Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BN4002

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
12/700131-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoer van 10,87 kilo cocaine in Nederland. Beroep op psychische overmacht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700131-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 augustus 2010

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woongegevens]

thans gedetineerd in Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. Dunsbergen, advocaat te [geboorteplaats]

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juli 2010, waarbij de officier van justitie mr. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie voornemens is een vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht tegen de verdachte aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op vordering van de officier van justitie gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging luidt als volgt:

1.

hij op of omstreeks 10 april 2010 te Nieuwdorp, gemeente Borsele, en/of gemeente Vlissingen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht,

als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en heeft vervoerd en aanwezig heeft

gehad, ongeveer 10,87 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008

tot en met 10 april 2010, in de gemeente Kapelle, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) (een) voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en),

hebben/heeft verworven, voorhanden hebben/heeft gehad, hebben/heeft

overgedragen en/of omgezet, althans daarvan gebruik hebben/heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(ten) dat bovenomschreven voorwerp(en)

(telkens) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het daarna vervoeren en aanwezig hebben van 10,87 kilogram cocaïne, en het witwassen van geldbedragen tot een in ieder geval een bedrag van € 80.000,00. Hij baseert zich daarbij op het aantreffen van het pakketje, het onderzoek van de inhoud, de bekennende verklaringen van verdachte en met betrekking tot het witwassen ook de verklaring van de partner van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van het vervoeren en aanwezig hebben van 10,87 kilogram cocaïne. Ook ten aanzien van het witwassen van geldbedragen komt zij tot een referte aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat zij van mening is dat de ten laste gelegde periode te ruim is en dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van medeplegen. Zij wijst daarbij op de verklaring van verdachte dat het is begonnen in september 2008. Verder is er geen enkele indicatie in het dossier dat er al eerder sprake is geweest van witwassen. Ten aanzien van het medeplegen bevinden zich in het dossier geen aanwijzingen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Verdachte is als sjorder werkzaam bij het bedrijf Supermaritime te Nieuwdorp . Dit bedrijf zorgt voor het laden en lossen van boten . Op 9 april 2010 is aan de kade van de haven te Nieuwdorp een schip met een lading uit Ecuador afgemeerd . De volgende dag, op 10 april 2010, ziet [medewerker] verdachte rond het middaguur vanaf het schip met een pakketje onder zijn arm naar de loods lopen waarin zijn auto staat geparkeerd. Het valt hem op, omdat verdachte het pakketje bedekte met zijn trui. Hij is later op zoek gegaan naar het pakketje. Hij heeft dit gevonden in de loods achter kratten. Omdat hij het pakket niet kon plaatsen als een onderdeel van de lading, vermoedt hij dat het om drugs gaat. Nadat verdachte naar huis is gegaan, heeft [medewerker] het pakketje opgehaald en opengemaakt. In het pakket zaten 12 of 13 ingepakte schijfjes met een witte harde massa . Het totaal nettogewicht van deze stof bedraagt 10,87 kilogram . Door het Nederlands Forensisch Instituut is vervolgens vastgesteld dat het materiaal cocaïne bevat .

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 10 april 2010 in opdracht van ene [opdrachtgever] een pakketje cocaïne van een schip heeft gehaald . Verdachte wist dat de inhoud uit cocaïne bestond. Ter terechtzitting heeft hij deze verklaring herhaald .

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, zoals hieronder vermeld. Volgens vaste jurisprudentie (onder andere Hoge Raad 26 juni 1990, LJN AD1170) valt de handeling van verdachte als verlengde invoer onder het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de cocaïne.

Feit 2

Verdachte heeft verklaard dat hij vlak voor zijn vakantie in september 2008 is benaderd door [opdrachtgever] met de opdracht pakketjes met daarin cocaïne voor hem van een schip te halen. Hij heeft dit in totaal vijf keer gegaan. Hij heeft daarvoor geldbedragen ontvangen van

€ 5.000,00, twee keer € 15.000,00, € 20.000,00 en € 40.000,00, afhankelijk van de grootte van het pakketje. [opdrachtgever] bracht deze geldbedragen naar de woning van verdachte in Kapelle. Van het geld heeft hij luxe geleefd. Zo heeft hij het geld uitgegeven aan een bankstel, sieraden, een Porsche en heeft hij een deel van zijn schulden afgelost . Ter terechtzitting is verdachte bij deze verklaring gebleven . De verklaring van verdachte wordt bevestigd door de verklaring van de partner van verdachte, mevrouw [partner van verdachte]. Zij heeft verklaard dat verdachte ongeveer vijf keer in opdracht van [opdrachtgever] een pakketje van boord heeft gehaald. Hij kreeg daarvoor drie keer geldbedragen tussen de € 5.000,00 en

€ 10.000,00, een keer € 20.000,00 en een keer € 40.000,00 . Van dit geld hebben zij onder andere een bankstel, televisie, kleding, sieraden en een Porsche gekocht .

De politie heeft een opstelling gemaakt van de contante uitgaven van verdachte en zijn partner . Hieruit blijkt dat zij in de periode van 5 januari 2009 tot en met 28 maart 2010 in totaal een bedrag van minimaal € 76.814,51 hebben uitgegeven.

Verdachte heeft verklaard dat zijn netto maandinkomen € 1.500,00 tot € 1.600,00 bedraagt . Mevrouw [partner van verdachte] heeft verklaard dat zij € 1.000,00 per maand verdient .

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de geldbedragen die verdachte heeft ontvangen van misdrijf afkomstig zijn, hetgeen verdachte en zijn partner ook wisten. Zij hebben het geld samen uitgegeven. Derhalve kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte tezamen en in vereniging geld heeft witgewassen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat zij dit feit hebben gepleegd vanaf 1 januari 2008. Verdachte en zijn partner verklaren dat verdachte pas omstreeks de vakantie in september 2008 voor het eerst pakketjes van boord heeft gehaald. Verder bevat het dossier geen aanknopingspunten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte ook voor die tijd al geldbedragen heeft ontvangen voor de invoer van cocaïne. Als periode dient dan ook te worden aangehouden 1 september 2008 tot en met 10 april 2010.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 10 april 2010 te Nieuwdorp, gemeente Borsele, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht,

als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en heeft vervoerd en aanwezig heeft

gehad, 10,87 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I,

2.

op tijdstippen in de periode van 1 september 2008 tot en met 10 april 2010, in de gemeente Kapelle,

tezamen en in vereniging met een ander telkens voorwerpen, te weten geldbedragen,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft

overgedragen en/of omgezet,

terwijl hij en zijn mededader wisten dat bovenomschreven voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Psychische overmacht

5.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting een beroep gedaan op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht en geconcludeerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft de cocaïne in opdracht en onder bedreiging van het schip gehaald. De opdrachtgever heeft verdachte een foto getoond van zijn dochter, waarvan het hoofd was afgescheurd. Hij zou daarbij hebben gezegd “jij bent van mij” en ook “we maken je kapot”. Als gevolg van de bedreigingen was verdachte doodsbang. Uit de diverse getuigenverklaringen blijkt dat verdachte tobde met zijn gezondheid. Uit de medische stukken die eerder door de verdediging zijn overgelegd blijkt daarnaast dat de klachten van verdachte grotendeels overeenkomen met de periode waarin hij onder druk is gezet. Er bestaat dus een aantoonbaar verband tussen de fysieke klachten en de druk die verdachte voelde om cocaïne in Nederland in te voeren. Het handelen van verdachte voldoet aan de eis van proportionaliteit. Hij was doodsbang dat als hij de cocaïne niet van het schip zou halen dit hem of zijn gezin het leven zou kunnen kosten en zag geen andere uitweg. Het feit dat verdachte geld heeft ontvangen doet daaraan niets af. Ook als verdachte het geld niet had aangenomen, zou [opdrachtgever] zijn doorgaan. Daarom vindt de verdediging het een realistische veronderstelling dat verdachte onder druk is gezet en wel zodanig dat er sprake was van een van buitenkomende drang waartegen weerstand weliswaar niet volkomen onmogelijk was, doch redelijkerwijs niet van verdachte gevergd kon worden.

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat hetgeen door verdachte naar voren is gebracht onvoldoende is om de aanwezigheid van psychische overmacht aannemelijk te achten. Verdachte heeft verklaard dat hij onder druk is gezet om cocaïne Nederland binnen te brengen en dat hij als gevolg daarvan depressieve en lichamelijke klachten heeft ontwikkeld. Verdachte is in detentie onderzocht door een psychiater die geen causaal verband heeft gevonden tussen de klachten van verdachte en de druk die op hem zou zijn uitgeoefend. Uit de informatie van de huisarts blijkt dat de klachten van verdachte al jarenlang speelden en te maken hadden met andere oorzaken. Tot slot blijkt uit verschillende getuigenverklaringen dat verdachte regelmatig problemen had met of over zijn kinderen, hetgeen hem veel stress opleverde. De officier van justitie is dan ook van mening dat de klachten van verdachte niet in verband staan met de door hem gepleegde delicten en zeker geen onderbouwing geven voor de stelling dat verdachte onder aanhoudende ernstige druk heeft gestaan om cocaïne Nederland binnen te brengen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet aannemelijk zijn dat betrokkene zich ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit in zodanige bedreigende omstandigheden bevond dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden dat hij zich onthield van de invoer van cocaïne. Uit hetgeen door (en namens) verdachte is aangevoerd, is het bestaan van dergelijke omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.

De stelling van verdachte dat hij de cocaïne onder bedreiging heeft ingevoerd wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verklaring van de partner van verdachte wijst veeleer op het tegendeel. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn partner op de hoogte was van de bedreigingen. Zij ging ook altijd naar boven op het moment dat [opdrachtgever] in hun woning aanwezig was. De reden daarvoor was volgens verdachte het feit dat [opdrachtgever] dan bedreigingen uitte. De partner van verdachte heeft echter tegenover de politie op geen enkel moment verklaard over bedreigingen die door [opdrachtgever] zouden zijn geuit tegen verdachte. Sterker nog, als haar door de politie wordt gevraagd of verdachte vrijwillig cocaïne in Nederland invoerde, antwoordt zij dat hij het volgens haar vrijwillig deed, want hoe kun je zo’n feit gedwongen doen.

De overgelegde medische gegevens ondersteunen het relaas van de verdediging onvoldoende. De rechtbank maakt uit de medische stukken die in het kader van een schorsingsverzoek aan de rechtbank zijn overgelegd op dat de hoofdpijnklachten van verdachte op 28 oktober 2009 al al enkele jaren bestonden en derhalve al voor september 2008. Voorts blijkt uit die stukken dat verdachte, nadat hij in april 2009 een total bodyscan in Duitsland met een positieve uitslag had ondergaan, meer ontspannen was en dat de klachten enige tijd weg zijn geweest. Dit strookt niet met de stelling dat de klachten het gevolg waren van de bedreigingen, nu de bedreigingen op dat moment volgens verdachte nog steeds bestonden. De rechtbank sluit overigens niet uit dat de klachten die verdachte heeft ervaren te maken hebben gehad met de spanningen die het plegen van een dergelijk misdrijf (ook zonder bedreigingen) met zich mee (kan) brengen.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet onder de gestelde druk uit had kunnen komen door zich bijvoorbeeld tot de politie te wenden. De enkele stelling van verdachte dat hij doodsbang was, is daartoe onvoldoende.

Onder vorengenoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank de stelling van verdachte, dat hij de cocaïne ingevoerd heeft onder druk van bedreigingen waaraan hij geen weerstand kon bieden, niet aannemelijk. De rechtbank heeft bij dat oordeel ook het feit betrokken dat verdachte gedurende langere tijd de vruchten heeft geplukt van de invoer van cocaïne in Nederland. Hij heeft namelijk van de aanzienlijke geldbedragen die hij voor zijn bijdrage kreeg, zoals hij zelf ook ter terechtzitting heeft verklaard, “goed geleefd”. Dat verhoudt zich niet met de gestelde psychische druk.

Zo er al sprake zou zijn van enige druk, dan is die, gelet op het hiervoor overwogene, naar het oordeel van de rechtbank niet van dusdanige aard geweest dat deze een beroep op psychische overmacht rechtvaardigt.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de opmerkingen die zij heeft gemaakt ter onderbouwing van het verweer van psychische overmacht. Daarnaast bepleit zij rekening te houden met het volgende. Verdachte heeft geen strafblad. Hij kan slechts worden aangemerkt als ‘pakezel’ en niet als standaard drugskoerier, nu hij onder druk is gezet. Verdachte neemt voorts zijn verantwoordelijkheid. Hij heeft immers, na enige aarzeling uit angst voor represailles, open en eerlijk verteld over zijn aandeel. Hij zal waarschijnlijk zijn woning niet kunnen behouden. Verdachte hoopt snel de draad weer op te kunnen pakken. Hij kan na zijn vrijlating aan het werk.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het opleggen van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden en de ernst van de gepleegde feiten en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van een verdachte.

Verdachte heeft zich - zoals bewezen verklaard - schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer in Nederland van 10,87 kilogram cocaïne. Daarnaast heeft verdachte - naar eigen zeggen - over een periode van ongeveer anderhalf jaar nog vijf keer handelshoeveelheden cocaïne in Nederland ingevoerd, hetgeen overigens niet is ten laste gelegd. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Verdachte heeft aldus gefaciliteerd dat aanzienlijke hoeveelheden cocaïne in de samenleving terecht kwamen. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte heeft zich blijkbaar alleen door financiële motieven laten leiden. Hij heeft er goed van geleefd, zoals hij zelf heeft verklaard. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van aanzienlijke geldbedragen die hij heeft ontvangen voor de invoer van cocaïne in Nederland. Verdachte heeft hiervoor geldbedragen ontvangen tussen de € 5.000,00 en € 40.000,00. In totaal heeft hij zeker € 80.000,00 gekregen, maar mogelijk ook € 95.000,00. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

De rechtbank houdt bij de straftoemeting rekening met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat in de persoonlijke omstandigheden van verdachte grond is gelegen om ten voordele van verdachte af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. Verdachte is blijkens zijn strafblad niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Uit het dossier is voorts niet gebleken dat verdachte als de initiatiefnemer voor de invoer van de cocaïne in Nederland kan worden aangemerkt.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

7 Het beslag

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie merkt op dat de voorwerpen die op de beslaglijst staan, met uitzondering van de voorwerpen waarop conservatoir beslag is gelegd, kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

Onttrekken aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat deze voorwerpen geheel door middel van het bewezen verklaarde feit zijn verkregen.

Verder zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van

de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 2: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- mapje pasfoto’s

- laptop

- map bankbescheiden ABN AMRO;

- map van beenhuis inhoudende bescheiden

- memory-card

- gsm Nokia, inclusief hoes en lader

- gsm Mitsubishi

- papier (diverse financiële bescheiden)

- rekening (bon relacks en bon autobedrijf witte

- rekening (bon landhuishotel bloemenbeek fam [partner van verdachte])

- rekening (bon eyewish)

- 2 x spaarkaart van juwelier Pour Vous

- garantiebewijs (erog sleep comforter c-9000 sensea)

- doosje galerie het moment zwart

- papier (financiële bescheiden)

- gsm Siemens s65

- notitiepapier met daarop telefoonnummer 06-44151134

- gsm Nokia met oplaadsnoer

- dagkaart Zeelandhallen [geboorteplaats]

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten meerdere pakjes cocaïne.

Dit vonnis is gewezen door mr. Haesen, voorzitter, mr. Hopmans en mr. De Roos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 augustus 2010.