Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BN4871

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
19-08-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
Awb 09/773
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vermoeden ongeschiktheid art. 130 WVW terecht gebaseerd op te hoog alcoholgehalte rijdend op een bromfiets. Uitzondering rijbewijs AM in bijlage 1 bij Regeling maatregelen geldt alleen in het geval de betrokkene uitsluitend rijbewijs AM heeft.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/98

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/773

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. A.I. Cambier, advocaat te Axel,

tegen

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR),

gevestigd te Rijswijk (ZH),

verweerder.

I. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van verweerder van 29 juli 2009 (het bestreden besluit).

Het beroep is op 3 juni 2010 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR.

Het onderzoek is ter zitting gesloten.

II. Overwegingen

1. Artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) bepaalt:

Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Artikel 131, eerste lid, van de WVW bepaalt:

Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling genomen.

Artikel 2 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) bepaalt:

1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

2. Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1 onder 'Drogerende stoffen Alcohol', dient betrokkene

bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs

is vereist.

Bijlage 1 van de Regeling – voor zover van belang en zoals dit luidde ten tijde van belang – bepaalt:

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid dan wel over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, met uitzondering van categorie AM:

III. Drogerende stoffen

Alcohol

a. bij betrokkene is een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;

Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling bepaalt dat het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8 ‰.

2. Bij op 20 april 2009 bij verweerder ingekomen bericht heeft de korpschef van de Politie Zeeland, aan verweerder een schriftelijke mededeling ex artikel 130 van de WVW gedaan, inhoudende dat bij eiser op 26 maart 2009 een ademalcoholgehalte gelijk aan of hoger dan 570µg/l, te weten 825 µg/l, is geconstateerd. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan bij besluit van 22 april 2009 eiser verplicht mee te werken aan een onderzoek naar

de geschiktheid in de zin van artikel 131 van de WVW.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser met een ademalcoholgehalte van 825 µg/l

is aangehouden terwijl hij op een bromfiets reed, waarvoor een rijbewijs AM vereist is.

Op grond van artikel 6, eerste lid, juncto artikel 2 van de Regeling is verweerder dan gehouden een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen. Onderzocht moet worden of eiser, als houder van een rijbewijs B, voldoet aan de eisen van geschiktheid die gesteld worden aan de houder van een rijbewijs voor de categorieën B en B/E.

4. Eiser betoogt primair dat ingevolge artikel 2 van de Regeling een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden genoemd in bijlage 1 bij de Regeling (hierna: bijlage 1). Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Regeling dient, wil er sprake zijn van een vermoeden gebaseerd op “Drogerende stoffen Alcohol”, de bestuurder betrokken te zijn bij tenminste één feit waarvoor een rijbewijs is vereist. Op grond van de bijlage 1 gelden de feiten en omstandigheden, genoemd in bijlage 1, echter voor de categorieën motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, met uitzondering van categorie AM. Nu in dit geval de Korpschef het vermoeden van ongeschiktheid heeft gerelateerd aan het rijbewijs voor de categorie AM, is bijlage 1 niet van toepassing. De Korpschef heeft de mededeling als bedoeld in artikel 130 WVW derhalve ten onrechte gedaan.

Subsidiair stelt eiser dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, omdat bestuurders met alleen een rijbewijs voor de categorie AM anders behandeld worden dan bestuurders die tevens beschikken over een rijbewijs voor de categorieën B en BE, nu de eerstgenoemde groep bestuurders zich niet aan een onderzoek te onderwerpen in het geval men als bestuurder van een bromfiets geverbaliseerd wordt en de tweede wel.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Eiser is houder van zowel een rijbewijs voor de categorie B (personenauto) als een rijbewijs voor de categorie AM (bromfiets).

Niet in geschil is dat bij eiser op 26 maart 2009 terwijl hij op een bromfiets reed een ademalcoholgehalte van 825 µg/l is geconstateerd.

Er is derhalve voldaan aan de voorwaarde genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Regeling dat de betrokkene bij minimaal één feit bestuurder is geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist, in dit geval het rijbewijs AM. Daarnaast is voldaan aan het in bijlage 1 onder III genoemde feit dat bij eiser een ademalcoholgehalte is geconstateerd hoger dan 570 µg/l.

6. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder eiser verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid van eiser voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs B is afgegeven. Het betreft dus niet een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een bromfiets (rijbewijs AM).

7. Artikel 130 van de WVW bepaalt dat de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen mededeling moeten doen aan het CBR bij een vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven.

8. In bijlage 1 worden de feiten of omstandigheden weergegeven, die het in artikel 130 van de WVW bedoelde vermoeden rechtvaardigen dat de betrokkene niet langer beschikt over de geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

Naar het oordeel van de rechtbank moet, anders dan eiser meent, de in de aanhef van

bijlage 1 opgenomen uitzondering voor de categorie AM, zo gelezen worden dat de uitzondering van categorie AM betrekking heeft op de geschiktheid voor het besturen

van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is afgegeven en niet op het feit dat de constatering van het vermoeden is gedaan terwijl de betrokkene op een bromfiets reed.

Dat betekent dat alleen in het geval dat een betrokkene uitsluitend in het bezit is van een rijbewijs AM, en niet, zoals eiser, van een rijbewijs voor een of meer van de overige categorieën, de in bijlage 1 genoemde feiten en omstandigheden geen grond kunnen vormen voor het vermoeden bedoeld in artikel 130 van de WVW.

Deze lezing strookt met artikel 2, tweede lid, van de Regeling, waaruit blijkt dat het vermoeden wel kan worden geconstateerd bij het rijden op een bromfiets. De korpschef heeft weliswaar in zijn mededeling het rijbewijs AM van eiser vermeld, maar daar doet niet aan af dat eiser houder is van een rijbewijs B. Het betoog van eiser moet dan ook worden verworpen.

9. Voor een schending van het gelijkheidsbeginsel in de zin als door eiser bedoeld, ziet de rechtbank geen grond. Er is geen sprake van gelijke gevallen. Immers de ene bestuurder beschikt over uitsluitend een rijbewijs voor de categorie AM en de andere bestuurder mede over een rijbewijs voor een of meer andere categorieën. Daarin ligt de rechtvaardiging van het onderscheid. Op grond van de bestaande wettelijke regeling kan geen verplichting tot een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd worden aan houders van uitsluitend een rijbewijs voor de categorie AM.

10. De conclusie is dat verweerder eiser terecht heeft verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bins-Scheffer, griffier en op 19 augustus 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: