Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BP5097

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
74969 / JE RK 10-660
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stichting Bureau Jeugdzorg verzoekt plaatsing jeugdige in accomodatie van gesloten jeugdzorg als bedoeld in art 29b wet op de jeugdzorg. De gedragswetenschapper die de jeugdige heeft onderzocht, heeft niet ingestemd. De kinderrechter wijst het verzoek desondanks toe. De verklaring van de gedragswetenschapper is onvoldoende onderbouwd. Strikte toepassing van de wet druist in tegen het verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Verzoek wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel

zaak/reknr: 74969 / JE RK 10-660

beschikking van 10 november 2010

in de zaak met betrekking tot de onder toezicht gestelde jeugdige

[de jeugdige] (hierna: de jeugdige),

geboren te Borsele op [geboortedatum],

advocaat: mr. H. Goedegebure te Zierikzee,

als kind van

[de vader] (hierna: de vader)

en

[de moeder] (hierna: de moeder), beiden wonende te [adres]

De moeder is belast met het gezag over de jeugdige.

De jeugdige verblijft in [adres 2] te Kortgene.

1. Het procesverloop

1.1. Op 13 september 2010 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland (hierna: de Stichting) een verzoekschrift met bijlagen ingediend, strekkende tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz) met ingang van 11 november 2010 en tot 11 februari 2011 (voor de duur van de ondertoezichtstelling).

1.2. Er is een indicatiebesluit overgelegd dat overeenkomt met het verzochte.

1.3. De Stichting heeft een verklaring overgelegd, inhoudende dat zich een situatie als bedoeld in artikel 29b lid 3 Wjz voordoet. Een gedragswetenschapper die de jeugdige recent heeft onderzocht, heeft niet ingestemd met de verklaring van de Stichting.

1.4. Aangezien de machtiging de gesloten plaatsing van de jeugdige betreft, is aan de jeugdige op 14 september 2010 als raadsman mr. H. Goedegebure, advocaat te Zierikzee, toegevoegd.

1.5. Op 1 november 2010 is van mr. Goedegebure aanvullende informatie ontvangen.

1.6. Op 4 november 2010 heeft de voorzitter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord is:

- de Stichting;

alsmede de volgende belanghebbenden:

- de jeugdige, bijgestaan door mr. Goedegebure;

- de ouders.

1.7. Ter terechtzitting is de verdere behandeling van het verzoek aangehouden tot de zitting van 9 november 2010. Op deze zitting is verschenen:

- de Stichting;

alsmede de volgende belanghebbenden:

- de jeugdige, bijgestaan door mr. Goedegebure;

- de ouders.

Voorts is ter terechtzitting van 9 november 2010, op verzoek van de voorzitter, aanwezig:

- M.P.M. van Loon, gedragsdeskundige bij de Stichting.

2. De feiten

2.1. Bij beschikking van de kinderrechter van 11 februari 2010 is de ondertoezichtstelling van de jeugdige uitgesproken met ingang van 11 februari 2010 en tot 11 februari 2011 met benoeming van de Stichting tot gezinsvoogdij-instelling.

2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van 6 mei 2010 is de machtiging tot plaatsing van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b Wjz laatstelijk verleend met ingang van 11 mei 2010 en tot 11 november 2010.

3. De standpunten

3.1. De Stichting heeft aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De jeugdige heeft voor de gesloten plaatsing in februari 2010 een periode rondgezworven en veel middelen gebruikt. Hij accepteerde het gezag van ouders niet en ging ook niet naar school. De jeugdige heeft de afgelopen maanden een positieve gedragsverandering laten zien die inhoudt dat hij zijn impulsen vaker onder controle heeft, correcties makkelijker accepteert, motivatie heeft voor onderwijs en dat hij aan zichzelf wil werken. Een aantal doelen is dan ook wel behaald tijdens de afgelopen maanden. Een verlenging van de gesloten plaatsing is echter nog noodzakelijk, omdat hij behandeld moet worden voor het hanteren van grenzen ten aanzien van het middelengebruik en het accepteren en leren omgaan met zijn stoornis (ADHD en PDD-NOS). Ook het omgaan met boosheid en vrije situaties blijft een aandachtspunt. Tijdens verlofmomenten heeft de jeugdige een aantal keer een terugval in zijn gedrag gehad. In [adres 2] is/wordt geen behandeling voor voornoemde problematiek geboden. Er is gedacht aan overplaatsing van de jeugdige naar een gesloten accommodatie waar deze behandeling wel wordt geboden, zoals Icarus in Kadier en Keer, maar hiertoe is niet besloten nu dit praktische problemen met betrekking tot de schoolgang en de verlofmomenten van de jeugdige zou opleveren. Bovendien kan een dergelijke overplaatsing niet op korte termijn worden gerealiseerd.

Bij afwijziging van het verzoek, is het mogelijk om crisishulpverlening in te zetten. Hiervoor is een indicatie aangevraagd en is het aanmeldingsformulier verstuurd naar de zorgaanbieder AZZ. Deze crisishulpverlening zal dienen als overbruggingszorg naar FFT (Functional Family Therapy). Als de jeugdige geschikt is voor deze vorm van hulpverlening, zal deze naar verwachting snel kunnen starten. Hoewel in de thuissituatie op korte termijn hulpverlening kan worden ingezet, is er een groot risico aanwezig dat de jeugdige - in geval van thuisplaatsing - opnieuw zal afglijden. Hier komt bij dat de ouders de jeugdige niet de veiligheid en structuur kunnen bieden die hij nodig heeft en die hij in [adres 2] wel ervaart.

3.2. De gedragsdeskundige heeft meegedeeld dat zij haar verklaring handhaaft. Zij heeft geconstateerd dat de jeugdige, in vergelijking met een eerder gesprek een aantal maanden geleden, thans beter in staat is om aan te geven wat hij heeft geleerd en waar hij nog aan moet werken. Er zijn nog steeds zorgen over de jeugdige -met name over zijn drugsgebruik- en hij heeft hiervoor hulp nodig. Het is echter niet noodzakelijk dat hij, ten behoeve van deze hulpverlening, in een gesloten accommodatie verblijft nu hij deze hulpverlening ook ambulant kan krijgen. De jeugdige is de afgelopen periode gegroeid en hij heeft meegewerkt aan zijn behandeling. Hij onttrekt zich niet langer aan de hulpverlening en daarmee is de grond voor een gesloten plaatsing vervallen. Indien thuisplaatsing niet mogelijk is zal een ander alternatief buiten de gesloten jeugdzorg moeten worden gezocht.

3.3. Namens de jeugdige is aangevoerd dat het verblijf van de jeugdige bij [adres 2] niet heeft gebracht wat voorafgaand aan de plaatsing werd verwacht, nu hij niet de juiste hulp heeft gekregen. De machtiging gesloten jeugdzorg is destijds verleend omdat de jeugdige zich aan de noodzakelijke hulpverlening onttrok. De conclusie van de gedragswetenschapper dat de jeugdige zich niet zal onttrekken aan hulpverlening, kan niet worden gevolgd. Zij heeft slechts één gesprek met de jeugdige gehad en heeft zich wat dat betreft geen goed beeld kunnen vormen. Daar komt bij dat de inhoud van de verklaring van de gedragsdeskundige niet eenduidig is. In de verklaring is immers enerzijds opgenomen dat de jeugdige behandeling wenst, maar ook dat hij deze niet noodzakelijk acht. Er is dan ook onvoldoende informatie beschikbaar waaruit kan worden afgeleid dat het risico op onttrekken aan de hulpverlening niet aanwezig is. Daarnaast heeft de jeugdige tijdens verlofmomenten herhaaldelijk een terugval in zijn gedrag laten zien, hetgeen niet duidt op consistent positief gedrag. Bij de jeugdige is de diagnose PDD-NOS en ADHD gesteld. Het is belangrijk dat hij tijdens zijn behandeling leert om te gaan met deze stoornis. Voorts is er sprake van alcohol- en drugsproblematiek, waarvoor hij behandeling behoeft. Thuisplaatsing brengt, mede gelet op de terugval van de jeugdige tijdens een recent verlofmoment, te veel risico’s met zich. De inzet van crisishulpverlening is, gezien de voorgeschiedenis van de hulpverlening aan het gezin, onvoldoende om de veiligheid van de jeugdig te waarborgen. Hoewel [adres 2] niet de juiste hulpverlening heeft ingezet, heeft deze accommodatie wel meer mogelijkheden om structuur te bieden en zijn veiligheid te waarborgen dan de ouders. Gezien het voorgaande dient de duur van de gesloten plaatsing van de jeugdige te worden verlengd. De komende periode dient echter wel naar een concreet alternatief voor een gesloten plaatsing te worden gezocht.

3.4. De jeugdige heeft ter zitting verklaard dat hij niet naar [adres 2] terug wil, omdat hij daar “zijn tijd uitzit”. Hij krijgt geen doelgerichte behandeling en er wordt geen rekening gehouden met zijn school- en huiswerkbelasting. Hij is van mening dat teruggaan naar huis niet tot de mogelijkheden behoort, omdat het dan verkeerd zal gaan. Hij weet echter niet wat er dan voor mogelijkheden resteren.

3.5. De ouders wijzen er allereerst op dat de jeugdige wel vorderingen heeft gemaakt en dat er zeker een gedragsverandering heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet te danken is aan een behandeling, nu hij deze niet heeft gekregen in [adres 2]. Ondanks deze positieve wending is het te vroeg om de jeugdige naar huis te laten keren. Tijdens verlofmomenten heeft hij herhaaldelijk een terugval in zijn gedrag laten zien. Zelfs na het gesprek met de gedragsdeskundige is hij tijdens het verlof zo de fout ingegaan dat zij een opsporingsverzoek hebben moeten indienen bij de politie, omdat de jeugdige voor iedereen onvindbaar was. Na ruim een dag is hij uiteindelijk gevonden en – onder invloed van middelen – teruggebracht naar [adres 2]. Hoewel de jeugdige in [adres 2] geen behandeling krijgt, kan daar wel de structuur en veiligheid worden geboden die de jeugdige nodig heeft en die de ouders hem niet kunnen bieden. Gelet hierop dient de duur van de gesloten plaatsing van de jeugdige te worden verlengd.

4. De beoordeling

4.1. De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op de aard van de zaak, onderhavige zaak in aanmerking komt voor een beslissing door de meervoudige kamer en heeft de zaak daar naar verwezen.

4.2. Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren.

4.3. Een uithuisplaatsing in een gesloten setting is de meest verstrekkende maatregel van kinderbescherming. Een dergelijk vergaande inbreuk op iemands persoonlijke vrijheid dient, juist waar het een minderjarige betreft, aan zware zorgvuldigheidseisen te voldoen. De instemming van een gedragswetenschapper is één van die door de wet gestelde eisen. Ingevolge artikel 29b, vijfde lid, van de WJZ behoeft de verklaring van de Stichting als bedoeld in het vierde lid van dit artikel de instemming van een gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de vereiste instemming van een gedragswetenschapper is te rekenen tot de waarborgen waarmee vrijheidsontneming in de vorm van opneming in gesloten jeugdzorg is omgeven. De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen instemming door de gedragswetenschapper is afgegeven. Dit zou er toe moeten leiden dat een machtiging tot gesloten plaatsing niet verleend kan worden.

4.4. Echter, de rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de gedragsweten-schapper onvoldoende is onderbouwd. Ter zitting heeft de gedragswetenschapper verklaard dat de jeugdige inderdaad ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, maar dat het tweede toetingscriterium – het zich onttrekken aan hulpverlening – niet langer van toepassing is. Dit wordt echter door de feitelijke situatie niet gestaafd. Zo heeft de jeugdige zich tijdens zijn verlofmomenten een aantal keren onttrokken aan zijn directe omgeving. De bereidheid tot het volgen van een alcoholcursus is niet intrinsiek, maar wordt ingegeven door de omstandigheid dat zijn moeder dit graag wil. Dit is ook ter zitting door de jeugdige weer herhaald. Ook heeft de jeugdige verklaard dat hij niet zeker weet of hij wel naar alle bijeenkomsten/afspraken kan gaan die betrekking hebben op hulpverlening, omdat hij ook naar school moet. Hij realiseert zich wel dat hulpverlening ook noodzakelijk is om het schooltraject goed af te sluiten. In de verklaring van de gedragswetenschapper is voorts opgenomen “Verder hoeft [de jeugdige] niks meer te leren. Hij denkt dat het goed genoeg zal gaan als hij thuis zou wonen, want dan voelt hij zich meer op zijn gemak. Hij heeft geen behandeling gericht op zijn drugsgebruik nodig, want [de jeugdige] denkt dat hij de verleiding kan weerstaan”. De jeugdige heeft ontkend dit te hebben verklaard tegenover de gedragswetenschapper. Zij heeft ter zitting aangegeven dat de jeugdige dit wel degelijk tegenover haar heeft gezegd en zij vindt het belangrijk dat hij hulp krijgt voor zijn drugsgebruik. De conclusie van de gedragswetenschapper dat er geen feitelijkheden zijn die erop wijzen dat de jeugdige zich nog onttrekt aan de benodigde zorg kan dan ook niet worden gevolgd. De rechtbank heeft, gelet op het vorenstaande, de indruk dat de bereidheid tot acceptatie van hulp zeer wankel is.

4.5. Daar komt het volgende bij. Strikte toepassing van de wet zou er toe leiden dat de jeugdige niet langer gesloten geplaatst zou mogen worden.

Volgens artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna IVRK) vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind echter de eerste overweging.

De rechtbank is van oordeel dat zich gevallen kunnen voordoen waarbij strikte toepassing van de Wjz zich niet verhoudt tot hetgeen in artikel 3, lid 1 IVRK staat vermeld. In het onderhavige geval is strikte toepassing van de Wjz niet in het belang van de jeugdige zoals bedoeld in voornoemd artikel. Immers, in geval van strikte toepassing zou het de jeugdige ontbreken aan de juiste begeleiding en behandeling die hij gelet op zijn problematiek zo hard nodig heeft in een gesloten setting. De jeugdige zou bij een strikte toepassing van de wet morgen naar huis moeten gaan. Zowel de jeugdige, zijn ouders, de Stichting, maar ook de gedragsdeskundige zijn van mening dat dit een ongewenste situatie is. Met name de Stichting, de jeugdige en zijn ouders hebben aangegeven dat de kans dat het binnen korte tijd weer mis zal gaan en de jeugdige zal afglijden, zeer groot aanwezig is. Er is op dit moment geen vangnet gecreëerd om de jeugdige thuis op te vangen. De crisishulpverlening, waarvan nog niet zeker is of die morgen direct van start kan gaan, zal naar verwachting niet toereikend zijn en het is nog twijfelachtig of de mogelijkheid van FFT ingezet kan worden. Er zal eerst onderzocht moeten worden of de jeugdige past in deze vorm van hulpverlening. Bovendien is ter zitting vast komen te staan dat de ouders op dit moment niet die bescherming en veiligheid kunnen bieden die voor de jeugdige noodzakelijk is. Een ander alternatief voor opvang van de jeugdige is op dit moment niet voorhanden.

4.6. De rechtbank stelt ook vast dat de gesloten plaatsing binnen [adres 2] tot op heden nog niet het gewenste effect heeft gehad, omdat er nog geen behandeling is gestart die is gericht op zijn alcohol- en drugsprobleem. Bovendien is het de vraag of er inmiddels een start is gemaakt met de behandeling van c.q. het leren omgaan door de jeugdige met zijn ADHD en PDD-NOS-stoornis. Hoewel [adres 2] wellicht niet de aangewezen instantie is waar de jeugdige zou moeten verblijven, biedt deze accommodatie op dit moment nog wel die bescherming, veiligheid, structuur en regelmaat die de jeugdige vanwege zijn stoornis nodig heeft. De gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b Wjz is noodzakelijk om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

4.7. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, ondanks dat er geen instemmings-verklaring van de gedragswetenschapper is afgegeven, het belang van de jeugdige met zich brengt dat het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot gesloten plaatsing tot 11 februari 2011 moet worden toegewezen. Daarbij wordt het volgende nog opgemerkt. De komende periode dient gebruikt te worden om een concreet plan op te stellen om de jeugdige voor te bereiden op het einde van de gesloten plaatsing. Dat betekent dat er een plaats voor hem gevonden zal moeten worden waar hij kan verblijven en dat er een duidelijk hulpverleningstraject op gang wordt gebracht om de jeugdige te helpen bij zijn ADHD en PDD-NOS-stoornis.

4. De beslissing

De rechtbank:

verleent machtiging tot plaatsing van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg met ingang van 11 november 2010 en tot 11 februari 2011;

stelt vast dat deze beschikking van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad is.

Deze beslissing is gegeven te Middelburg door mrs. S. Kuypers, voorzitter,

H.A. Witsiers en E.K. van der Lende-Mulder Smit, kinderrechters, in tegenwoordigheid van Y.W. Bogaard als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2010.