Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BP6098

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
23-08-2010
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
203156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het bijten van een opsporingsambtenaar tijdens de aanhouding van gedaagde levert in casu een onrechtmaitge daad op, gepleegd door gedaagde, jegens de opsporingsambtenaar.

De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt toegwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/164

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

Locatie Middelburg

zaak/rolnr.: 203156 / 10-2055

vonnis van de kantonrechter d.d. 23 augustus 2010

in de zaak van

[partij A],

domicilie kiezende te [adres],

eisende partij,

verder te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. G.I.M.M. Dierikx,

t e g e n :

[partij B],

wonende te [adres],

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. R.T.K. Davidse.

het verdere verloop van de procedure

Na het tussenvonnis van 3 mei 2010 is de procedure als volgt verlopen:

- mondelinge behandeling van 19 juli 2010.

de beoordeling van de zaak

1. [Eiser] is politieagent van het wijkteam [adres]. Op 24 september 2009 heeft [eiser] [gedaagde] aangehouden op verdenking van het plegen van vernieling. [Gedaagde] heeft zich verzet tegen zijn aanhouding. [Gedaagde] heeft [eiser] uitgescholden, getracht zich los te rukken en hij heeft [eiser] in diens onderarm gebeten. [Gedaagde] is bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 30 september 2009 veroordeeld voor onder meer belediging en wederspannigheid terwijl het door hem gepleegde misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Het op tegenspraak gewezen vonnis is onherroepelijk geworden.

2. [Eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 1.000,000 ter zake van immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 150,00, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. [Eiser] heeft daartoe gesteld dat [gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem te bijten en te beledigen. [Eiser] heeft daardoor schade geleden. Doordat [gedaagde] “Batty boy” naar hem geroepen heeft voelde hij zich aangetast in zijn eer en goede naam. Doordat hij gebeten was heeft hij antibiotica moeten gebruiken. Hij heeft last gehad van de bijwerkingen daarvan. Daardoor heeft hij twee weken niet kunnen sporten en heeft hij bureauwerk moeten doen. [Eiser] heeft door de bijtwond een litteken op zijn arm, dat nog steeds niet helemaal verdwenen is. Ook heeft hij in onzekerheid gezeten over mogelijke besmettingen met HIV en hepatitis.

3. [Gedaagde] heeft de vordering bestreden. Volgens hem moest hij [eiser] wel bijten omdat [eiser] bij hem een nekklem had aangelegd en hij in ademnood raakte. Er was dus volgens [gedaagde] sprake van een rechtvaardigingsgrond, dan wel psychische overmacht. [Gedaagde] stelt dat het bij de aanhouding gebruikte geweld disproportioneel was. Volgens [gedaagde] heeft hij [eiser] niet aangetast in zijn eer en goede naam door “Batty boy” te roepen. Hiermee uitte hij slechts zijn onvrede over het handelen van [eiser]. De vrees voor besmetting die [eiser] had, acht [gedaagde] ongegrond.

4. De kantonrechter overweegt als volgt. Een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dwingend bewijs op van dat feit. In deze procedure staat dus vast dat [gedaagde] [eiser] heeft beledigd en dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan wederspannigheid waardoor [eiser] letsel heeft opgelopen. Indien er, zoals [gedaagde] heeft betoogd, sprake was geweest van een rechtvaardigingsgrond of psychische overmacht, was [gedaagde] niet veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf. Ook overigens is ook niet gebleken dat [gedaagde] niet anders kon handelen dan [eiser] te bijten. Dat verweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen. Datzelfde geldt voor het verweer dat hij [eiser] niet in zijn eer of goede naam heeft aangetast, maar slechts zijn onvrede heeft geuit. De politierechter heeft immers belediging bewezen geacht. De definitie van belediging is het aantasten van iemands eer of goede naam. De kantonrechter is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten een onrechtmatige daad opleveren jegens [eiser]. Vervolgens komt de vraag aan de orde of [eiser] hierdoor immateriële schade heeft geleden. De kantonrechter is van oordeel dat dat het geval is. Het bijten van iemand is niet alleen pijnlijk, maar ook een ernstige inbreuk op diens lichamelijke integriteit. Het is zeer aannemelijk dat [eiser] in spanning heeft gezeten over de vraag of hij besmet was. Daarbij is de afkomst van [gedaagde] niet van belang. De angst voor besmetting bij bijtwonden, waarbij er contact is geweest of heeft kunnen zijn tussen het bloed van de dader en het slachtoffer is altijd reëel, omdat immers aan de buitenkant niet te zien is of iemand drager is van een besmettelijke ziekte. Die onzekerheid veroorzaakt mede de angst. Dat antibiotica bijwerkingen kan hebben waarvan de gebruiker last kan hebben is een feit van algemene bekendheid. Aangezien de hoogte van de schade niet nauwkeurig vast te stellen is, zal de kantonrechter de schade op grond van artikel 6:97 BW moeten schatten. Rekening houdend met uitspraken in min of meer vergelijkbare zaken, bepaalt de kantonrechter de schade op € 750,00. De gevorderde incassokosten zullen worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 150,00 exclusief BTW, omdat voldoende is gebleken dat deze kosten zijn gemaakt. De rentevordering zal worden toegewezen vanaf 31 december 2009, zijnde de dag waarop [gedaagde] in verzuim geraakte.

5. [Gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

de beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 750,00 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 december 2009;

veroordeelt [gedaagde] om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 150,00 exclusief BTW wegens buitengerechtelijke incasokosten;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [eiser] tot op heden worden begroot op € 445,93, waaronder begrepen een bedrag van € 200,00 wegens salaris van de gemachtigde van [eiser];

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.J.C. van Spronssen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.