Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BO0944

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
71346 / KG ZA 10-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid voorzieningenrechter na opheffing beslag door stellen bankgarantie; toetsing bankgarantie op ieder redelijk moment.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2010/113
NJF 2010/495
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 71346 / KG ZA 10-11

Vonnis van 18 februari 2010

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar Chinees recht

GUANGZHOU OCEAN SHIPPING COMPANY (COSCO GUANGZHOU),

gevestigd te Guanzhou, China,

2. de rechtspersoon naar Chinees recht

CHINA OCEAN SHIPPING COMPANY,

gevestigd te Beijing, China,

eiseressen,

advocaat: mr. M.M. van Leeuwen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDSPICE SOURCING B.V. (voorheen h.o.d.n. MAN-PRODUCTEN ROTTERDAM B.V.),

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TYBEX WAREHOUSING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

C. STEINWEG-HANDELSVEEM B.V. (voorheen h.o.d.n. HANDELSVEEM B.V.),

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaten: mrs. R. de Haan en G.W. Oreel.

Partijen zullen hierna, beiden in vrouwelijk enkelvoud, Cosco en Nedspice genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12;

- de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele conclusies;

- akte houdende producties 13 tot en met 17 van de zijde van Nedspice;

- de van de zijde van Cosco bij brief d.d. 29 januari 2010 overgelegde producties 18 tot en met 26;

- het faxbericht met bijlage van 4 februari 2010 van de zijde van Cosco;

- het faxbericht van de zijde van Nedspice d.d. 4 februari 2010;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 februari 2010 ter gelegenheid waarvan namens Cosco is verschenen mr. Van Leeuwen. Namens Nedspice zijn mrs. De Haan en Oreel verschenen;

- de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijdens beide partijen overgelegde pleitnota’s.

De feiten

2.1 Nedspice heeft op 21 juni 1993 - na daartoe verkregen verlof van de (toenmalige) President van deze rechtbank - conservatoir beslag doen leggen op het door Cosco gerede zeeschip ‘Xin An Jiang’ terzake van gepretendeerde vorderingen op Cosco in verband met het vervoer van beschimmelde Chinese grondnoten van Qingdao (China), naar Vlissingen.

2.2 Op 30 juli 1993 zijn ter opheffing van voormeld beslag door de UK P&I Club ten gunste van Nedspice twee garanties gesteld voor een bedrag van respectievelijk NLG 910.000,-- en NLG 300.000,--, samen afgerond € 549.000,--.

2.3 De garanties bevatten - voor zover hier van belang - de navolgende clausules:

“The undersigned and the Creditor submit tot the jurisdiction of the competent

Court of Law in Rotterdam/Amsterdam for any disputes and claims hereunder.”

“This guarantee shall expire unless before or within twelve months from the date of signing

hereof legal proceedings have been instituted with relation to the aforesaid issue in a competent Court of Law having jurisdiction in the matter (…) or an appointment of one or more arbitrators has been notified or requested or proposed under an arbitration clause (…).

2.4 Op 15 oktober 2008 is ten gunste van Cosco door de verzekeraar van Nedspice (Schadeverzekering Maatschappij Erasmus B.V.) een tegengarantie gesteld voor een bedrag van € 82.361,--.

2.5 Nedspice heeft Cosco op 30 mei 1994 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en de aan voornoemd beslag ten grondslag liggende vordering ingesteld.

2.6 Bij eindvonnis van 13 januari 2010 heeft de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen van Nedspice kennis te nemen en Nedspice in de proceskosten veroordeeld.

2.7 Nedspice heeft aangekondigd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2010.

2.8 Cosco heeft Nedspice verzocht tot teruggave van de garanties, hetgeen Nedspice tot op heden heeft geweigerd.

3. Het geschil

3.1 Cosco vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- Nedspice te veroordelen de originelen van de als productie 2a+b overgelegde garanties aan haar raadsman terug te geven op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van

€ 10.000,-- voor ieder uur dat Nedspice daarmee in gebreke blijft ingaande 24 uur na betekening van dit vonnis, met een maximum van € 550.000,--,;

- Nedspice te veroordelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis schriftelijk de UK P&I Club onvoorwaardelijk en definitief uit haar verplichtingen onder de bedoelde garantie te ontslaan, onder bepaling dat indien Nedspice niet binnen de gestelde termijn aan die veroordeling voldoet, het vonnis in de plaats treedt van de décharge van UK P&I Club onder de bedoelde garantie en met dat doel en effect aan de UK P&I Club kan worden meegedeeld, althans de raadsman van Cosco te machtigen een décharge aan deze P&I Club namens Nedspice te verlenen;

- met veroordeling van Nedspice hoofdelijk in de kosten van het geding.

3.2 Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt Cosco - voor zover voor de beoordeling van deze zaak van belang - het navolgende.

De rechtbank is bevoegd van onderhavig geschil kennis te nemen aangezien het beslag destijds met verlof van de (toenmalige) President van deze rechtbank is gelegd.

Cosco heeft een spoedeisend belang bij haar vordering aangezien de rechtbank Rotterdam bij eindvonnis van 13 januari 2010 heeft geoordeeld onbevoegd te zijn om kennis te nemen van de vorderingen van Nedspice en er nog geen hoger beroep tegen dit vonnis is ingesteld. Gelet op het tijdsverloop en de inhoud van voornoemd vonnis kan summierlijk de ondeugdelijkheid van de door Nedpice beweerde vordering worden aangetoond.

Nedspice houdt ten onrechte vast aan de in 1993 ten gunste van haar gestelde garanties, welke garanties geen enkel inhoudelijk doel meer dienen en daarmee onevenredige schade toebrengen aan Cosco. De vordering tot zekerheid waarvan de garanties ten gunste van Nedspice zijn afgegeven zal, gelet op de duur van de bodemprocedure en de uitkomst daarvan in eerste instantie, naar alle waarschijnlijkheid in hoger beroep niet meer worden toegewezen. In die omstandigheden behoren de garanties te worden teruggegeven. Daarbij heeft te gelden dat de door de verzekeraar van Nedspice ten gunste van Cosco gestelde tegengarantie te laag is.

3.3 Nedspice voert gemotiveerd verweer en verzoekt de voorzieningenrechter:

- zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de vorderingen van Cosco;

- bij vonnis Cosco te veroordelen tot het stellen van zekerheid binnen een termijn van één week na het wijzen van het incidentele vonnis op straffe van niet-ontvankelijkheid voor een totaal bedrag van € 1.262,--, middels een bankgarantie volgens Rotterdam model, laatste versie door een eerste klas Nederlandse bank;

- bij vonnis Cosco in haar vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans Cosco deze te ontzeggen;

- alles met veroordeling van Cosco in de kosten van het geding, inclusief de nakosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.4 Nedspice beroept zich allereerst op de onbevoegdheid van deze rechtbank stellende

dat in de garantiebepalingen is opgenomen dat een geschil omtrent de garanties dient te worden voorgelegd aan de rechtbank Rotterdam of Amsterdam.

Voorts stelt Nedspice dat er van enig spoedeisend belang aan de zijde van Cosco niet is gebleken, nu de garanties reeds in juli 1993 zijn gesteld en Cosco niet eerder dan eind juli 2008 heeft gemeld aanzienlijke schade te lijden door het laten uitstaan van de garanties. De gestelde schade heeft Cosco nauwelijks onderbouwd.

De gronden voor opheffing van een beslag, zoals neergelegd in artikel 705 Rv zijn niet van toepassing, aangezien de garanties op een overeenkomst berusten. Bovendien bevat de tekst van de garanties geen enkel aanknopingspunt voor teruggave van de garanties. De garanties beogen zekerheid te bieden voor de vordering van Nedspice. Pas indien er in een bodemprocedure een definitieve beslissing is of er een onaantastbare schikking is getroffen, behoeven de garanties teruggegeven te worden. Ook een belangenafweging in de zin van artikel 705 Rv valt uit in het nadeel van Cosco. De enige verhaalsobjecten die Nedspice heeft zijn de garanties, dit terwijl voor de eventuele kosten van Cosco door de verzekeraar van Nedspice een tegengarantie is gesteld. Niet is aangetoond dat de vordering van Nedspice ondeugdelijk zou zijn. De vordering vormt onderdeel van een procedure die voorlopig nog niet is afgerond, aangezien Nedspice hoger beroep zal instellen tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam.

4. De beoordeling

4.1 Ten aanzien van zijn bevoegdheid om van het onderhavige geschil kennis te nemen overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Op 21 juni 1993 heeft de (toenmalige) President van deze rechtbank Nedspice verlof verleend tot het doen leggen van conservatoir beslag op het door Cosco gerede zeeschip ‘Xin An Jiang’. Op grond van artikel 705 Rv is de voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft verleend bevoegd tot opheffing van het beslag. Van deze bevoegdheid is geen gebruik gemaakt, aangezien het beslag vrijwillig is opgeheven na het stellen van de twee garanties. De bevoegdheid van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is door de vrijwillige opheffing van het beslag niet komen te vervallen. De aard van de bevoegdheid ex artikel 705 Rv staat daaraan in de weg. Deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter strekt er namelijk mede toe om, ook wanneer de door het beslag getroffene om haar moverende redenen geen kort geding tot opheffing van het beslag aanspant, als gevolg van die opheffing nadien rijzende geschillen over de opheffingsvoorwaarden te beslechten. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

De in de garanties opgenomen bepaling dat een geschil over de zijdens Cosco gestelde garanties dient te worden voorgelegd aan de rechtbank Rotterdam of Amsterdam, heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter betrekking op geschillen terzake de inhoud en uitleg van de garanties, dit terwijl het in onderhavige zaak een vordering strekkende tot teruggave van de garanties betreft.

4.2 Door Nedspice is verzocht Cosco te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten aangezien Cosco een partij betreft die haar sociale en economische activiteiten buiten Nederland heeft. Nu de advocaat van Cosco - voor het geval dat Cosco tot betaling van de proceskosten zou worden veroordeeld - op de mondelinge behandeling de betaling van de proceskosten heeft gegarandeerd en daar namens Nedspice is meegedeeld dat dit voldoende garantie is, behoeft de voorzieningenrechter op dit punt geen beslissing meer te nemen.

4.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat op ieder redelijk moment getoetst moet kunnen worden of de in 1993 ten gunste van Nedspice gestelde garanties op terechte gronden nog door Nedspice onder zich worden gehouden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er thans sprake van een ‘redelijk moment’ als hiervoor bedoeld. Immers de rechtbank Rotterdam heeft zich bij vonnis van 13 januari 2010 onbevoegd verklaard om van de vorderingen van Nedspice kennis te nemen. Genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam brengt, gelet op het in dit vonnis opgenomen oordeel dat partijen zijn gebonden aan het in het cognossement opgenomen arbitrale beding en er om die reden arbitrage zou dienen plaats te vinden in de Volksrepubliek China, met zich mee dat het vooralsnog niet onaannemelijk moet worden geacht dat het starten van arbitrage na een tijdsverloop van circa 16½ jaar nog mogelijk is. Bovendien is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door Cosco gestelde (oplopende) schade ten gevolge van de ten gunste van Nedspice gestelde garanties niet onaannemelijk is.

Op grond van het vorenoverwogene komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat Cosco een spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot teruggave van de garanties.

4.4 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de maatstaf van artikel 705 Rv in casu analoog van toepassing is op de vordering tot teruggave van de onderhavige garanties. Een conservatoir beslag is, net als een garantie, in beginsel bedoeld voort te duren totdat bij gewijsde over de vordering is beslist en dus niet valt in te zien waarom een conservatoir beslag wel tussentijds kan worden opgeheven en ten aanzien van een vervangende zekerheid niet tussentijds teruggave of vermindering zou kunnen worden gelast. Dat niet expliciet een voorbehoud is gemaakt om tussentijdse beëindiging te kunnen vorderen, betekent niet dat afstand is gedaan van de vóór de vervanging bestaande bevoegdheid om het voortduren van de zekerheid in kort geding aan de orde te stellen. Ook in onderhavige zaak sluit de tekst van de garanties een eis tot tussentijdse teruggave niet uit. Een redelijke uitleg van de overeenkomst tot het (doen) stellen van de vervangende zekerheid brengt dan ook mee dat de mogelijkheid om naar analogie van art. 705 Rv tussentijds teruggave te verlangen overeind blijft.

4.5 Uit het vorenstaande volgt dat voor de beslissing over de toewijsbaarheid van de vordering van Cosco tot teruggave van de garanties beoordeeld moet worden of summierlijk van de ondeugdelijkheid van de door Nedspice gepretendeerde vorderingen blijkt.

Het feit dat er sedert het stellen van de garanties in 1993 pas op 13 januari 2010 een vonnis is gewezen waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard met als gevolg dat partijen in China een arbitrage dienen te starten, kan, mede gelet op het tijdsverloop, een (sterke) aanwijzing zijn voor de ondeugdelijkheid als bedoeld in artikel 705 Rv. Dit leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat de garanties moeten worden teruggegeven. Ook in een dergelijke situatie dient de voorzieningenrechter de belangen van Cosco en Nedspice bij toe- althans afwijzing van de vordering tot teruggave van de garanties tegen elkaar af te wegen.

4.6 Tussen deze partijen en vele andere vervoerders en ladingbelanghebbenden zijn diverse procedures gevoerd. Achtergrond van deze procedures is de aanvoer van beschimmelde grondnoten uit China, in het begin van de negentiger jaren. In enkele geschillen wordt nog in Nederland geprocedeerd. De uitkomst van die procedures in nog onzeker.

Cosco heeft al 17 jaren de last van de afgegeven garanties. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2010 maakt het aannemelijk dat de vordering van Nedspice niet zal slagen. Als de arbitrage in China aanhangig gemaakt moet worden is Nedspice waarschijnlijk te laat omdat dit tot nu toe niet is gebeurd. Zekerheid over de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter is er echter nog niet. Nedspice wil deze vraag in hoger beroep aan het hof voorleggen. De afgegeven garanties zijn de enige verhaalsobjecten die Nedspice heeft. Indien het Hof anders oordeelt dan de rechtbank Rotterdam en de garanties niet meer bestaan, dan heeft Nedspice geen verhaalsmogelijkheden. In dit kort geding kan geen voorspelling worden gedaan over de uitkomst van de hoger beroepsprocedure.

Nedspice heeft aan Cosco een garantie gegeven voor de kosten van de garantstelling.

Afwegend een mogelijk andersluidend oordeel in hoger beroep, het ontbreken van een andere verhaalsmogelijkheid voor Nedspice en de garantstelling voor de kosten van Cosco voor het aanhouden van de garantie legt het belang van Cosco bij teruggave van de garantie ondanks de inmiddels verstreken periode, minder gewicht in de schaal.

De vordering tot teruggave wordt dus afgewezen.

4.7 Cosco zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Nedspice worden begroot op:

- griffierecht € 262,--

- salaris advocaat € 1.054,--

Totaal € 1.316,--

De mede gevorderde nakosten, waartegen geen verweer is gevoerd, zijn ook toewijsbaar op na te melden wijze.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Cosco in de proceskosten, aan de zijde van Nedspice tot op heden begroot op

€ 1.316,--;

veroordeelt Cosco in de nakosten, volgens het toepasselijke liquidatietarief begroot op een bedrag van € 131-, en, indien en voor zover Cosco niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan dit vonnis heeft voldaan, vermeerderd met een bedrag van € 68,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanzegging van de nakosten aan Cosco tot de dag van voldoening;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2010.