Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BP5774

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
08-04-2010
Datum publicatie
25-02-2011
Zaaknummer
72516 / KG 2010-54
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De burgemeester van de gemeente Veere heeft - op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth)- verzoeker een verlenging van een al eerder besloten huisverbod opgelegd. Tegen dit verlengingsbesluit heeft verzoeker op 6 april 2010, ingekomen 7 april 2010, beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel

Procedurenummer: 72516 Kort geding nr. 2010-54

Uitspraakdatum: 8 april 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[verzoeker], wonende te [woonplaats]

verzoeker,

gemachtigde mr. J. Ossewaarde, advocaat te Middelburg,

tegen

de burgemeester van de gemeente Veere, te Veere,

verweerder,

Het bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 6 april 2010.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2010 heeft verweerder - op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth)- verzoeker een huisverbod opgelegd, ingaande op 27 maart 2010 20.00 uur tot 6 april 2010 20.00 uur.

Bij besluit van 6 april 2010 heeft verweerder – op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth – het aan verzoeker opgelegde huisverbod verlengd tot 24 april 2010 om 20.00 (hierna te noemen: het verlengingsbesluit).

Tegen dit verlengingsbesluit heeft verzoeker op 6 april 2010, ingekomen 7 april 2010, beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeker heeft op 7 april 2010 voorts beroep ingesteld tegen het besluit van 27 maart 2010.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 8 april 2010 behandeld ter zitting. Verzoeker is aldaar verschenen, bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [betrokkene1] en [betrokkene2], beiden werkzaam bij de gemeente Veere.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008 door mr. S.M.J. van Dijk, in aanwezigheid van mr. W. Evenhuis, griffier.

De belanghebbenden, [belanghebbende] (verder: [belanghebbende]), en de kinderen [belanghebbende2] en [belanghebbende3] (die beiden ouder zijn dan 12 jaar), zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.

1. Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

2. Overwegingen

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het besluit van 6 april 2010 in de beroepsprocedure in rechte stand zal kunnen houden, nu, anders dan door verzoeker is gesteld, geen sprake is van een in strijd met de Wth genomen besluit.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wth wordt onder huisverbod verstaan een beschikking inhoudende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wth kan, voor zover thans van belang, de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van de Wth.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

Namens verweerder is aangevoerd dat een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening ontbreekt. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker door het opgelegde huisverbod zijn woning niet zal kunnen betreden en niet met zijn kinderen zal kunnen omgaan. Deze beperkingen zijn voldoende voor het aannemen van een spoedeisend belang.

Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat, anders dan verzoeker heeft gesteld, uit de stukken niet is gebleken dat verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze te geven.

Verweerder heeft het verlengingsbesluit gebaseerd op het advies van 6 april 2010 van het Advies en Steunpunt Huiselijk Geweld Zeeland (ASHGZ). Daaruit blijkt dat geen afname is van de dreiging van geweld. Er bestaat nog steeds een reële en ernstige kans op escalatie. De relatie tussen verzoeker en [belanghebbende] is dusdanig verstoord dat een samen zijn zonder ruzie niet meer mogelijk is. Een herhaling van ruzies wordt voor de kinderen die daar getuige van zijn onwenselijk geacht. Verzoeker heeft gedreigd met het in brand steken van de gezamenlijke woning. In het advies wordt nog verwezen naar het eerdere in februari 2010 opgelegde huisverbod. De periode van de verlenging kan worden gebruikt om de gevolgen van de verbreking van de samenleving tussen verzoeker en [belanghebbende] te regelen door het zoeken van passende woonruimte voor [belanghebbende]. Er loopt een kort geding procedure waarin [belanghebbende] heeft gevraagd om het tijdelijke gebruik van de gezamenlijke woning zolang die passende woonruimte nog niet is gevonden. Voorts kan een omgangsregeling met de kinderen worden getroffen, aldus het advies.

Uit de inhoud van het Risco-taxatie instrument Huiselijk Geweld (RiHG) dat verweerder eveneens ten grondslag heeft gelegd aan het besluit van 27 maart 2010 blijkt onder meer van signalen ten aanzien van verbale dreiging, psychisch en fysiek geweld. Uit het procesverbaal van bevindingen van de hulpofficier van 27 maart 2010 blijkt dat tussen verzoeker en [belanghebbende] woorden zijn ontstaan over de verbreking van hun samenleving. Op 26 maart en 27 maart 2010 heeft dit geleid tot schelden en spugen door verzoeker. Verder heeft verzoeker [belanghebbende], na ruzie over de mobiele telefoon waarmee hij opnames had gemaakt van [belanghebbende], geslagen en gebeten. Hiervan waren enkelen van de kinderen getuige.

Ter zitting heeft verzoeker de vastgestelde feiten als zodanig erkend. Hij heeft deze in de context geplaatst van de relatieproblematiek en daarmee aangegeven dat hij is getergd en tot zijn handelingen uitgedaagd. Aldus betwist hij niet dat het gevaar voor escalatie en (dus) geweld nog steeds bestaat. Voorts is ter zitting gebleken dat ten tijde van het nemen van verlengingsbesluit hulpverlening nog niet op gang was gekomen. In het advies van het ASHGZ is daartoe gesteld dat verzoeker geen hulp accepteert. Op 2 april 2010 is door de beleidsmedewerker van verweer der met verzoeker hierover gesproken. Verzoeker heeft ter zitting verweerders conclusie over de aanvaarding van hulp bestreden, maar uit het betoog van verzoeker heeft de voorzieningenrechter afgeleid dat verzoeker hulp niet in de eerste plaats voor zichzelf wil, maar die vooral betrekt op de gezinssituatie. Daarmee laat hij zien zijn eigen positie in het gezin en zijn eigen bijdrage aan de thans ontstane situatie van escalatie onvoldoende in te zien. Ook op deze grond is aannemelijk dat er (nog) gevaar voor geweld is, terwijl er voorts nog geen reële aanvang is gemaakt met in dit verband adequate hulpverlening.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden en de bevindingen daarover van verweerder, die door verzoeker niet afdoende zijn bestreden, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de dreiging van het gevaar of het ernstig vermoeden daarvan nog steeds niet is geweken. Verweerder was derhalve bevoegd tot het verlengen van het opgelegde huisverbod. Van een onjuiste belangenafweging is de voorzieningenrechter niet gebleken zodat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het huisverbod te verlengen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Waarvan proces-verbaal,

de griffier de voorzieningenrechter

mr. W. Evenhuis S.M.J. van Dijk