Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BO3829

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
68987 / HA ZA 09-408
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen vergoeding van schade o.g.v. inboedelverzekering omdat niet vaststaat dat schade is ontstaan dat iemand de woning wederrechtelijk is binnengedrongen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 68987 / HA ZA 09-408

Vonnis van 14 april 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Tilburg,

eiser,

advocaat mr. J.A.J. Dappers te Ravenstein,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

ONDERLINGE VERZEKERING MAATSCHAPPIJ ZLM U. A.,

gevestigd te Goes,

gedaagde,

advocaat mr. J.C. van den Dries te Goes.

Partijen zullen hierna [eiser] en ZLM genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 oktober 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 11 januari 2010.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] heeft vanaf 2003 een woonhuis- inboedel- en glasverzekering ten behoeve van het woonhuis met inboedel aan de [adres] te Tilburg (hierna: de woning) en een rechtsbijstandverzekering bij ZLM afgesloten .

2.2. Op 10 januari 2008 heeft [eiser] een schademelding bij ZLM gedaan (hierna: incident 1). Het door ZLM daarvan opgemaakte formulier vermeldt over de toedracht:

“Inbraak en brandstichting. Achterdeur slot geforceerd. Klink is afgebroken. Portemonnee met inhoud is weg. Vervolgens brand gesticht in woonkamer.”

Op 23 januari 2008 heeft [eiser] opnieuw schade bij ZLM gemeld (hierna: incident 2). Daarvan zijn twee formulieren opgemaakt, die over de toedracht vermelden:

“Wederom weer in de woning geweest/via hengelen.”

en: “Een of andere gek heeft weer huisgehouden.”

2.3. ZLM heeft expertisebureau Toplis Hettema ingeschakeld om de schade te inventariseren. Zij heeft over de incidenten gerapporteerd op respectievelijk 15 januari 2008, 25 januari 2008, 15 februari 2008, 5 augustus 2008 en 19 november 2008.

2.4 Op verzoek van ZLM heeft ook het Recherche- en Adviesbureau Midden-Brabant (hierna: RAMB) onderzoek gedaan en op respectievelijk 31 januari 2008, 5 november 2008 en 22 november 2008 gerapporteerd.

2.5. Naar aanleiding van de bevindingen heeft ZLM aangifte gedaan bij de politie. Door de Unit Forensisch Technisch Onderzoek van de Politie Midden & West Brabant is onderzoek gedaan naar de braaksporen op de achterdeur van de woning, waarnaar in de melding van incident 1 is verwezen. Daarvan is op 11 januari 2008 een proces-verbaal hierna: het technisch onderzoek) opgemaakt, dat (onder meer) als volgt luidt:

“Aan de achterzijde van de woning was een achterdeur aanwezig die toegang gaf tot een openkeuken. De achterdeur was afsluitbaar door middel van een cilinderslot en twee draaigrendels aan de binnenzijde van de deur. In het kozijn was een metalen sluitkom aanwezig waarin de dag- en nachtschoot werden geborgd op het moment dat de deur (af)gesloten was.

(…)

De vrouwelijke bewoner verklaarde tegen mij dat zij voor de inbraak als laatste de woning had verlaten. Zij had de achterdeur op het nachtslot gedraaid en de beide draaigrendels niet afgesloten. Vervolgens was zij via de voordeur de woning verlaten.

(…)

Aan de deur en het kozijn van de achterdeur werd door mij braakschade aangetroffen. Van de deur en het kozijn waren houtsplinters weggebroken die door mij niet onder de achterdeur werden gevonden. De sluitkom was onbeschadigd en in het kozijn aanwezig.

Op de bovenzijde van de nachtschoot werd door mij op het deel dat zich in de sluitnaad bevind een krasspoor aangetroffen. Het deel van de nachtschoot wat zich in de sluitkom bevond was onbeschadigd. In gesloten stand viel de nachtschoot circa 12 mm in de sluitkom. De sluitnaad ter hoogte van de slotkast aan de tegenovergestelde zijde van de deur bedroeg circa 3 mm. Aan het mechanisme om de nachtschoot te bedienen werden door mij geen onregelmatigheden geconstateerd en het mechanisme was soepel te bedienen. Door mij werd met een breekijzer in de sluitnaad gewrikt en gepoogd de afgesloten deur te openen. Dit is door mij niet gelukt. Door mij werd geconstateerd dat er nagenoeg geen speling op de deur aanwezig was.

De dagschoot van de achterdeur was naar binnengedrukt en zat klem in de slotkast. Verder onderzoek kon door mij niet worden ingesteld. De klink aan de buitenzijde van de deur was afgebroken.

(…)

Conclusie:

- Gezien het feit dat er minimale braakschade aan het houtwerk van de achterdeur en het kozijn was.

- Gezien het feit dat de sluitkom van de achterdeur nog intact was.

- Gezien het feit dat er sporen van braak ontbraken op het nachtslot.

- Gezien het feit dat er aan het mechanisme van de nachtschoot geen onregelmatigheden werden geconstateerd

- Gezien het feit dat de nachtschoo(t) circa 11 mm in sluitkom viel, en er aan de andere zijde van de deur circa 3 mm ruimte was in de sluitnaad.

Kan worden gesteld dat de deur ten tijde van de inbraak niet met het nachtslot was afgesloten.”

2.6. ZLM heeft het standpunt ingenomen dat zij niet gehouden is tot dekking van de schade, veroorzaakt bij de twee evenementen. Zij beroept zich daarbij op de artikelen 3.a.5, 3.b.1, en – stellende dat niemand het pand wederrechtelijk is binnengedrongen – op de artikelen 19.a.13 en 25.a.13 van haar polisvoorwaarden. Die artikelen luiden:

“Algemene voorwaarden

(3.) a. Niet verzekerd is schade die veroorzaakt wordt door, optreedt bij, voortvloeit uit of verband houdt met:

(…)

5. opzet, grove schuld of goedvinden van verzekerde of gedrag van verzekerde dat afwijkt van gedrag dat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden;

(…)

b. In de volgende gevallen vervalt het recht op uitkering:

1. schade waarvan verzekerde met opzet een onvolledige of onware opgave doet met het doel de maatschappij te misleiden, tenzij de misleiding het verval van recht op uitkering niet rechtvaardigt;

(…)

Bijzondere voorwaarden woonhuisverzekering

(…)

(19.) a. Deze verzekering dekt schade aan of verlies van het gebouw door:

13. vandalisme gepleegd door iemand die het gebouw wederrechtelijk is binnengedrongen;

(…)

Bijzondere voorwaarden inboedelverzekering

(…)

(25.) a. Deze verzekering dekt schade aan of verlies van de inboedel, al dan niet als gevolg van eigen gebrek, door:

(…)

13. vandalisme gepleegd door iemand die het gebouw wederrechtelijk is binnengedrongen;”

Het geschil

[eiser] vordert dat de rechtbank ZLM bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan hem van een bedrag van € 29.045,66, te verhogen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2008 tot aan de dag der uiteindelijke voldoening, met veroordeling van ZLM in de kosten van het geding.

3.2. [eiser] stelt dat ZLM ten onrechte weigert om de schade die hij ten gevolge van de onder 2.2 genoemde incidenten lijdt – en die hij stelt op € 24.412,83 aan materiële schade en € 3.632,83 aan kosten voor rechtsbijstand – te vergoeden. [eiser] betwist dat de schade is ontstaan door zijn opzet of grove schuld dan wel met goedvinden van zijn kant, dat hij met opzet een onware of onvolledige opgave van de schade zou hebben gedaan en dat de schade niet zou zijn veroorzaakt door iemand die wederrechtelijk de woning is binnengedrongen. In reactie op de argumenten die ZLM aan haar weigering ten grondslag legt, voert [eiser] aan:

- bij incident 1 was de achterdeur enkel met een sleutel afgesloten; de gebruikelijke braaksporen zijn aangetroffen. Dat geen houtsplinters zijn gevonden, komt omdat het onderzoek enige tijd na de melding is verricht;

- bij incident 2 waren er door ZLM ingeschakelde werklieden in de woning aan het werk; zij hebben de deur zeer waarschijnlijk niet met de aanwezige dievenklauwen afgesloten;

- [eiser] heeft na incident 1 geen aanspraak gemaakt op een nieuwe keuken; pas na incident 2 concludeerde de expert dat de keuken moest worden vervangen;

- [eiser] heeft er zelf op gewezen dat de verf waarmee de keuken was besmeurd leek op die op de kozijnen. Hij heeft zelf een (schoon en moeizaam te openen) blik uit de afgesloten garage gehaald; er is geen onderzoek gedaan naar de vraag of de verf waarmee de keuken was besmeurd dezelfde is als die in dat blik. Een roerhoutje met verf is pas 6 dagen later in de afvalcontainer gevonden;

- drie (van de vier) televisietoestellen hadden valschade.

[eiser] stelt op grond van deze omstandigheden dat ZLM gehouden is de schade te vergoeden.

3.3. ZLM voert verweer. Zij stelt dat zij niet gehouden is tot dekking van de schade, die bij de twee gebeurtenissen is veroorzaakt. De verklaringen van [eiser] en zijn echtgenote komen niet overeen met de in de onder 2.3, 2.4 en 2.5 genoemde stukken vastgestelde feiten. Er is een aantal zaken dat niet klopt. ZLM noemt met name:

- de aanwezigheid van braaksporen op de achterdeur (waarvan het afgebroken hout niet ter plaatse werd teruggevonden) na incident 1, terwijl die deur niet was afgesloten;

- de aanvankelijke melding dat bij incident 2 de dader was binnengekomen door de voordeur (door te “hengelen”) en later werd gezegd dat de achterdeur open stond (met de schoot van het nachtslot uit), terwijl daar geen braaksporen zijn geconstateerd;

- de door na incident 1 tussen de expert en [eiser] gevoerde discussie over de vraag of de keuken moest worden vervangen, gevolgd door

(a) besmeuring van de keuken (bij incident 2) met verf van exact dezelfde kleur als de kozijnen, van welke verf een gemakkelijk te openen blik (zonder vel) in de afgesloten garage van [eiser] stond en met welke verf een in de afvalcontainer van [eiser] gevonden roerhoutje eveneens was besmeurd en

(b) het na incident 2 wijzen op met het blote oog nauwelijks zichtbare krassen op de afzuigkap;

- de niet met omgooien (maar eerder met neerleggen) corresponderende wijze waarop de in de woning aanwezige vier televisietoestellen (op één na onbeschadigd) op de grond lagen.

Verder wijst ZLM op het feit dat bij incident 1 de batterij uit de brandmelder was gehaald (en niet in de woning is teruggevonden) en dat drie deskundige partijen (blijkens de onder 2.3, 2.4 en 2.5 genoemde stukken) bedenkingen hebben geuit bij de gemelde inbraken.

ZLM is van oordeel dat beide incidenten als vandalisme zijn te kwalificeren; in beide gevallen is die gepleegd door iemand die met een sleutel – en dus niet wederrechtelijk – is binnengekomen. Op grond van de polisvoorwaarden 19.a.13 en 25.a.13 is er dan geen dekking. De (brand-)schade van incident 1 is opzettelijk veroorzaakt door iemand met een sleutel, derhalve een gezinslid, op grond van polisvoorwaarde 3 is ZLM niet gehouden die schade te vergoeden. Daarbij is niet van belang dat op de door ZLM gedane aangifte geen strafvervolging is gevolgd.

ZLM acht de gestelde schade onvoldoende onderbouwd.

De beoordeling

[eiser] heeft met ZLM verzekeringsovereenkomsten afgesloten, op grond waarvan hij – behoudens in de polisvoorwaarden omschreven bijzondere omstandigheden – er op mag rekenen dat schade als gevolg van inbraak, brand en vandalisme in zijn woning door ZLM wordt vergoed.

4.2. [eiser] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van schade na inbraak en brandstichting op 10 januari 2008 en na inbraak en vandalisme op 23 januari 2008. ZLM weigert vergoeding, zich beroepend op in de polisvoorwaarden omschreven uitzonderingen, namelijk dat het vandalisme is gepleegd door iemand die niet wederrechtelijk in de woning was en dat de brandstichting met opzet of grove schuld, in elk geval met goedvinden van [eiser] is gepleegd. Nu ZLM zich aldus op een uitzondering beroept, zal zij in beginsel de feiten die zij daaraan ten grondslag legt dienen te bewijzen.

4.3. Kern van het betoog van ZLM is dat – anders dan [eiser] stelt – bij geen van beide incidenten sprake was van een inbraak; in beide gevallen is de woning betreden door de deur met een sleutel te openen.

4.3.1. Ten aanzien van incident 1 stelt ZLM dat de achterdeur niet was afgesloten en dat de braaksporen zijn geënsceneerd. Die stelling baseert zij enkel op het onder 2.5 geciteerde technisch onderzoek. De andere deskundigen (Toplis Hettema en RAMB) spreken wel over de braak, maar verwijzen naar dat technisch onderzoek als de bron van hun kennis. [eiser] heeft de vaststellingen in het technisch onderzoek niet betwist. Hij stelt slechts dat de deur niet op het nachtslot zat, dat wil zeggen: niet met dievenklauwen was afgesloten. Van dat uitgangspunt is in het technisch onderzoek ook uitgegaan. Vervolgens heeft [eiser] de conclusie van het technisch onderzoek wel betwist: hij stelt dat de deur wel met de sleutel op slot was gedaan (dat wil zeggen: de nachtschoot in de sluitkom was gedraaid) en dat de gebruikelijke braaksporen zijn aangetroffen. Met dat laatste betwist hij de conclusie van het technisch onderzoek niet. Immers, ook in dat onderzoek wordt uitgegaan van de aanwezigheid van braaksporen. Dat die braaksporen niet de sporen zijn die er zouden moeten zijn, wanneer de met het nachtslot afgesloten deur was opengebroken – zoals in het onderzoek wordt geconstateerd – is aldus door [eiser] onvoldoende gemotiveerd bestreden. De rechtbank zal (zonder nadere bewijslevering) uitgaan van de juistheid van de conclusie in het technisch onderzoek. Vast staat dat bij incident 1 de achterdeur niet is opengebroken. Zij zal dus – als ze op slot zat – met een sleutel zijn geopend.

4.3.2. Ten aanzien van incident 2 is door [eiser] aanvankelijk gesteld dat sprake was geweest van “hengelen” door de voordeur. Later heeft hij gesteld dat door de achterdeur moet zijn binnengedrongen. Partijen zijn het er over eens dat die achterdeur met een sleutel moet zijn geopend. [eiser] stelt thans dat de door ZLM na incident 1 ingeschakelde werklieden (die bezig waren de schade van incident 1 te herstellen) waarschijnlijk de dievenklauwen niet hebben gebruikt. Die stelling gaat aan de kern voorbij: immers ook wanneer de dievenklauwen niet zijn gebruikt, zal de deur nog met een sleutel moeten worden geopend. De enige andere mogelijkheid is, dat de deur in het geheel niet was afgesloten; die mogelijkheid is echter niet waarschijnlijk, nu vast staat dat de deur na het incident geopend met de nachtschoot naar buiten is aangetroffen. [eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hij noch zijn echtgenote aan iemand een sleutel heeft gegeven. Hij heeft er wel op gewezen dat ZLM over een sleutel beschikte en deze aan door haar ingeschakelde werklieden heeft gegeven; hij stelt echter niet dat die werklieden op 23 januari 2008 de deur zouden hebben geopend of open gelaten.

4.3.3. Uit het vorenstaande moet worden afgeleid dat bij beide incidenten de woning is betreden door iemand die daarvoor een sleutel heeft gebruikt, of door iemand die binnen kon komen omdat de deur niet was afgesloten. In het licht van voorts (a) de stelling van [eiser] dat hij noch zijn echtgenote aan iemand buiten het gezin een sleutel hebben gegeven en (b) de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat de na incident 1 aan ZLM ter beschikking gestelde sleutel zou zijn gebruikt, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat in geval iemand met gebruikmaking van de sleutel is binnengekomen, dat iemand moet zijn geweest van het gezin [eiser]. Als is binnengekomen omdat de deur niet was afgesloten, is die mogelijkheid tot binnenkomen geschapen door iemand van het gezin [eiser]. Onder die omstandigheden moet de conclusie zijn dat ZLM zich terecht op het standpunt stelt dat de schade niet is gedekt door respectievelijk de woning- en de inboedelverzekering; de bijzondere polisvoorwaarden 19.a.13 en 25.a.13 geven aan dat alleen schade, veroorzaakt door iemand die wederrechtelijk de woning is binnengedrongen, is gedekt en daarvan is in dit geval geen sprake. Al op deze gronden dient te vordering tot vergoeding van de materiële schade te worden afgewezen. De overige door ZLM genoemde omstandigheden die bij haar twijfel over de juistheid van de lezing van [eiser] opriepen, behoeven geen bespreking meer.

4.4. [eiser] heeft voorts vergoeding van kosten van rechtsbijstand gevorderd. Hij lijkt die vordering te baseren op een tussen partijen bestaande rechtsbijstandverzekering. Enige nadere onderbouwing van de grondslag van de vordering is niet gegeven, terwijl evenmin de hoogte van de gestelde schade (behoudens de stelling dat er 16 uur zou zijn gewerkt) is onderbouwd. Ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

4.5. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van ZLM worden begroot op:

- vast recht € 640,--

- salaris advocaat € 1.158,-- (2 x tarief III, € 579,--)

Totaal € 1.798,--.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van ZLM begroot op € 1.798,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2010.