Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BP5654

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
9116 / HA ZA 96-21
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over aardnoten uit China. In 1993 in Vlissingen uitgeladen. Eiseres kon niet aantonen dat de noten in vervoersgeschikte staat zijn afgeleverd en de vordering werdt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 9116 / HA ZA 96-21

Vonnis van 16 juni 2010

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Eiser sub1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats harer vestiging

[Eiser sub2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de rechtspersoon naar het recht van de plaats harer vestiging

[Eiser sub3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. R. de Haan / mr. G.W. Oreel

procesadvocaat mr. K.P.T.G. Flos,

tegen

1. de rechtspersoon naar het recht van de plaats harer vestiging

[Gedaagde sub1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats harer vestiging

[Gedaagde sub2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen

procesadvocaat mr. J.C. Bode 't Hart.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk [Eiser c.s.] genoemd worden en ieder afzonderlijk [eiser sub1], [eiser sub2] en [eiser sub3].

Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagde c.s.] genoemd worden en ieder afzonderlijk [eiser sub1] en [eiser sub2].

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie

- akte in reconventie zijdens [gedaagde c.s.]

- antwoordakte in reconventie zijdens [Eiser c.s.]

- akte zijdens [gedaagde c.s.]

- antwoordakte in conventie zijdens [Eiser c.s.]

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

In conventie en in reconventie

[eiser sub1], althans [eiser sub2], heeft op of omstreeks 30 juni 1993, blijkens een ordercognossement genummerd 1 en gesteld op het formulier van [eiser sub1], te Quindao ter vervoer naar Rotterdam een partij van 200.000 kilo Chinese groundnut kernels – verder grondnoten – ontvangen aan boord van het [naam], welk schip eigendom was van, althans werd gereed door [eiser sub2].

De partij grondnoten is in afwijking van het in het cognossement gestelde in Vlissingen gelost. In Vlissingen heeft [eiser sub1] zich gemeld om uitlevering te verkrijgen.

De lading was eigendom en reisde voor risico van [eiser sub2].

De lading was tegen transportschade verzekerd door [eiser sub3] en andere verzekeraars die schade aan [eiser sub2] hebben uitgekeerd.

Ter voorkoming van conservatoir beslag zijn partijen overeengekomen dat voor de vordering onder cognossement 1 namens [gedaagde c.s.] een garantie zou worden gesteld voor een bedrag van USD 170.000,--. Deze garantie is op 9 september 1994 gesteld.

Het geschil

in conventie

[Eiser c.s.] vorderen - samengevat -, na vermindering van eis, veroordeling van [gedaagde c.s.], hoofdelijk, om aan [eiser sub1], althans [eiser sub2], althans [eiser sub3] een bedrag te betalen van aan hoofdsom USD 54.417,25, dan wel de tegenwaarde in Nederlands wettige courant berekend naar de koers van de dag van betaling alsmede en bedrag van ƒ 6.925,80 (€ 3.142,79) ter zake van expertisekosten, vermeerderd met rente en kosten.

[Eiser c.s.] stellen daartoe dat bij het lossen van de [naam] is geconstateerd dat er te weinig balen zijn gelost, er balen met ondergewicht zijn gelost en in beschimmelde toestand. Volgens [eiser sub1] blijkt de totale schade uit de brief van [eiser sub3] aan de vertegenwoordiger van [eiser sub1] van 20 april 1994. [eiser sub1] heeft de aanvankelijk gevorderde hoofdsom van US$ 103.662,01 dan ook verminderd tot dat bedrag.

[Eiser c.s.] stellen dat voor zover aan [eiser sub1] geen vorderingsrecht toe zou komen dit recht toekomt aan [eiser sub2] althans aan [eiser sub3].

[gedaagde c.s.] zijn volgens [Eiser c.s.] als vervoerder en [eiser sub2] als reder/eigenaar van het schip, althans als vervoerster, verplicht de schade te vergoeden. Zij stellen daartoe het navolgende.

Volgens [Eiser c.s.] is [eiser sub1] als recht- en regelmatig cognossementhouder, zij heeft het cognossement ook bij de scheepsagent gepresenteerd, vorderingsgerechtigd. De onderliggende vervoerovereenkomst is niet relevant. [eiser sub2] is belanghebbende bij de lading en [eiser sub3] is in haar rechten gesubrogeerd.

[eiser sub1] is vervoerder onder het cognossement en kan voor de onderhavige schade worden aangesproken.

Volgens [Eiser c.s.] rust op de vervoerder een resultaatsverbintenis. De ontvanger kan volstaan met het stellen en eventueel bewijzen dat de schade tijdens het vervoer is ontstaan.

[Eiser c.s.] erkennen dat het aan hen is om te bewijzen dat de betreffende grondnoten ten tijde van vertrek in vervoersgeschikte staat verkeerden en bij lossing in Vlissingen beschadigd bleken te zijn.

Het is volgens [Eiser c.s.] aan [gedaagde c.s.] om te bewijzen dat de schade door een eigen gebrek aan de grondnoten is ontstaan, althans door een de vervoerder van aansprakelijkheid ontheffende omstandigheid. Het feit dat, zoals [gedaagde c.s.] stellen, de zakken onbeschadigd zouden zijn en de beschimmelde noten willekeurig door het ruim verspreid zijn aangetroffen rechtvaardigt niet de conclusie dat de schade door een eigen gebrek van de grondnoten is ontstaan.

[Eiser c.s.] stellen dat de zending grondnoten, die bij lossing aanzienlijk beschadigd en incompleet bleek te zijn, bij inlading in gezonde, complete en vervoersgeschikte staat verkeerde, terwijl van enige [gedaagde c.s.] van aanprakelijkheid ontheffende omstandigheid niet is gebleken. [Eiser c.s.] stellen dat de schade is ontstaan doordat tijdens de reis op onvoldoende en op onjuiste wijze is geventileerd. Tijdens de reis hebben weliswaar vochtmetingen plaatsgevonden, maar naar aanleiding daarvan is niet adequaat en naar behoren gehandeld. Ook waren de grondnoten in blok gestuwd met inadequaat ingebouwde ventilatiekanalen en functioneerde het ventilatiesysteem gebrekkig, waardoor scheepszweet is ontstaan. De door [Eiser c.s.] ingeschakelde expert MS-74 heeft dat bevestigd. Ook expertisebureau Hamer & Van Hussen is van oordeel dat van onvoldoende ventilatie sprake is geweest.

[Eiser c.s.] bestrijden dat hetgeen [gedaagde c.s.] hebben gesteld ten aanzien van de (procedurele) gang van zaken met betrekking tot andere schadevoorvallen van andere reizen en ladingen, inclusief schade aan gelijksoortige lading vervoerd op dezelfde reis aan boord van het [naam], in de onderhavige procedure een rol speelt. Dit geldt niet voor zover deskundigen inzake het m.v. [naam]en het m.v. [naam] algemene vaststellingen hebben gedaan.

[Eiser c.s.] zijn van mening dat de algemene bevindingen van deskundigen, benoemd in twee vergelijkbare procedures met betrekking tot het m.v. [naam] en het m.v. [naam] ter beantwoording van de vraag of grondnoten bij belading vervoersgeschikt waren, ook in de onderhavige zaak van belang zijn. Ook de rechtbank Middelburg heeft in de zaak met betrekking tot het m.v. [naam] geoordeeld dat het eerste deel van het deskundigenbericht inzake het m.v. [naam] zich voor bewijslevering in andere zaken leent.

[gedaagde c.s.] zijn, nu hun eigen expert H.A. Van Ameyde B.V. de vervoerder in de [naam] en [naam] zaak bijstond, bij die rapportages min of meer (in)direkt betrokken bij de totstandkoming van de deskundigenberichten, terwijl [eiser sub2] partij is in de [naam]-zaak.

In de respectievelijke rapportages constateren de deskundigen dat grondnoten bij een vochtgehalte tot 8% vervoersgeschikt zijn. Volgen [Eiser c.s.] blijkt uit de in China afgegeven kwaliteitscertificaten dat de grondnoten ten tijde van belading in goede en gezonde staat verkeerden en dat het vochtgehalte 7,3% bedroeg. Gelet op het vorenstaande en op het ten tijde van belading afgegeven “Rumigation / disinfection certificate” en het “Inspection certificate of weight” staat volgens [Eiser c.s.] vast dat de grondnoten bij belading in China vervoersgeschikt waren en dat de partij van 200.000 kg grondnoten “in apparent good order and condition” aan boord van het [naam] is geladen.

[Eiser c.s.] betwisten dat de kwaliteitscertificaten onbetrouwbaar zouden zijn. [gedaagde c.s.] hebben hun standpunt dat deze kwaliteitscertificaten niet betrouwbaar zouden zijn, en dat dat inmiddels ook vaste jurisprudentie zou zijn, niet nader onderbouwd. Voor zover het de jurisprudentie betreft hebben zij ook geen vindplaatsen genoemd. De deskundigen in de [naam] en [naam] hebben volgens [Eiser c.s.] vastgesteld dat deze kwaliteitscertificaten betrouwbaar zijn. De beschikking van de Europese Commissie van 4 februari 2002 waarnaar [gedaagde c.s.] verwijzen ter nadere onderbouwing van hun stelling dat de kwaliteitscertificaten onbetrouwbaar zouden zijn is niet van toepassing. Deze beschikking heeft geen betrekking op het vochtgehalte van gronddnoten maar op besmetting van de uit China afkomstige grondnoten met een te hoog totaalgehalte aan aflatoxine en is gebaseerd op een onderzoek verricht geruime periode na het onderhavige vervoer.

Volgens [Eiser c.s.] is de termijn voor het instellen van deze vordering in onderlinge overeenstemmng tussen partijen verlengd tot een datum gelegen na het uitbrengen van de dagvaarding.

[Eiser c.s.] stellen dat op de rentevordering Nederlands recht van toepassing is omdat als plaats van uitvoering van de overeenkomst aanknoping kan worden gezocht bij de loshaven, evenals in de procedure in zake de [naam]. Op grond van Nederlands recht is wettelijke rente verschuldigd.

[gedaagde c.s.] voeren verweer.

[gedaagde c.s.] betwisten primair dat [eiser sub2] als vervoerder is aan te merken zodat de ladingbelanghebbenden tegenover [eiser sub2] niet-ontvankelijk zijn. Het cognossement is door “the carrier” ondertekend. Er is geen basis voor de stelling dat er een vordering op [eiser sub2] zou bestaan.

De bewijslast ten aanzien van de ontvankelijkheid van [Eiser c.s.] jegens [gedaagde c.s.] rust op [Eiser c.s.] [gedaagde c.s.] betwisten dat [eiser sub1] zich als recht- en regelmatig houdster van het cognossement heeft gemeld. Indien en voor zover dat wordt aangetoond is alleen [eiser sub1] jegens de vervoerder vorderingsgerechtigd.

Nu [Eiser c.s.] stellen dat [eiser sub3] is gesubrogeerd in de rechten van [eiser sub2] heeft [eiser sub2] zelf geen rechten meer. [gedaagde c.s.] betwisten voorts dat, ondanks het feit dat [eiser sub3] in de rechten van [eiser sub2] zijn gesubrogeerd, [eiser sub3] rechten jegens hen hebben verkregen omdat [eiser sub1] het cognossement niet namens [eiser sub2] maar op eigen naam aan [gedaagde c.s.] heeft gepresenteerd.

[gedaagde c.s.] bestrijden dat er balen tekort zouden zijn geweest, dat sprake zou zijn geweest van balen met ondergewicht en van “een beschimmelde toestand” voor zover die extern

zichtbaar was. Aangezien de vervoerder zich in het cognossement niet heeft vastgelegd op een exact aantal balen en er ook geen telling heeft plaatsgevonden moet de vordering voor zover die een tekort aan balen zou betreffen worden afgewezen. Ondergewicht is niet vastgesteld omdat er bij inlading niet op voor de vervoerder controleerbare wijze is gewogen. Het cognossement geeft ook alleen een totaalgewicht. Hoogstens kan sprake zijn van een aantal kapotte zakken hetgeen als normale stuwschade aangemerkt moet worden. Voor zover de vordering op ondergewicht is gebaseerd dient die dan ook te worden afgewezen.

[gedaagde c.s.] betwisten dat sprake is geweest van tijdens het vervoer opgekomen schade. Indien en voor zover bij het lossen schade is geconstateerd, moet worden aangenomen dat deze ook bij inlading al aanwezig is geweest.

[gedaagde c.s.] betwisten dat de grondnoten “in apparent good order and condition” zijn geladen omdat zij in zakken verpakt waren en voor de vervoerder niet zichtbaar, zodat ook de conditie waarin de grondnoten zich bevonden voor de vervoerder niet zichtbaar was.

[gedaagde c.s.] stellen, onder verwijzing naar volgens hen van toepassing zijnde jurisprudentie dat het aan de ladingbelanghebbende(n) is te bewijzen dat de lading voorafgaand aan het vervoer in goede, vervoersgeschikte toestand was.

[Eiser c.s.] hebben niet aangeboden dat zij dit bewijs willen leveren en gelet op het tijdsverloop moet volgens [gedaagde c.s.] aangenomen worden dat bewijslevering niet meer mogelijk is.

Het is volgens [gedaagde c.s.] vaste jurisprudentie dat op basis van de Chinese “kwaliteits”-certificaten en rapporten van “eigen” experts van ladingontvangers-/verzekeraars niet aangenomen wordt dat de lading bij inlading in vervoersgeschikte toestand was. [gedaagde c.s.] noemen ter nadere onderbouwing van dit standpunt een zeventien-tal zaken waarbij de vorderingen zijn ingetrokken terwijl wel steeds sprake was van “kwaliteits”-certificaten uitgegeven in China. In alle schimmelschade zaken betrof het ladingen die voorzien waren van een “kwaliteits”-certificaat. Door de verschillende rechtbanken zijn deze certificaten, die de reders veelal pas achteraf in kopie te zien kregen, nooit beslissend geacht.

[eiser sub1] verwijst ter nadere onderbouwing van haar stelling dat de in China afgegeven “kwaliteits”- certificaten niet betrouwbaar zijn naar een beschikking van de Europese commissie van 4 februari 2002 houdende speciale voorwaarden voor de invoer van grondnoten en bepaalde van grondnoten afgeleide producten van oorsprong uit of verzonden uit China [nummer].

[gedaagde c.s.] betwisten dat de deskundigen in de zaken met betrekking tot het m.v. [naam] en het m.v. [naam] gezegd zouden hebben dat de “kwaliteits”-certificaten betrouwbaar zouden zijn, bovendien zijn zij er in de [naam] zaak van uitgegaan dat in China volgens een internationale norm zou worden gewerkt welke aanname nergens op gebaseerd is en feitelijk onjuist is. Ook uit de uitspraak in de zaak [naam] die voor de rechtbank Middelburg heeft gediend, volgt niet dat ladingbelanghebbenden bij het aanwezig zijn van “kwaliteits”-certificaten een “keiharde” vordering op de vervoerder hebben. De vervoerder is overigens slechts gebonden aan het cognossement.

[gedaagde c.s.] betwisten dat [Eiser c.s.] een vordering op hen hebben.

[gedaagde c.s.] stellen gemotiveerd dat de problemen met grondnoten zoals die bestonden tussen 1991 en 1995 veroorzaakt werden door de kwaliteit van de lading. Nadat de kwaliteit van de lading was verbeterd kwamen de problemen volgens [eiser sub1] niet langer voor. In genoemde periode werden veel grotere hoeveelheden grondnoten geëxporteerd. Er was een toename van de Chinese Export van 10.000 ton in 1985 naar meer dan 96.000 ton in 1991. Hierdoor ontstond druk op selectieprocessen, logistiek en certificering.

[gedaagde c.s.] stellen dat de piek in de problemen met grondnoten zoals die zich voordeed in de jaren 1991-1995 en dan met name in 1991, 1992, 1993 en 1994 niet te verklaren valt aan de hand van de schepen waarmee werd vervoerd. De techniek aan boord van de conventionele schepen en de bemanningen daarvan voorafgaand aan de piek in de problemen en daarna waren niet wezenlijk anders dan daarvoor.

Dat het probleem in China ligt blijkt ook uit het feit dat ook in de jaren 1991-1995 er geen serieuze geschillen over grondnoten uit andere landen dan China zijn hoewel het vervoer met dezelfde schepen met dezelfde ventilatiesystemen en dezelfde bemanning plaatsvond.

Na 1993 is er in China geïnvesteerd in deugdelijke installaties en procedures voor het verbeteren en bewaken van de homogeniteit van de lading, het drogen van de noten en de behandeling daarvan voorafgaand aan de belading. Ook zijn er andere verpakkingen gekomen en andere vervoersmethode, per koeltransport. Daarna zijn er geen substantiële transportproblemen of –geschillen meer geweest.

Onderzoek heeft volgens [gedaagde c.s.] uitgewezen dat er geen relatie was tussen de manier van ventileren en de conditie van de grondnoten bij lossing. Slecht gedroogde/voorbehandelde noten konden, als gevolg van de bijzondere aard van de noten zelf, de lange reis niet doorstaan. Schade in extern ongebleekte, droog aanvoelende jute zakken zonder schimmelsporen wordt veroorzaakt door de aard van de lading waarvoor de vervoerder niet aansprakelijk is. Onvoldoende ventilatie veroorzaakt zichtbare schade omdat in dat geval de lading als gevolg van (condensatie)vocht vochtig wordt. Ook in een dergelijk geval is de vervoerder echter niet altijd aansprakelijk omdat condensatie niet altijd is te voorkomen.

In het onderhavige geval heeft de afzender ook nagelaten specifieke afspraken met de vervoerder te maken omtrent het vervoer terwijl, gelet op de aard van het product, bij vervoer in conventionele schepen bijzondere zorg aan de lading besteed moest worden bekend bij afzenders en handelaren. Volgens [gedaagde c.s.] is echter ook in die gevallen waarin bijzondere zorg aan de lading is besteed schade ontstaan als gevolg van de bijzondere aard of het eigen gebrek van de lading.

Ter nadere onderbouwing van hun stelling dat [Eiser c.s.] geen vordering op hen hebben verwijzen [gedaagde c.s.] naar de andere met betrekking tot de [naam] ter zake van dezelfde reis ingestelde vordering. Immers, nadat aanvankelijk in onderling overleg door partijen een gereduceerde garantietoezegging van USD 1.600.000,-- is genoemd is de zaak uiteindelijk door de ladingbelanghebbenden integraal en zonder enig voorbehoud ingetrokken. Men was volgens [gedaagde c.s.] tot het inzicht gekomen dat de bestaande schimmelschade aan “pre-shipment causes” te wijten was en de “kwaliteits”-certificaten ook in deze zaak geen rol van betekenis speelden. Ook een met betrekking tot dezelfde reis onder cognossement 12 ingestelde vordering is prijsgegeven.

[gedaagde c.s.] betwisten ook aansprakelijk te zijn voor de voor het opmaken van het expertiserapport gemaakte kosten en de hoogte van het daarvoor gevorderde bedrag.

[gedaagde c.s.] betwisten dat Nederlandse wettelijke rente verschuldigd is omdat Nederlands recht niet van toepassing is. Volgens [gedaagde c.s.] is Chinees recht van toepassing.

Volgens [gedaagde c.s.] zal [Eiser c.s.] hebben aan te tonen dat zij van de vervoerder ten behoeve van een partij die gerechtigd was de vordering onder het cognossement tegen de vervoerder in te stellen toestemming hebben gekregen om de termijn voor het instellen van de vordering te verlengen tot 13 september 1995 of later.

[gedaagde c.s.] stellen dat nu [Eiser c.s.] hun vordering hebben verminderd tot het bedrag van ruim € 54.000,-- in hoofdsom zij geen belang meer bij hun vordering hebben omdat zij het bedrag hebben beperkt tot het bedrag dat door de ladingverzekeraars is uitbetaald.

[gedaagde c.s.] stellen gemotiveerd dat deze vermindering van eis bij afwijzing van de vordering geen gevolg dient te hebben voor de te liquideren proceskosten.

[gedaagde c.s.] bestrijden dat de algemene bevindingen van de deskundigen benoemd in de procedures met betrekking tot het m.v. [naam] en het m.v. [naam] van toepassing zijn bij de beantwoording van de vraag of de grondnoten bij belading vervoersgeschikt waren. [gedaagde c.s.] waren evenmin als [Eiser c.s.] partij bij de procedure met betrekking tot de [naam]. Zij hebben zich dus niet kunnen uitlaten over de aan de deskundigen te stellen vragen en geen informatie kunnen verschaffen van belang voor het onderzoek. De deskundigen inzake de [naam] hebben nauwelijks eigen onderzoek gedaan op algemene aspecten maar de deels onjuiste bevindingen van de deskundigen in de [naam] zaak gevolgd.

[gedaagde c.s.] betwisten dat een lading met een gemiddeld vochtgehalte van hoogstens 8% altijd vervoersgeschikt zou zijn en dat volgt ook niet uit de diverse rapportages. In een dergelijke lading kan ook een partij zitten met een vochtgehalte van 10% waarop zich makkelijk schimmel kan vormen die zich afhankelijk van door de vervoerder niet te beïnvloeden omstandigheden uitbreidt.

[gedaagde c.s.] leggen de deskundigenrapportage van Van Ameyde over waaruit volgt dat sprake is geweest van een gebrek aan homogeniteit van de lading.

in reconventie

[gedaagde c.s.] vorderen - samengevat – veroordeling van [Eiser c.s.] hoofdelijk, althans ieder voor zich, om aan [gedaagde c.s.] te vergoeden de door het handelen of nalaten van [Eiser c.s.], althans één van hen, geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van [Eiser c.s.], hoofdelijk, in de proceskosten en uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis.

[gedaagde c.s.] stellen daartoe het navolgende.

[Eiser c.s.] handelt onrechtmatig jegens [gedaagde c.s.] door het gedurende zeer lange tijd vasthouden van een garantie die betaling zou moeten dekken van een niet-bestaande vordering. [Eiser c.s.] zijn voor de gevolgen daarvan hoofdelijk aansprakelijk.

De schade die [gedaagde c.s.] door het stellen van deze garantie lijden bestaat in de aan het stellen van de garantie verbonden kosten en in de omstandigheid dat het moeten stellen van een garantie doorwerkt in de premieberekening voor de volgende jaren. De garantie is al geruime tijd geleden gesteld en niet te verwachten valt dat deze zaak, inclusief eventueel hoger beroep, binnen afzienbare tijd zal zijn afgedaan. Gelet daarop moet er van uit worden gegaan dat de garantie nog lange tijd in stand gehouden moet worden. Aangezien de schade op dit moment nog niet becijferd kan worden wordt vergoeding van schade op te maken bij staat gevraagd. [gedaagde c.s.] bieden bewijs aan van de omvang van de schade. Het stellen van de garantie moet aangemerkt worden als een schadebeperkende maatregel omdat deze is gesteld naar aanleiding van het dreigen met nieuwe beslagen door [Eiser c.s.].

[gedaagde c.s.] betwisten gemotiveerd dat hun vordering is verjaard.

[Eiser c.s.] voeren verweer.

Zij betwisten primair gemotiveerd onrechtmatig jegens [gedaagde c.s.] te hebben gehandeld door gedurende zeer lange tijd een garantie vast te houden die betaling zou moeten dekken van niet-bestaande vorderingen. Voorts bestwisten [Eiser c.s.] gemotiveerd dat de duur van de procedure en dus van het uitstaan van de bankgarantie aan hen te wijten zou zijn en dat [Eiser c.s.] voor het stellen van de bankgarantie kosten zouden hebben moeten maken en dus schade zouden hebben geleden. Eventuele schade door verhoging van de door [gedaagde c.s.] aan de P&I Club te betalen premie zal door [gedaagde c.s.] aangetoond moeten worden. De bewijslast met betrekking tot de door [gedaagde c.s.] gestelde schade rust in volle omvang op [gedaagde c.s.], maar omdat zij hun bewijsaanbod op geen enkele wijze nader hebben gespecificeerd en omdat niet aannemelijk is dat [gedaagde c.s.] hun stellingen met bewijsmiddelen zullen kunnen onderbouwen dient het bewijsaanbod gepasseerd te worden. Zij laten ook na inzicht te verschaffen over de wijze waarop zij denken bewijs te zullen leveren. [Eiser c.s.] betwisten bovendien dat het gaat om kosten van een redelijke schadebeperking dan wel redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Nog afgezien van het vorenstaande is de vordering volgens [Eiser c.s.] verjaard omdat de garantie op 9 september 1994 is gesteld en [gedaagde c.s.] op dat moment bekend waren met de door hen gestelde schade en de volgens hen daarvoor aansprakelijke partij. De verjaringstermijn ex art. 3:310 BW is dus op dat moment aangevangen. Dat de schade gedeeltelijk na de gestelde onrechtmatige daad wordt geleden maakt dit volgens [Eiser c.s.] niet anders. Indien en voor zover de vordering (gedeeltelijk) zou worden toegewezen beroept [Eiser c.s.] zich op eigen schuld van [gedaagde c.s.] en op matiging.

De beoordeling

in conventie

Ten aanzien van het toepasselijk recht overweegt de rechtbank dat Chinees recht van toepassing is nu partijen dat overeengekomen zijn.

De rechtbank zal niet ingaan op hetgeen partijen stellen ten aanzien van de verlenging van de termijn voor het instellen van de vordering door [Eiser c.s.] omdat [gedaagde c.s.] aan hun stellingen op dat punt geen rechtsgevolg verbinden.

Tussen partijen is niet in geschil dat een deel van de door het [naam] vervoerde grondnoten door schimmel aangetast zijn gelost. Met betrekking tot de aansprakelijkheid voor de daardoor ontstane schade overweegt de rechtbank als volgt.

Op de vervoerder rust een resultaatsverplichting. De vervoerder schiet tekort in zijn plicht jegens de afzender wanneer de goederen niet in de staat waarin hij deze in ontvangst genomen heeft aflevert. De vervoerder is dan in beginsel schadeplichtig. Het is aan de afzender te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat hij de goederen in goede, vervoersgeschikte, staat ter beschikking van de vervoerder heeft gesteld.

[Eiser c.s.] stellen dat zij de zending grondnoten bij belading in gezonde, complete en vervoersgeschikte staat verkeerde. Dat laatste wordt door [gedaagde c.s.] bestreden. Het is dan ook, en partijen zijn het daarover ook eens, aan [Eiser c.s.] om te bewijzen dat de grondnoten in goede staat ter beschikking aan [gedaagde c.s.] heeft gesteld.

[Eiser c.s.] verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt dat de grondnoten schoon, vrij van schimmel, en in vervoersgeschikte toestand ter inlading zijn aangeboden naar het bij de partij grondnoten behorende “kwaliteitscertificaat” afgegeven door het “Shandong Import & Export Commodity Inspection Bureau of the People’s Republic of China” waarin de uitkomst van de controle wordt neergelegd. Uit dit certificaat blijkt volgens [Eiser c.s.] dat de grondnoten ten tijde van belading in goede en gezonde staat verkeerden en dat het vochtgehalte 7,3% bedroeg, volgens [eiser sub1] dus minder dan de 8% bij welk vochtgehalte volgens de deskundigen in de [naam] zaak de grondnoten vervoersgeschikt zijn.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De deskundigen benoemd in de [naam] zaak vatten in hoofdstuk 9 van hun rapportage, met het oog op de te beantwoorden vragen, de in hoofdstuk 8 op theorie en praktijk gebaseerde uiteenzetting met betrekking tot schimmelgroei op grondnoten samen. In paragraaf 9.3 van de rapportage geven de deskundigen aan dat aannemelijk is dat grondnoten met een, ten tijde van het inladen, gemiddeld vochtgehalte van 6,5% gevrijwaard zijn van schimmelschade.

Zij constateren in paragraaf 9.4. van de rapportage dat in de praktijk grondnoten met een hoger vochtigheidsgehalte tot soms wel 9% succesvol zijn vervoerd, en dat het bij zowel verzenders als scheepseigenaren geaccepteerd lijkt te zijn dat vochtigheidsgehaltes tot 8% acceptabel waren.

In het kader van de beantwoording van de eerste vraag die luidt: “Wat is een voor grondnoten die van China naar West-Europa worden vervoerd veilig vochtigheidspercentage?” geven zij aan dat, uitgaande van het feit dat met veilig wordt bedoeld dat de mogelijkheid van schimmelschade verwaarloosbaar is in verhouding tot andere medebepalende risicofactoren, en uitgaande van de veronderstelling dat de grondnoten in diepe blokken gestuwd moeten worden, het maximale gemiddelde vochtigheidspercentage ongeveer 6,5% zou moeten zijn om een redelijke veiligheidsmarge te hebben.

Natuurlijk gedroogde grondnoten met een gemiddeld vochtigheidsgehalte boven ongeveer 6,5% tot 7% kunnen in een groot aantal van de gevallen succesvol worden vervoerd maar alleen als er voorzieningen worden getroffen met betrekking tot de speciale eisen die het product stelt. Als de grondnoten in dergelijke gevallen behandeld worden alsof zij erg droog zijn, als duurzame producten die op elke mogelijke manier kunnen worden gestuwd en geventileerd, dan valt te verwachten dat grote delen van de vracht verloren gaan.

In tegenstelling tot hetgeen [Eiser c.s.] stellen volgt uit het deskundigenbericht in de [naam]-zaak dus niet dat grondnoten met een vochtigheidsgehalte tot 8% zondermeer vervoersgeschikt zijn.

Het volgens de deskundigen veilige vochtpercentage waarbij de grondnoten zonder speciale maatregelen naar Europa vervoerd kunnen worden is, uitgaande van de omstandigheid dat de grondnoten in diepe blokken gestuwd worden, 6,5% en niet de 8% waarop [Eiser c.s.] zich beroepen. Dat is het percentage dat kennelijk door verzenders en scheepseigenaren nog acceptabel geacht werd.

Nu, [Eiser c.s.] zich, ten bewijze van het feit dat de grondnoten in vervoersgeschikte staat zouden zijn ingeladen, beroepen op een kwaliteitscertificaat, waarvan de betrouwbaarheid overigens omstreden is, waaruit volgt dat het vochtpercentage van de grondnoten 7,3 % bedroeg waren de grondnoten dus niet geschikt om, zonder speciale maatregelen te treffen, te worden vervoerd.

Niet is gesteld, noch is gebleken, dat [gedaagde c.s.] op de hoogte waren van het feit dat de grondnoten een zodanig vochtpercentage hadden dat met betrekking tot het vervoer speciale maatregelen vereist waren. Immers uit het cognossement valt niet meer op te maken dan dat de grondnoten in “apparent good order and condition” zijn ingeladen en niet is gesteld of gebleken dat het kwaliteitscertificaat, wat daar ook van zij, bij het inladen van de grondnoten aan [gedaagde c.s.] is overhandigd. Gelet op het vorenstaande valt [gedaagde c.s.] dan ook geen verwijt te maken van het feit dat zij de grondnoten als te doen gebruikelijk behandeld hebben. Nu [gedaagde c.s.] voorts onbestreden hebben gesteld dat ook van de zijde van [Eiser c.s.] geen aanwijzingen zijn gegeven ten aanzien van speciale met betrekking tot de partij grondnoten te treffen maatregelen zijn [gedaagde c.s.] niet aansprakelijk voor de aan de grondnoten ontstane schade.

Ter onderbouwing van hun betoog dat de schade aan de grondnoten niet is ontstaan als gevolg van een voor rekening van [gedaagde c.s.] als vervoerder komende omstandigheid maar door de kwaliteit van de lading, hebben [gedaagde c.s.] de situatie met betrekking tot de export vanuit China begin jaren ’90 van de vorige eeuw geschetst.

Door [gedaagde c.s.] is er op gewezen dat voorafgaand aan die periode, die loopt vanaf ongeveer 1991 tot 1995, er ook grondnoten naar Nederland werden vervoerd maar dat dit slechts in een zeer enkel geval tot problemen leidde en na 1995 de problemen zich niet meer, althans niet in die mate als begin jaren ’90, voordeden. Ook vervoer van grondnoten uit andere landen dan China leidde begin jaren ’90 niet tot aanmerkelijke problemen.

Daarnaast is door [gedaagde c.s.] gesteld dat de wijze van vervoer, de schepen waarmee de ladingen grondnoten werden vervoerd, en de techniek aan boord daarvan voor, gedurende en na de periode 1991-1995 niet verschilden. Het vorenstaande is door [Eiser c.s.] niet bestreden. De rechtbank is van oordeel dat er van uit moet worden gegaan dat de schimmel- problematiek in de jaren 1991-1995 is ontstaan als gevolg van de omstandigheid dat China begin jaren ’90 niet aan de toenemende vraag naar grondnoten kon voldoen, waardoor de kwaliteit van de te exporteren grondnoten (veel) minder was dan voorheen.

Het transport van de grondnoten waarop de onderhavige procedure betrekking heeft vond plaats in 1993. Dit ondersteunt het oordeel van de rechtbank over de ongeschiktheid van de vervoerde grondnoten zoals weergegeven onder 4.3.3..

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de vordering voor zover die ziet op door [Eiser c.s.] geleden schade ten gevolge van het verloren gaan van een deel van de onder cognossment 1 vervoerde lading grondnoten als gevolg van schimmel dan ook afwijzen. Ook de vordering met betrekking tot de door [Eiser c.s.] gemaakte expertisekosten zal op grond daarvan worden afgewezen. Deze kosten dienen ook voor rekening van [Eiser c.s.] te blijven.

[Eiser c.s.] verwijzen ter onderbouwing van hun stelling dat 60 zakken met grondnoten te weinig zijn gelost en er balen met een ondergewicht zijn gelost naar het door haar als productie 14 in het geding gebrachte Inspection Certificat of Weight uitgegeven door het Shandon Import & Export Commodity Bureau of the Peoples Republic of China en naar een als productie 11 in het geding gebrachte rapportage van Ace Survey. Deze stukken kunnen niet dienen tot bewijs van de stelling van [Eiser c.s.]. Immers deze stukken zijn in opdracht van [Eiser c.s.] opgesteld en uit het rapportage van Ace Survey blijkt bovendien dat zij ter vaststelling van het tekort afgegaan zijn op door [eiser sub1] opgemaakte rapportage met betrekking tot de geloste aantallen.

Onbestreden is voorts dat bij het inladen geen telling door de vervoerder heeft plaatsgevonden die tot doel had de hoeveelheid en het gewicht tussen partijen vast te stellen en dat de vervoerder zich in het cognossement niet heeft vastgelegd op een exact aantal.

Het is aan [Eiser c.s.] te bewijzen hetgeen zij stellen ten aanzien van de ingeladen en geloste hoeveelheid zakken en gewicht. De rechtbank zal echter, bij gebreke van een onvoldoende gespecificeerd bewijsaanbod en gelet op de inmiddels sinds het lossen verstreken tijd, [Eiser c.s.] niet in de gelegenheid stellen bewijs te leveren.

Nu gelet op het vorenstaande niet is komen vast te staan dat [Eiser c.s.] schade hebben geleden doordat een tekort aan balen en balen met ondergewicht zouden zijn gelost zal de rechtbank de vordering voor zover die op deze schade ziet afwijzen.

De rechtbank zal [Eiser c.s.] als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen.

Bij de berekening van de proceskosten wordt uitgegaan van de vordering zoals die aanvankelijk door [Eiser c.s.] is ingesteld. De rechtbank overweegt daartoe dat door [gedaagde c.s.] onbestreden is gesteld dat uit de als productie 16 door [Eiser c.s.] overgelegde brief van 20 april 1994 van [eiser sub3] aan [gedaagde sub1] blijkt dat [Eiser c.s.] al anderhalf jaar voordat zij tot dagvaarding overgingen op de hoogte waren van de omstandigheid dat de schade niet meer beliep dan € 54.417,25 maar desondanks, zonder nadere toelichting, bij dagvaarding zo goed als twee keer zo hoog bedrag hebben gevorderd.

De kosten aan de zijde van [gedaagde c.s.] worden begroot op:

- dagvaarding € 80,79

- vast Rechtbank Middelburg € 1.497,47

- salaris advocaat € 4.023,-- (4,5 punten x tarief € 894,--)

Totaal € 5.601,26.

in reconventie

Als meest verstrekkend verweer heeft [Eiser c.s.] zich beroepen op verjaring van de vordering. De rechtbank zal dan ook eerst dit verweer beoordelen.

De verjaringstermijn van een rechtsvordering tot vergoeding van schade vangt aan na de aanvang van de dag volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, de dag waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen.

Op het moment van het stellen van de bankgarantie, 9 september 1994, waren [gedaagde c.s.] bekend met zowel de aansprakelijke persoon, als met de schade. Voor de aanvang van de verjaringstermijn is niet vereist dat de benadeelde naast daadwerkelijk bekend te zijn met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, ook bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. De verjaringstermijn vangt dan ook niet eerst aan op het moment dat de vordering van [Eiser c.s.] in conventie wordt afgewezen.

Van de situatie dat sprake is van een voortdurende onrechtmatige daad waarbij telkens als er schade wordt toegebracht schade ontstaat en daarmee een verbintenis tot schadevergoeding en in welk geval de termijn van verjaring eerst na iedere afzonderlijke daad aanvangt, moet de situatie waarin sprake is van een onrechtmatige daad waardoor successievelijk schade ontstaat worden onderscheiden. Van die laatste situatie is in het onderhavige geval sprake, althans, indien en voor zover [Eiser c.s.] onrechtmatig zouden hebben gehandeld. De schade die [gedaagde c.s.] stellen te lijden bestaat uit, zo begrijpt de rechtbank uit het betoog van [gedaagde c.s.], de kosten verbonden aan het stellen van de garantie en de als gevolg daarvan aan de UK P& I Club te betalen hogere premie voor opvolgende jaren. Niet is gesteld dat zich sinds het stellen van de bankgarantie een of meer nieuwe – eerder niet voorziene – schadeposten hebben voorgedaan. Ten aanzien van deze schade moet dan ook worden aangenomen dat [gedaagde c.s.] daarmee op 9 september 1994 bekend waren zodat de verjaringstermijn van

art. 3: 310 lid 1 BW op die datum is aangevangen en dus op 9 september 1999 was voltooid. Aangezien de vordering door [eiser sub1] eerst is ingesteld bij conclusie van eis in reconventie van 7 januari 2009 was de vordering op dat moment verjaard.

De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

[gedaagde c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Eiser c.s.] worden begroot op:

- salaris advocaat € 1.582,00 (3,5 punten x tarief € 452,--).

De beslissing

De rechtbank

in conventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser sub1], [eiser sub2] en [eiser sub3] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde c.s.] tot op heden begroot op € 5.601,26;

in reconventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser sub1] en [eiser sub2] hoofdelijk in de proceskosten tot op heden begroot op € 1.582,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2010.

MdB