Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BP5101

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
63270 / HA ZA 08-286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser pleegt seksueel misbruik bij minderjarige en wordt aangesproken voor schadevergoeding. Hij tracht deze schade vergeefs te verhalen op zijn aansprakelijkheidsverzekeraar. Deze beroept zich terecht op de opzet clausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 63270 / HA ZA 08-286

Vonnis van 21 april 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. C.A.F. Haans te Goes,

tegen

de naamloze vennootschap

ALGEMENE ZEEUWSE VERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Middelburg,

gedaagde,

advocaat mr. M. van der Bent te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiser] en AZ genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlaten producties

- de antwoordakte.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] is in hoger beroep bij arrest van 30 januari 2007 door het gerechtshof ’s-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden wegens seksueel misbruik van drie destijds minderjarige meisjes en betaling van voorschotten op schadevergoeding aan hen. Een van hen is mevrouw [slachtoffer], ten aanzien van wie is bewezen verklaard dat zij in de periode van 1 juni 1997 tot 1 januari 2000 door [eiser] is misbruikt. Op 26 april 2007 is hij door onder meer [slachtoffer] gedagvaard in een civiele procedure. Zij stelt daarin dat zij schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen door [eiser].

2.2. De ouders van eiser hebben een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij AZ onder polisnummer [polisnummer] (hierna: de polis). Deze verzekering dekt de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de verzekerden. Op grond van de polisvoorwaarden worden als medeverzekerden aangemerkt ongehuwde meerderjarige kinderen, die bij de ouders inwonend zijn. Artikel 17.1 van de polisvoorwaarden bepaalt: “Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade die voor hem het beoogde of zekere gevolg is van zijn handelen” (hierna: de opzetclausule).

Het geschil

[eiser] vordert om bij vonnis – uitvoerbaar bij voorraad - te verklaren voor recht dat AZ gehouden is dekking te verlenen op voornoemde polis en uitkering te doen, in hoogte gelijk aan de bedragen waartoe eiser gehouden zal zijn in de letselschadezaak van mevrouw [slachtoffer], alsmede om AZ te veroordelen tot betaling van de proceskosten. [eiser] stelt daartoe – samengevat - het volgende.

3.2. Uit de gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie blijkt dat [eiser] tot 29 december 1999 bij zijn ouders inwoonde. Hij was toen ongehuwd. Voordien sliep hij wel eens een nachtje in zijn nieuwe woning, maar hij was daar toen nog niet woonachtig. AZ dient daarom dekking te verlenen voor de schade die [slachtoffer] stelt te hebben geleden.

De opzetclausule sluit aansprakelijkheid voor seksuele gedragingen niet uit, aldus [eiser]. De clausule omvat namelijk alleen opzet als oogmerk en opzet als zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn, maar niet voorwaardelijk opzet (opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn en opzet als mogelijkheidsbewustzijn). [eiser] betwist dat hij – indien komt vast te staan dat hij de seksuele gedragingen heeft gepleegd, hetgeen hij ontkent - (het gestelde) letsel heeft beoogd. Er is dus geen sprake geweest van opzettelijk toegebrachte schade. Indien opzet in strafrechtelijke zin bewezen is, betekent dit nog niet dat ook in civielrechtelijke zin sprake is van opzet.

[eiser] stelt belang te hebben bij zijn vordering. [slachtoffer] heeft conservatoir beslag op zijn woning laten leggen. Bovendien kan uitsluiting van dekking belangrijke financiële gevolgen hebben voor degenen die schadevergoeding van [eiser] vorderen. Zelf biedt hij onvoldoende verhaal.

[eiser] betwist ten slotte dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt.

3.3. AZ stelt - samengevat – het volgende. Zij merkt in de eerste plaats op dat de vordering niet goed te beoordelen is, omdat [eiser] nog niet onherroepelijk is veroordeeld. De door het gerechtshof bewezen verklaarde feiten staan dus niet vast. Daarnaast heeft [eiser] volgens AZ onvoldoende belang bij de door hem gevorderde verklaring voor recht. Hij heeft daaraan namelijk geen veroordeling tot schadevergoeding gekoppeld en geen bijzondere omstandigheden gesteld die een afzonderlijke vordering tot behoud van zijn rechten rechtvaardigen.

AZ wijst er verder op dat [eiser] blijkens de door hem overgelegde stukken vanaf april 1999 niet meer bij zijn ouders woonachtig was. Vanaf dat moment was hij dus ook niet meer onder de polis verzekerd. Hij heeft ook met ingang van 2 april 1999 zelf een aansprakelijkheidsverzekering bij Interpolis afgesloten.

3.4. Indien [eiser] wel in zijn vordering kan worden ontvangen, beroept AZ zich op de opzetclausule. Ook schade die het zekere gevolg is van handelen of nalaten valt onder de opzetclausule. Uit de gedragingen van de verzekerde kan worden afgeleid of deze het letsel heeft beoogd of zich ervan bewust is geweest dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn. Er is dus een zekere objectivering mogelijk. AZ wijst op diverse omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] zich ervan bewust was dat het letsel, zoals dat zich bij [slachtoffer] heeft gemanifesteerd, het gevolg van zijn handelen zou zijn. Als dat daar niet uit kan worden afgeleid, verzoekt AZ het op voorhand bewezen te achten en, zo nodig [eiser] te belasten met het bewijs van het tegendeel. Subsidiair stelt AZ dat het beroep van [eiser] op dekking onder de polis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Meer subsidiair beroept AZ zich op artikel 3.2. van de polisvoorwaarden, waarin staat dat de verzekering in ieder geval geen dekking geeft indien een verzekerde bij schade opzettelijk onjuiste gegevens verstrekt. [eiser] heeft namelijk steeds volgehouden dat van seksueel misbruik van [slachtoffer] geen sprake is geweest. Indien komt vast te staan dat [eiser] wel degelijk ontucht heeft gepleegd, heeft hij niet naar waarheid verklaard.

Ten slotte verzoekt AZ [eiser] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente.

De beoordeling

Deze rechtbank heeft op 14 april 2010 in de letselschadezaak tussen onder meer [slachtoffer] en [eiser] (nr. 57579 / HA ZA 07-222) een tussenvonnis gewezen. Daarin is onder meer overwogen dat het arrest van 30 januari 2007 (van het gerechtshof ‘s-Gravenhage) in cassatie voor wat betreft de bewezenverklaring in stand is gelaten (bij arrest van de Hoge Raad van 14 april 2009). Verder is daarin overwogen dat [eiser] er niet in is geslaagd bewijs te leveren tegen de in het arrest van 30 januari 2007 bewezen verklaarde feiten. De rechtbank gaat er daarom ook in deze procedure van uit dat [eiser] jegens [slachtoffer] onrechtmatig heeft gehandeld door haar in de periode van 1 juni 1997 tot 1 januari 2000 seksueel te misbruiken.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voldoende belang heeft bij zijn vordering. Nu hij door onder meer [slachtoffer] aansprakelijk is gesteld voor door haar geleden en te lijden schade, heeft hij er belang bij te weten of de gestelde schade onder de polis gedekt is. Dit geldt te meer nu hij reeds is veroordeeld tot het betalen van voorschotten op de schadevergoeding in de strafprocedure en inmiddels ook in de civiele procedure voor recht is verklaard dat [eiser] gehouden is de - uit zijn onrechtmatig handelen voortvloeiende - schade van [slachtoffer] te vergoeden. [eiser] kan zich bij zijn vordering beperken tot de door hem gevorderde verklaring voor recht, nu nog onduidelijk is of hij tot betaling van enig (aanvullend) bedrag zal worden veroordeeld in de civiele procedure.

[eiser] is dus ontvankelijk in zijn vordering.

4.3. In het midden kan blijven vanaf welk moment [eiser] niet meer bij zijn ouders woonachtig is. Vast staat dat hij in elk geval tot april 1999 bij zijn ouders inwoonde. De periode waarin het handelen plaatsvond waarvoor [eiser] aansprakelijk is gesteld, is begonnen op 1 juni 1997. [eiser] is dus in elk geval gedurende een (groot) deel van deze periode onder de polis verzekerd geweest.

4.3. Het beroep van AZ op de opzetclausule slaagt. De schade waarvan [slachtoffer] vergoeding vordert en die [eiser] op AZ wenst te verhalen, vloeit voort uit psychisch letsel ten gevolge van het seksueel misbruik. Vaststaat dat [eiser] zich daaraan jegens [slachtoffer] schuldig heeft gemaakt. Blijkens de strafmotivering van het gerechthof ’s-Gravenhage in het arrest van 30 januari 2007 heeft [eiser] [slachtoffer] vanaf de zomer van 1997 tot januari 2000 vele malen seksueel misbruikt. Toen het misbruik begon, was [slachtoffer] nog maar net twaalf jaar oud en [eiser] 29. Ook blijkt uit die strafmotivering dat [slachtoffer] ten tijde van het contact met [eiser] door problemen thuis erg kwetsbaar was en dat [eiser] op grove wijze misbruik heeft gemaakt van zijn vertrouwensrelatie met haar. De opzetclausule sluit onder meer van dekking uit schade die het zekere gevolg is van het handelen van de verzekerde. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Het is een feit van algemene bekendheid dat het verrichten van seksuele handelingen door volwassenen met minderjarigen onder de leeftijd van 16 jaar tot psychische schade bij die minderjarigen kan leiden. Ook in de periode waar het hier om gaat – de tweede helft van de jaren ’90 – werd in de media al ruimschoots aandacht besteed aan de schadelijke gevolgen van seksueel misbruik van meisjes van die leeftijd en de gevolgen ervan op volwassen leeftijd. Dergelijke handelen is in artikel 245 Sr ook strafbaar gesteld. In dit specifieke geval was sprake van een jong en kwetsbaar meisje en een volwassene die meer dan tweemaal zo oud was en een vertrouwensrelatie met haar had vanwege haar problemen thuis. In deze relatie en gelet op de duur en frequentie van de seksuele contacten kan er naar het oordeel van de rechtbank van uit worden gegaan dat [eiser] zich ervan bewust is geweest dat bij [slachtoffer] (al dan niet op latere leeftijd) psychische schade zou optreden. Het heeft hem echter niet van zijn handelen weerhouden. Het feit dat [eiser] altijd heeft ontkend zich aan seksueel misbruik te hebben schuldig gemaakt, duidt er ook op dat hij zich van de ontoelaatbaarheid van zijn handelen en de ernst van de gevolgen daarvan bewust is geweest.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is AZ niet gehouden aan [eiser] dekking te verlenen voor de door [slachtoffer] gevorderde schadevergoeding. De rechtbank overweegt ten overvloede dat een andere uitleg van de polisvoorwaarden en de daarin opgenomen opzetclausule, namelijk één die wel tot dekking van deze schade zou leiden, naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het kan niet zo zijn dat een verzekerde die zich jarenlang willens en wetens schuldig maakt aan ernstige strafbare feiten als de onderhavige, de nadelige gevolgen daarvan kan afwentelen op een verzekeraar die uiteraard nooit heeft beoogd een dergelijk risico te verzekeren. Ten slotte heeft AZ terecht aangevoerd dat [eiser] AZ onjuiste informatie heeft verstrekt door de feiten waarvoor hij is veroordeeld steeds te blijven ontkennen. Nu er ook in deze procedure van uit dient te worden gegaan dat [eiser] die feiten heeft begaan, slaagt ook het beroep van AZ op artikel 3.2. van de polisvoorwaarden.

4.5. De vordering van [eiser] wordt afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van AZ worden begroot op:

- vastrecht € 254,--

- salaris advocaat € 1.130,-- (2,5 x tarief € 452,--)

Totaal € 1.384,--.

De beslissing

De rechtbank

- wijst de vordering van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding welke aan de zijde van AZ tot aan dit moment worden begroot op € 1.384,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf twee weken na dagtekening van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Graaf en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2010.