Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BO5192

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
Awb 09/812
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

subsidie; bijdrage uit stads- en dorpsvernieuwingsfonds; onderscheid verlening subsidie en vaststelling van subsidie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/812

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. J.A. de Keuning, rechtskundig adviseur te Vlissingen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft verweerder eisers aanvraag om een bijdrage op basis van het stads- en dorpsvernieuwingsfonds ten behoeve van het treffen van voorzieningen aan particuliere woningen, afgewezen.

Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 juli 2009 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 3 september 2010 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde J. S. van Sabben. Ter zitting is het onderzoek gesloten. Bij brief van 12 oktober 2010 heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak verlengd tot heden.

II. Overwegingen

1. Bij schrijven van 11 september 2008, bij verweerder ontvangen 12 september 2008, heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend voor een bijdrage uit het stads- en dorpsvernieuwingsfonds ten behoeve van het treffen van voorzieningen aan particuliere woningen. De aanvraag betrof in eisers situatie het vervangen van enkele houten draagbalken van de woning aan de [adres] te [woonplaats].

2. Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen, welke afwijzing verweerder bij het thans in geding zijnde besluit heeft gehandhaafd.

3. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder zijn besluit tot afwijzing heeft gebaseerd op bepalingen opgenomen in de Verordening Stimuleringsregeling particuliere woningverbetering gemeente Veere. Deze verordening is in werking getreden op 8 oktober 2008. Blijkens artikel 3.1 van de verordening wordt op aanvragen voor toekenning van een bijdrage die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening beslist op grond van de desbetreffende, voor de inwerkingtreding van deze verordening geldende subsidieverordening.

4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat, nu de aanvraag van eiser door verweerder is ontvangen op 12 september 2008, verweerder zijn besluit ten onrechte heeft gebaseerd op de Verordening Stimuleringsregeling particuliere woningverbetering gemeente Veere. Het bestreden besluit kan reeds om deze reden geen stand houden en dient dan ook te worden vernietigd wegens strijd met de wet.

Nu de in dit geval toepasselijke verordening - te weten de Stimuleringsregeling particuliere woningverbetering en opplussen (verder te noemen: de Verordening) - materieel gezien gelijkluidende bepalingen heeft als die waarop verweerder zijn besluit heeft gebaseerd, zal de rechtbank bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. In dit kader overweegt zij het volgende.

5. In artikel 1.5 van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om in het belang van de particuliere woningverbetering met inachtneming van het bepaalde in deze verordening subsidie te verlenen.

In artikel 2.1 van de Verordening is bepaald dat aan de eigenaar-bewoner subsidie kan worden verleend ter tegemoetkoming in de kosten van het treffen van voorzieningen tot opheffing van bouwtechnische gebreken.

In artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening is bepaald dat subsidie slechts wordt verleend indien de netto-oppervlakte van de woning na het treffen van de voorzieningen ten hoogste 150 m2 volgens NEN 2330 bedraagt.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de Verordening meldt de subsidieaanvrager terstond na de voltooiing van de werkzaamheden aan burgemeester en wethouders dat de bedoelde werkzaamheden gereed zijn.

In het vierde lid is bepaald dat de gereedmelding tevens een aanvraag is om vaststelling van de kosten en bepaling van de hoogte van de subsidie.

6. Verweerder heeft de afwijzing van eisers aanvraag in zijn besluit van 28 oktober 2008 gebaseerd op de van zijn ambtenaren verkregen informatie dat de oppervlakte van eisers woning de in artikel 2.3 genoemde maximum oppervlaktemaat van 150 m2 zou overschrijden. Eisers aanvraag voldeed derhalve niet aan de voorschriften van de verordening, aldus dit besluit. Nadat eiser in bezwaar gemotiveerd had bestreden dat zijn woning de 150 m2 zou overschrijden, heeft verweerder bij de thans in geding zijnde beslissing op bezwaar, onder erkenning van het gegeven dat eisers woning ten tijde van de ontvangst van eisers aanvraag de maximum oppervlaktemaat van 150 m2 niet overschreed, de afwijzing van eisers aanvraag gehandhaafd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar de woning van eiser was uitgebreid, waardoor, gelet op het bepaalde in artikel 2.8 van de Verordening, waarin is bepaald dat de uiteindelijke vaststelling van de subsidie niet eerder kan plaatsvinden dan na gereedmelding van de werkzaamheden, op dat moment wederom niet werd voldaan aan de voorwaarde met betrekking tot de maximum oppervlaktemaat.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit uit het oog is verloren dat in de Verordening een onderscheid is opgenomen in enerzijds verlening van de subsidie (artikelen 2.3 tot en met 2.7) en anderzijds vaststelling van de subsidie (artikelen 2.8 tot en met 2.11). Beide rechtsmomenten moeten worden onderscheiden. Het systeem van de Verordening is immers zo dat bij de verlening van subsidie wordt getoetst of wordt voldaan aan de voorwaarden die in de Verordening worden gesteld en dat bij de vaststelling van de subsidie wordt beoordeeld of de subsidieontvanger aan zijn verplichtingen heeft voldaan, waarna de subsidie overeenkomstig de verlening moet worden vastgesteld.

In het onderwerpelijke geval staat vast dat eisers woning ten tijde van de indiening van de aanvraag voldeed aan het vereiste dat de maximum oppervlakte minder was dan 150 m2. Zoals verweerder ter zitting heeft erkend, betekent dit dat als verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van dit gegeven was uitgegaan, de gevraagde subsidie was verleend. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat op grond van het bepaalde in artikel 2.8 van de Verordening moet worden geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder subsidie kan worden verleend. Verweerder miskent hiermee dat het vereiste van een maximum vloeroppervlak van 150 m2 niet een verplichting is die aan het besluit tot verlening van subsidie wordt verbonden, maar een voorwaarde waaraan men moet voldoen om voor verlening in aanmerking te komen. Een dergelijke voorwaarde wordt niet bij de vaststelling van de subsidie nogmaals getoetst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd eiser de gevraagde subsidie te verlenen.

8. Gelet op het vorenoverwogene kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten. De rechtbank zal verweerder opdragen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene opnieuw op het bezwaar te beslissen.

9. Ten slotte overweegt de rechtbank dat aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling. De kosten worden begroot op € 644,-, te weten een zaak van gemiddelde zwaarte en twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,¬(honderdvijftig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door verweerder aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Dijkman, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen, griffier en op 25 november 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: