinden (A)’ zonder subbestemming. Op deze bestemming zijn de volgende bestemmingsvoorschriften, voor zover van belang, van toepassing:

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a:

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van de bepalingen van het plan voor het afwijken van de maximale toelaatbare goot- of boeibordhoogte c.q. de bouwhoogte, de afstand van een gebouw tot de perceelgrens, de maximaal toelaatbare oppervlakte en het aangegeven bebouwingspercentage met dien verstande dat de afwijking ten hoogste 15% mag bedragen.

Artikel 11 Agrarische doeleinden (A):

1. De gronden met de bestemming agrarische doeleinden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven alsmede voor kassen en niet-grondgebonden bedrijfsactiviteiten als neventak.

2. Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a. niet voor bewoning bestemde gebouwen;

b. per bedrijf ten hoogste één dienstwoning;

c. bouwwerken geen gebouwen zijnde;

met dien verstande dat een en nader slechts is toegestaan indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering gelet op de aard, inrichting, omvang en continuïteit van het bedrijf, nodig is.

3. Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. de gebouwen en silo’s moeten worden gebouwd binnen het bebouwingsvlak, behoudens het bepaalde onder f;

f. buiten de bebouwingsvlakken mogen uitsluitend worden gebouwd:

1.schuilgelegenheden en melkstallen met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste

50 m² per bedrijf en een goot-of boeibordhoogte van ten hoogste 3 meter;

2. schuren met een gezamenlijke oppervlakte van 100 m² per bedrijf en een goot- of

boeibordhoogte van ten hoogste 4 meter, uitsluitend ten behoeve van een

fruitteeltbedrijf;

3. bouwwerken geen gebouwen en mestopslagruimten zijnde.

4. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen:

d. voor overschrijding van de maximaal toelaatbare goot-of boeibordhoogte met ten hoogste 20%.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, sub b, mag de maximale toelaatbare bouwhoogte van gebouwen niet meer dan 4 meter afwijken van de maximaal toelaatbare goot- of boeibordhoogte.

In het kader van de 4e herziening hebben deze gronden nu de bestemming ‘Windturbinepark (WP)’gedeeltelijk voorzien van de aanduiding ‘(w)’. Op deze bestemming zijn de volgende bestemmingsvoorschriften, voor zover van belang, van toepassing:

Artikel 30A Windturbinepark (WP):

1. De gronden met de bestemming ‘Windturbinepark’ zijn bestemd voor windturbines en voorzieningen ten behoeve van windturbines.

2. Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a. ter plaatse van de gronden met de nadere aanwijzing (w): windturbines en voorzieningen ten behoeve van windturbines;

b. ter plaatse van gronden zonder nadere aanwijzing: voorzieningen ten behoeve van windturbines, geen windturbines zijnde;

een en ander met dien verstande dat rotoren van windturbines ook zijn toegestaan boven gronden zonder de nadere aanwijzing (w).

3. Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. de ashoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan 80 meter;

b. de rotordiameter van een windturbine mag niet meer bedragen dan 80 meter;

c. de hoogte van gebouwen ten behoeve van windturbines mag niet meer bedragen dan 4 meter.

4. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2 voor de bouw van een windturbine buiten gronden die zijn voorzien van de nadere aanwijzing (w), met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. vrijstelling kan worden verleend voor windturbines ter plaatse van gronden zonder de nadere aanwijzing (w);

c. een windturbine is toegestaan binnen een denkbeeldig vierkant met zijden van 60 bij 60 meter waarvan de zijden gelegen zijn op een afstand van 20 meter van het vierkant met de nadere aanwijzing (w);

d. een windturbine is toegestaan op een afstand van ten hoogste 20 meter van de gronden met de nadere aanwijzing (w).

Planschade

3.4. Verweerder heeft zijn besluiten op de verzoeken tot vergoeding van planschade gebaseerd op adviezen van Meeus Rentmeester BV (later Taxatie- en Advieskantoor Rijk; hierna: Rijk) en de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), beide deskundigen op het gebied van planschadevergoedingen.

Eisers kunnen zich niet vinden in de conclusies van deze deskundigen waar verweerder zich op beroept. Eisers onderbouwen hun standpunt onder meer met de door Verhagen Advies (hierna: Verhagen) uitgevoerde ‘Contra-expertise planschade inzake de verzoekers van de Hoofdplaatpolder en Oranjepolder, i.v.m. de vijf windturbines” van 29 oktober 2010 (hierna: rapport Verhagen).

3.4.1. Rijk, SAOZ en Verhagen hebben de geleden schades vastgesteld op het verschil tussen de waarde van de woningen net voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en de waarde van de woningen net na de inwerkingtreding van dat bestemmingsplan. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

[naam 30]

3.4.2. Het door [naam 30] ingediende verzoek om vergoeding van planschade voor de woning Statendijk [nr.] te Schoondijke is door verweerder afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat ook uit het rapport van Verhagen blijkt, dat met betrekking tot die woning (in de stukken ook aangeduid als Statendijk [nr.] te Schoondijke) geen sprake is van planschade. Ter zitting is dit door A. Streefkerk – Wegman, verbonden aan Verhagen, bevestigd.

Gelet hierop bepaalt de rechtbank dat rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover dit betrekking heeft op [naam 30], in stand blijven.

[naam 3], [naam 9], [naam 10], [naam 14], [naam 16], [naam 21], [naam 23], [naam 27] en [naam 29]

3.4.3. De door [naam 3], [naam 9], [naam 10], [naam 14], [naam 16], [naam 21], [naam 23], [naam 27] en [naam 29] ingediende verzoeken om vergoeding van planschade voor respectievelijk de woning Hogeweg [nr.] te Hoofdplaat, Sasput [nr.] te Schoondijke, Hogeweg [nr.] te Hoofdplaat, Hogeweg [nr.] te Hoofdplaat, Hogeweg [nr.] te Hoofdplaat, Hogeweg [nr.] te Hoofdplaat, Hogeweg [nr.] te Hoofdplaat, Hogeweg [nr.] te Hoofdplaat en Bosdijk [nr.] te [plaats 1] zijn door verweerder afgewezen.

Eisers stellen in beroep ieder, dat zij een planschade van € [bedrag] hebben geleden. Zij voeren aan dat zij schade hebben geleden als gevolg van geluidhinder, slagschaduw en slechter uitzicht, en verwijzen daartoe naar het rapport Verhagen. Ook bagatelschaden dienen vergoed te worden.

Verweerder stelt in beroep dat in deze gevallen geen sprake is van schade.Hij voert daartoe aan dat de woningen niet een zodanig nadeel ondervinden van de geluids- en slagschaduwhinder dat dit in de waarde van de woningen tot uiting komt.

De rechtbank neemt in aanmerking, dat ook geringe planschades vergoed moeten worden, indien aannemelijk is gemaakt dat zij zijn geleden. Nu ook door Verhagen de planschade wordt bepaald door het verschil in waarde van de woning voor en na het schadeveroorzakend besluit, acht de rechtbank een waardeverschil van € [bedrag] niet zonder meer te onderbouwen gelet op de bandbreedte waarbinnen deze waarderingen plaats vinden. In het rapport Verhagen is ook geen specifieke onderbouwing opgenomen, maar is volstaan met het opnemen van een forfaitair bedrag.

Daarbij is tevens in aanmerking te nemen dat uit artikel 3.12, eerste lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer is af te leiden, dat voor slagschaduw een hindercirkel van 12 keer de rotordiameter wordt aangehouden, waarbinnen onder bepaalde omstandigheden niet aanvaardbare slagschaduwhinder wordt ondervonden. De woningen van eisers liggen buiten deze hindercirkel. Deze is te stellen op circa 1000 meter, waarbij de rechtbank uitgaat van een rotordiameter van 80 meter, aangezien naar de bewoordingen van artikel 4 van de voorschriften van het moederplan de binnenplanse vrijstelling niet ziet op de afmeting van rotoren, en een mogelijke verplaatsing van de windturbine met - naar niet meer in geschil is - maximaal 23 meter. Op grond daarvan bestaat het vermoeden dat voor de in geschil zijnde woningen geen sprake is van onaanvaardbare slagschaduwhinder die een waardedrukkend effect op de woning heeft. Eisers hebben dit vermoeden niet ontzenuwd met de enkele stelling dat een redelijk handelend koper met de slagschaduw bij zijn aankoopbeslissing in meer of mindere mate rekening zal houden.

Voorts is in aanmerking te nemen, dat uit de geluidsrapporten die tot de stukken behoren, is af te leiden dat de geluidsbelasting als gevolg van de turbines bij de woningen van eisers niet boven het achtergrondgeluid uitkomt. De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 21 april 2010, nr. 200903402, LJN: BM1792, geen aanknopingspunt te zien voor het oordeel dat verweerder onder meer het akoestisch rapport van Schoonderbeek en Partners Advies BV niet aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft kunnen leggen wegens gebreken aan de wijze van meten. Eisers hebben de uitkomsten van deze geluidsrapporten ook in deze procedure in onvoldoende mate gemotiveerd bestreden.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij ieder een planschade hebben geleden van € [bedrag].

Gelet hierop bepaalt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten voor zover die betrekking hebben op [naam 3], [naam 9], [naam 10], [naam 14], [naam 16], [naam 21], [naam 23], [naam 27] en [naam 29], in stand blijven.

[naam 2], [naam 6], [naam 11], [naam 12], [naam 15], [naam 19], [naam 20], [naam 24] en [naam 28]

3.4.4. Aan [naam 2], [naam 6], [naam 11], [naam 12], [naam 15], [naam 19], [naam 20], [naam 24] en [naam 28] zijn vergoedingen voor planschade toegekend voor respectievelijk de woning Sasput [nr.] te Schoondijke, Slijkplaat [nr.] te Hoofdplaat, Oranjedijk [nr.] te IJzendijke, Sasput [nr.] te Schoondijke, Slijkplaat [nr.] te Hoofdplaat, Hogewegdijk [nr.] te Hoofdplaat, Oranjedijk [nr.] te IJzendijke, Westlangeweg [nr.] te Hoofdplaat en Sasput [nr.] te Schoondijke.

Eisers stellen in beroep ieder, dat het bedrag van de planschadevergoeding te laag is vastgesteld. Zij voeren aan dat zij meer schade hebben geleden als gevolg van geluidhinder, slagschaduw en slechter uitzicht dan waarmee bij de planschadevergoeding rekening is gehouden, en verwijzen daartoe naar het rapport Verhagen.

Uit dit rapport zijn de verschillen in waarde van de woning voor en na het schadeveroorzakend besluit als volgt af te leiden:

Woning waarde voor waarde na verschil percentage waardedaling

Sasput [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 3,4%

Sasput [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 3,4%

Sasput [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 3,3%

Slijkplaat [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 3,4%

Slijkplaat [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 3,5%

Oranjedijk [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 2,9%

Oranjedijk [nr.] € [bedrag] € [bedrag] €[bedrag] 4,4%

Hogewegdijk [nr.]€ [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 4,0%

Westlangeweg [nr.]€ [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 3,4%

Verweerder stelt in beroep dat in deze gevallen geen hogere schade is geleden dan is toegekend. Hij verwijst daartoe naar de rapporten van Rijk.

Uit die rapporten zijn de verschillen in waarde van de woning voor en na het schadeveroorzakend besluit als volgt af te leiden:

Woning waarde voor waarde na verschil percentage waardedaling

Sasput [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 2,4%

Sasput [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 2,3%

Sasput [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 2,2%

Slijkplaat [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 2,0%

Slijkplaat [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 2,2%

Oranjedijk [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 1,0%

Oranjedijk [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 3,1%

Hogewegdijk [nr.]€ [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 3,6%

Westlangeweg [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 2,4%

3.4.4.1. De rechtbank neemt in aanmerking dat in het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, 4e herziening (windturbinepark)’ geen voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot de capaciteit van de windturbines. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 april 2010, nr. 200903402, LJN: BM1792, is af te leiden en tussen partijen is, zoals de rechtbank ter zitting heeft vastgesteld, niet in geschil, dat op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) nog enige vergroting van geluidsproduktie mogelijk is ten opzichte van de thans geplaatste windturbines. In de rapporten van Rijk is hieraan voorbijgegaan, omdat bij de planvergelijking Rijk is uitgegaan van de feitelijke situatie. Op grond daarvan is die planvergelijking niet overeenstemming met hetgeen hieromtrent in rechtsoverweging 3.3. is overwogen, en vindt enige onderschatting van de geluidhinder plaats.

Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat op grond van de binnenplanse vrijstelling opgenomen in artikel 30A, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied, 4e herziening (windturbinepark)’ ook windturbines zijn toegelaten buiten de vlakken die op de plankaart met een nadere aanwijzing (w) zijn aangeduid. Niet meer in geschil is dat een windturbine kan worden toegestaan op maximaal 23 meter van bovengenoemde vlakken. Dit kan gevolgen hebben voor de beoordeling van minder uitzicht en de geluids- en slagschaduwhinder. In de rapporten van Rijk is hieraan voorbijgegaan.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat Rijk bij de beoordeling of er sprake is van een verslechtering van de kwaliteit van de woonomgeving uitgaat van een aantasting van het gebied in de nabije omgeving van de woning. Ter zitting heeft M. Provoost, verbonden aan Rijk, nader uiteengezet dat alleen erf en tuin van de woning alsmede de direct daaraan grenzende gronden in aanmerking zijn genomen bij deze beoordeling en dat de windturbines als zodanig daarvoor niet zijn meegenomen omdat zij buiten dit gebied liggen. Aan de hand van ter zitting getoonde foto’s hebben eisers echter aannemelijk gemaakt, mede in aanmerking genomen dat de windturbines bewegende objecten zijn, dat de verslechtering van de kwaliteit van de woonomgeving moet worden bezien over een ruimer gebied dan alleen erf en tuin van de woning alsmede de direct daaraan grenzende gronden en de zichtbaarheid van de windturbines moet worden meegewogen.

Dit alles in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat door Rijk de geluidhinder, de slagschaduwhinder en het mindere uitzicht in zekere mate zijn onderschat.

3.4.4.2. Ter zitting hebben [naam 2], [naam 6], [naam 11],

[naam 12], [naam 15], [naam 19], [naam 20], [naam 24] en [naam 28] de door hen gestelde planschades nader bepaald op de bedragen die zijn opgenomen in het rapport Verhagen.

Gelet op de beperkte verschillen tussen die bedragen en de door Rijk bepaalde vergoedingen voor planschade, begroot de rechtbank, rekening houdend met de omstandigheid dat door Rijk schadebepalende elementen zijn onderschat, de vergoedingen voor planschade voor deze eisers in redelijkheid en billijkheid op de bedragen die in het rapport Verhagen voor hen zijn opgenomen.

De rechtbank stelt de vergoedingen voor planschade vast voor [naam 2] op

€ [bedrag], voor [naam 6] op € [bedrag], voor [naam 11] op € [bedrag], voor [naam 12] op

€ [bedrag], voor [naam 15] op € [bedrag], voor [naam 19] op € [bedrag], voor [naam 20] op € [bedrag], voor [naam 24] op € [bedrag] en voor [naam 28] op € [bedrag], al deze bedragen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek te verhogen met de wettelijke rente.

[naam 5], [naam 7], [naam 8], [naam 22] en [naam 25]

3.4.5. Aan [naam 5], [naam 7], [naam 8], [naam 22] en [naam 25] zijn vergoedingen voor planschade toegekend voor respectievelijk de woning Oranjedijk [nr.] te IJzendijke, Westlangeweg [nr.] te Hoofdplaat, Westlangeweg [nr.] te Hoofdplaat, Kruisweg [nr.] te Hoofdplaat en Hogewegdijk [nr.] te Hoofdplaat.

Eisers stellen in beroep ieder, dat het bedrag van de planschadevergoeding te laag is vastgesteld. Zij voeren aan dat zij meer schade hebben geleden als gevolg van geluidhinder, slagschaduw en slechter uitzicht dan waarmee bij de planschadevergoeding rekening is gehouden, en verwijzen daartoe naar het rapport Verhagen.

Uit dit rapport zijn de verschillen in waarde van de woning voor en na het schadeveroorzakend besluit als volgt af te leiden:

Woning waarde voor waarde na verschil percentage waardedaling

Oranjedijk [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 5,0%

Westlangeweg[nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 2,1%

Westlangeweg[nr.] €[bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 2,0%

Kruisweg [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 4,9%

Hogewegdijk [nr.]€ [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 4,0%

Verweerder stelt in beroep dat in deze gevallen geen hogere schade is geleden dan is toegekend. Hij verwijst daartoe naar de rapporten van Rijk en SAOZ.

Uit die rapporten zijn de verschillen in waarde van de woning voor en na het schadeveroorzakend besluit als volgt af te leiden:

Woning waarde voor waarde na verschil percentage waardedaling

Oranjedijk [nr.] [bedrag] € [bedrag € [bedrag] 3,6%

Westlangeweg [nr.] geen

Westlangeweg [nr.] geen

Kruisweg [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 2,5%

Hogewegdijk [nr.]€ [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 1,1%

3.4.5.1. De rechtbank neemt in aanmerking dat de woningen van deze eisers de bestemming ‘Agrarische doeleinden (A)’ hebben. De agrarische bedrijfsvoering op deze percelen is gestaakt en de bijbehorende gronden zijn verkocht. De voormalige agrariërs zijn de bedrijfswoningen blijven bewonen als burgerwoningen. Ter zitting heeft verweerder opgemerkt, dat in het thans in procedure zijnde nieuwe bestemmingsplan aan deze woningen een woonbestemming zal worden toegekend.

De rechtbank sluit onder deze omstandigheden met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uit, dat deze woningen nog als bedrijfswoning zullen worden gebruikt, en is van oordeel dat zij naar dezelfde maatstaven als die van burgerwoningen moeten worden gewaardeerd.

Rijk heeft deze maatstaven aangelegd in zijn rapporten inzake de woningen Oranjedijk [nr.], Westlangeweg [nr.] en Kruisweg [nr.]. Ter zitting is met betrekking tot de woning Kruisweg [nr.] opgemerkt, dat deze woning door zijn ligging tussen de windturbines het meest heeft geleden. De rechtbank is van oordeel, mede gelet op de hiervoor beschreven uiteenzetting ter zitting van M. Provoost inzake de verslechtering van de kwaliteit van de woonomgeving, dat in dit geval schadebepalende elementen meer zijn onderschat dan ten aanzien van de andere woningen.

SAOZ heeft de woningen Westlangeweg [nr.] en Hogewegdijk [nr.] gewaardeerd als bedrijfswoningen, en daarmee schadebepalende elementen onderschat. Tevens is in de rapporten van SAOZ onvoldoende gemotiveerd uiteengezet op welke wijze de geluidhinder is gewaardeerd.

3.4.5.2. Ter zitting hebben [naam 5], [naam 7], [naam 8],

[naam 22] en [naam 25] de door hen gestelde planschades nader bepaald op de bedragen die zijn opgenomen in het rapport Verhagen.

Gelet op de beperkte verschillen tussen die bedragen voor de woningen Oranjedijk [nr.], Westlangeweg [nr.] en Kruisweg [nr.] en de door Rijk bepaalde vergoedingen voor planschade, begroot de rechtbank, rekening houdend met de omstandigheid, zoals in rechtsoverweging 3.4.4.1 en 3.4.5.1 is overwogen, dat door Rijk schadebepalende elementen zijn onderschat, de vergoedingen voor planschade voor deze woningen in redelijkheid en billijkheid op de bedragen die in het rapport Verhagen zijn opgenomen.

Gelet op het bedrag dat voor de woning Westlangeweg [nr.] in het rapport Verhagen is opgenomen op grond van de toeneming van geluidhinder die op grond van de geluidsrapportages aannemelijk is, en de door de rechtbank hiervoor vastgestelde vergoeding voor planschade voor de woning Hogewegdijk [nr.] mede op grond van de door Rijk in aanmerking genomen geluidhinder, begroot de rechtbank, rekening houdend met de omstandigheid, zoals in rechtsoverweging 3.4.5.1 is overwogen, dat door SAOZ schadebepalende elementen zijn onderschat, de vergoedingen voor planschade voor de woningen Westlangeweg [nr.] en Hogewegdijk [nr.] in redelijkheid en billijkheid op de bedragen die in het rapport Verhagen zijn opgenomen.

De rechtbank stelt de vergoedingen voor planschade vast voor [naam 5] op € [bedrag] voor [naam 7] op € [bedrag] voor [naam 8] op € [bedrag] voor [naam 22] op € [bedrag] en voor [naam 25] op € [bedrag] al deze bedragen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek te verhogen met de wettelijke rente.

[naam 18] en [naam 26]

3.4.6. Het door [naam 18] ingediende verzoek om vergoeding van planschade voor de woning Westlangeweg [nr.] te Hoofdplaat is door verweerder afgewezen. Aan [naam 26] is door verweerder een vergoeding van planschade toegekend van € [bedrag] voor de woning Hogewegdijk [nr.] te Hoofdplaat.

Eiser stellen in beroep, dat ten onrechte geen vergoeding voor planschade is toegekend dan wel dat het bedrag van de planschadevergoeding te laag is vastgesteld. Zij voeren aan dat zij (meer) schade hebben geleden als gevolg van geluidhinder, slagschaduw en slechter uitzicht dan waarmee bij de planschadevergoeding rekening is gehouden, en verwijzen daartoe naar het rapport Verhagen.

Uit dit rapport zijn de verschillen in waarde van de woning voor en na het schadeveroorzakend besluit als volgt af te leiden:

Woning waarde voor waarde na verschil percentage waardedaling

Westlangeweg [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 3,4%

Hogewegdijk [nr.] € [bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 4.0%

Verweerder stelt in beroep dat in deze gevallen geen schade dan wel geen hogere schade is geleden dan is toegekend. Hij verwijst daartoe naar de rapporten van SAOZ.

Uit die rapporten zijn de verschillen in waarde van de woning voor en na het schadeveroorzakend besluit als volgt af te leiden:

Woning waarde voor waarde na verschil percentage waardedaling

Westlangeweg [nr.] geen

Hogewegdijk [nr.] €[bedrag] € [bedrag] € [bedrag] 1,1%

3.4.6.1 De rechtbank neemt in aanmerking dat de beide woningen bedrijfswoningen zijn. [naam 18] is hovenier. [naam 26] is agrariër die tevens een minicamping drijft.

SAOZ heeft deze woningen als zodanig gewaardeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is in de rapporten van SAOZ echter onvoldoende gemotiveerd uiteengezet op welke wijze de geluidhinder is gewaardeerd. De rechtbank wijst in dit kader op de aanmerkelijke verschillen in geluidhinder waarmee Rijk bij de woning Westlangeweg [nr.] (7 dB(A)) en bij de woning Hogeweg [nr.] (8 dB(A)) rekening heeft gehouden. Op grond daarvan neemt de rechtbank uitkomsten van de rapporten van SAOZ niet zonder meer als grondslag voor haar beslissing.

Aan de andere kant heeft Verhagen de beide woningen beoordeeld als burgerwoningen. De uitkomsten van het rapport Verhagen neemt de rechtbank daarom ook niet zonder meer als grondslag voor haar beslissing.

Op grond hiervan heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om zelf in de zaak te voorzien. Gelet op de reeds verstreken tijd sinds de indiening van de verzoeken is de rechtbank van oordeel dat met passende spoed opnieuw op de bezwaren dient te worden beslist.

De rechtbank draagt verweerder op vóór 1 april 2011 opnieuw op de bezwaren van [naam 18] en [naam 26] te beslissen.

III. Proceskosten

4.1. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers. Die kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit), waarin voor kosten voor het inschakelen van een deskundige en verletkosten wordt verwezen naar de Wet tarieven strafzaken, als volgt vast.

De kosten van beroepsmatig verleende rechtshulp stelt de rechtbank vast op € 2.622 uitgaande van vier of meer samenhangende zaken van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen. Met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit heeft de rechtbank, gelet op de grote omvang van het aantal betrokkenen, de in de bijlage van het Besluit genoemde factor van 1,5 voor vier of meer samenhangende zaken verhoogd tot 3.

De rechtbank is van oordeel dat voorts de kosten van de door eisers ingeschakelde deskundige voor vergoeding in aanmerking komen. Zij overweegt hierbij dat de bijdrage van de deskundige in relevante mate heeft bijgedragen aan de uitkomst van deze procedure.

Eisers hebben voor de kosten voor de door hen ingeschakelde deskundige verwezen naar de door deze uitgebrachte offerte. De kosten van de contra-expertise zijn gesteld op € 4.500,- exclusief btw. In dit bedrag zijn reiskosten begrepen. Voorts heeft de deskundige € 1.500,- gerekend voor het bijwonen van de zitting, inclusief reiskosten. De offerte is verder niet gespecificeerd.

Uit deze gegevens leidt de rechtbank af dat gelet op het door de deskundige genoemde uurtarief van € 150,- aan het vervaardigen van de contra-expertise dertig uren zijn besteed. Gelet op het specialisme van de deskundige acht de rechtbank het hoogste uurtarief van

€ 81,23 genoemd in het Besluit tarieven strafzaken van toepassing. De rechtbank stelt de kosten voor de contra-expertise vast op € 2.436,90. Voor de deelname aan de zitting gaat de rechtbank gelet op het uurtarief uit van tien uren à € 81,23 in totaal € 812,30. Het totaal van de kosten van de door eisers ingeschakelde kosten stelt de rechtbank vast op € 3.249,20.

Tenslotte heeft een aantal eisers verletkosten gesteld. De kosten van [naam 8] zijn gesteld op € 152,65 en door [naam 5] gesteld op € 199,90. Die kosten acht de rechtbank met in achtneming van artikel 2, eerste lid en onder d, van het Besluit niet onredelijk. Gelet hierop stelt de rechtbank de proceskosten voor [naam 8] vast op € 152,65. De proceskosten voor [naam 5] stelt de rechtbank vast op € 199,90.

Gelet op de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van [naam 17] komen diens proceskosten niet voor vergoeding door verweerder in aanmerking.

4.2. Met betrekking tot de door [naam 15] gevraagde vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, is de rechtbank bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij is onder meer artikel 7:15, tweede lid, van de Awb van toepassing, dat bepaalt, dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De omstandigheid dat verweerder voor de vaststelling van de hoogte van de vergoeding van de door eiser geleden planschade ten onrechte uit is gegaan van een onjuist schadeveroorzakend besluit en van het door Rijk opgemaakte planschadeadvies, vormt voor de rechtbank aanleiding om ten laste van verweerder aan [naam 15] voor de schriftelijke bezwaarschriftenprocedure een vergoeding toe te kennen van € 322,- (één punt).

IV. Beslissing

De Rechtbank Middelburg

I. verklaart de beroepen van SAWH en [naam 17] niet ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [naam 1] ongegrond;

III. verklaart de beroepen van [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 8], [naam 9], [naam 10], [naam 11], [naam 12], [naam 13], [naam 14],

[naam 15], [naam 16], [naam 18], [naam 19], [naam 20], [naam 21],

[naam 22], [naam 23], [naam 24], [naam 25], [naam 26],

[naam 27], [naam 28], [naam 29] en [naam 30] gegrond;

IV. vernietigt het bestreden besluit van 26 november 2009 voor zover het betreft [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6],

[naam 7], [naam 8], [naam 9], [naam 10], [naam 11],

[naam 12], [naam 13] voor zover het betreft de woning, [naam 14], [naam 15], [naam 16], [naam 18], [naam 19], [naam 20], [naam 21], [naam 22],

[naam 23], [naam 24], [naam 25], [naam 26], [naam 27],

[naam 28], [naam 29] en [naam 30];

V. verklaart het bezwaar van [naam 13], voor zover het betreft de woning, niet ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit in zoverre;

VI. vernietigt het besluit van 28 februari 2008, de besluiten van 24 april 2008 voor zover het betreft [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 9], [naam 10], [naam 11], [naam 12], [naam 14], [naam 15], [naam 16], [naam 19], [naam 20], [naam 22], [naam 23], [naam 24], [naam 25], [naam 27], [naam 28], [naam 29] en [naam 30], en het besluit van 22 mei 2008;

VII. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de besluiten van 24 april 2008 voor zover het betreft

[naam 3], [naam 4], [naam 9], [naam 10], [naam 14],

[naam 16], [naam 23], [naam 27], [naam 29] en [naam 30], en het besluit van 22 mei 2008 in stand blijven;

VIII. stelt de vergoedingen voor planschade vast voor [naam 2] op

€ [bedrag], voor [naam 5] op € [bedrag], voor [naam 6] op € [bedrag], voor [naam 7] op € [bedrag], voor [naam 8] op € [bedrag], voor [naam 11] op € [bedrag], voor

[naam 12] op € [bedrag], voor [naam 15] op € [bedrag], voor [naam 19] op € [bedrag], voor [naam 20] op € [bedrag], voor [naam 22] op € [bedrag], voor [naam 24] op € [bedrag], voor [naam 25] op € [bedrag] en voor [naam 28] op € [bedrag], al deze bedragen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek te verhogen met de wettelijke rente, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 28 februari 2008 en de vernietigde besluiten van 24 april 2008 voor zover het betreft [naam 2], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 11], [naam 12], [naam 15], [naam 19], [naam 20], [naam 22], [naam 24], [naam 25] en [naam 28];

IX. draagt verweerder op voor 1 april 2011 opnieuw op de bezwaren van [naam 18] en

[naam 26] te beslissen;

X. veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 8], [naam 9], [naam 10], [naam 11], [naam 12], [naam 13], [naam 14], [naam 15], [naam 16], [naam 18], [naam 19], [naam 20], [naam 21],

[naam 22], [naam 23], [naam 24], [naam 25], [naam 26],

[naam 27], [naam 28], [naam 29] en [naam 30] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.871,20, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

XI. veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij [naam 15] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,-;

XII. veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij [naam 8] in verband met de behandeling met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 152,65 voor verletkosten;

XIII. veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij [naam 5] verband met de behandeling met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 199,90 voor verletkosten;

XIV. gelast dat verweerder aan [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 8], [naam 9], [naam 10], [naam 11], [naam 12], [naam 13], [naam 15],

[naam 16], [naam 18], [naam 19], [naam 20], [naam 21], [naam 22],

[naam 23], [naam 24], [naam 25], [naam 26], [naam 27], [naam 28], [naam 29] en [naam 30] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en aan [naam 14] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.K.W. Bartel als voorzitter en mr. A.W. Ente en

mr. I. Dijkman als leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier en op 23 december 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak zijn de beroepen (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: 23 december 2010