Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BN3492

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
Awb 09/224
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling 19.1 WRO. Appartementencomplex Tholen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/224

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6],

allen wonende te [woonplaats],

eisers, gemachtigde mr. R.G.A. Wouters, juridisch en bestuurlijk adviseur te Boekel,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen,

te Tholen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2007 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO oud) aan [naam 7] vrijstelling verleend voor het realiseren van een appartementencomplex op de percelen aan de Westvest te [plaats].

Bij besluit van 23 september 2008 heeft verweerder met gebruikmaking van voornoemd vrijstellingsbesluit een reguliere bouwvergunning verleend aan [naam 7] (verder: vergunninghouder) voor het oprichten van 14 appartementen aan de Westvest en Achter ’t Bos te [plaats].

Eisers hebben hiertegen een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 10 februari 2009, verzonden 13 februari 2009, heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 21 april 2010 behandeld ter zitting. Eisers zijn daar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Boer. Namens vergunninghouder zijn verschenen [naam 7] en [naam 8].

II. Overwegingen

1. Het bouwplan, waarvoor verweerder bij besluit van 11 juni 2007 vrijstelling heeft verleend, zag op de bouw van 16 appartementen met bijbehorende bergingen, waarbij de appartementen werden gerealiseerd in één blok met drie bouwlagen en een nokhoogte van 11,3 meter (rechtergedeelte 11,8 meter) en een oppervlakte van 612 m2. Nadien is bij besluit van

23 september 2008 voor een minder omvangrijk bouwplan bouwvergunning verleend, waarbij voorzien is in de bouw van 14 appartementen met bergingen. Deze appartementen worden gerealiseerd in blokken van acht en zes appartementen van elk drie bouwlagen. De nokhoogte is verlaagd naar 10,9 meter. De beide blokken hebben een omvang 320 m2 en 207 m2, in totaal 527m2. Verweerder heeft beide besluiten in de bezwaarprocedure gehandhaafd.

2. Eisers hebben aangevoerd dat het bouwplan ook na de aanpassing nog intimiderend massaal is met zijn drie bouwlagen en niet past tussen de rondom gelegen authentieke visserswoningen. Zij verwerpen het nadere welstandsadvies van 9 januari 2009. Met betrekking tot dit advies hebben eisers gesteld dat zij eerst over dit advies beschikten bij het bestreden besluit, terwijl dit advies reeds bekend was bij verweerder tijdens de hoorzitting van 16 januari 2009.

Eisers stellen dat met name de bewoners van de panden met de even huisnummers gelegen aan de straat Achter het Bos vermindering van privacy zullen ondervinden.

Eisers stellen verder dat als gevolg van het bouwplan een significante verhoging van de verkeersbewegingen zal plaatsvinden die gepaard zal gaan met een vermeerderde parkeerdruk parkeeroverlast. Zij menen dat de factor 1,4 voor het aantal parkeerplaatsen bij 14 appartementen ontoereikend zal blijken te zijn. Veel bewoners beschikken over een tweede auto. De keuze voor deze factor achten eisers onvoldoende gemotiveerd.

3. De rechtbank overweegt het volgende.

4. Ingevolge het overgangsrecht, geregeld in de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, blijft op een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 juli 2008.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kan ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling worden verleend van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

5. Niet in geschil is dat bovengenoemd bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Om het bouwplan mogelijk te maken, heeft verweerder onder gebruikmaking van de op 8 mei 2007 verleende verklaring van geen bezwaar van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland (GS), met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

6. Volgens vaste rechtspraak moeten aan de ruimtelijke onderbouwing van een project zwaardere eisen worden gesteld, naarmate de inbreuk van dat project op het geldende planologische regime groter is.

7. Op de gronden waarop het te realiseren appartementencomplex is voorzien, rusten ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Sint Maartensdijk” (hierna: het bestemmingsplan) de bestemmingen "Woondoeleinden (W)", "Wooneinden met detailhandel (WD)" en "Woondoeleinden met bedrijven (WB)" met de subbestemmingen “erf” en “tuin”.

Blijkens de verklaring van verweerder ter zitting kan binnen de huidige planologische mogelijkheden reeds tot een goothoogte van tien meter bebouwing gerealiseerd worden. Voorts is in de bestaande omgeving geen sprake van bebouwing waarvoor een specifieke bescherming van monumentale waarden geldt.

Gelet op de reeds geldende bestemmingen van woondoeleinden al of niet in combinatie met detailhandel of bedrijven en de reeds bestaande bouwmogelijkheden, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zeer grote inbreuk op het bestaande planologische regime. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat het bouwplan, waarvoor bij besluit van 23 september 2008 bouwvergunning is verleend, nog is aangepast. Dit betekent dat de eisen waaraan de ruimtelijke onderbouwing dient te voldoen niet zeer zwaar zijn.

8. Blijkens de ruimtelijke onderbouwing past het bouwplan binnen het beleid van het rijk, provincie en de gemeente waarbij prioriteit wordt gegeven aan herstructurering en inbreiding van het bebouwde gebied. Er wordt een passende invulling gegeven binnen het huidige bebouwingsbeeld van de Westvest. Verder wordt vermeld dat de bestaande kleinschalige woningbouw varieert in een goothoogte van 3 tot 9 meter. Bij het realiseren van het bouwplan dient de huidige woonomgeving als uitgangspunt te worden genomen en daartoe zijn stedenbouwkundige randvoorwaarden opgesteld waarbij de te realiseren woningen het ontstane gat aan de Westvest en de straat Achter ’t Bos moeten opvullen en waarbij de goot- en dakvoethoogte zes tot negen meter bedraagt.

Van gegevens waaruit volgt dat het bouwplan economisch niet haalbaar zou zijn, zoals eisers stellen, is de rechtbank niet gebleken. Ter zitting is van de zijde van verweerder in dit verband nog gesteld dat gebruik zal worden gemaakt van subsidiëring door de provincie Zeeland.

9. De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan voldoet aan de te stellen eisen.

10. Ten aanzien van de vermindering van privacy heeft verweerder gesteld dat de nieuw te bouwen woningen worden gerealiseerd op de plaats van het voormalige garagebedrijf en gesitueerd zijn op een afstand die niet afwijkt van hetgeen in het algemeen voorkomt en die voorts niet afwijkt van de bestaande mogelijkheden.

De rechtbank acht deze bevindingen, die door eisers niet afdoende, bijvoorbeeld door middel van een tegenonderzoek, zijn weerlegd, niet onaanvaardbaar. Verweerder heeft voorts gemotiveerd uiteengezet dat van een onacceptabele verkeersdruk als gevolg van de realisatie van het bouwplan geen sprake zal zijn. Verweerder heeft zijn bevindingen getoetst aan landelijke normen op dit punt. Ook deze bevindingen hebben eisers niet met eigen onderzoek bestreden.

Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in het kader van de afweging van belangen in redelijkheid tot onderhavige vrijstelling heeft kunnen besluiten.

11. Op 23 juni 2008 is door de welstandscommissie van de gemeente Tholen een welstandsadvies over het aangepaste bouwplan uitgebracht waarbij geconcludeerd is dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert om het plat afgedekte tussenblok te abstraheren door middel van donker metselwerk. Naar aanleiding van de bezwaren van eisers heeft de welstandscommissie het bouwplan opnieuw besproken. De commissie heeft besloten het eerder gegegeven advies in haar nadere motivering van 9 januari 2009, ontvangen door verweerder op 13 januari 2009, te handhaven.

12. Eisers hebben gesteld dat deze nadere motivering haar eerst bekend is geworden bij de bekendmaking van het bestreden besluit. De rechtbank stelt dienaangaande vast dat het nadere advies geen wijziging inhoudt van het eerder ingenomen standpunt. Zij komt tot de conclusie dat het advies van 9 januari 2009 geen feit of omstandigheid van aanmerkelijk belang betreft in de zin van artikel 7:9 van de Awb. Ter zitting hebben eisers overigens desgevraagd medegedeeld niet te zijn geschaad door de handelwijze van verweerder.

13. Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) mag verweerder aan het welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen en behoeft het overnemen van het welstandadvies in beginsel geen nadere toelichting.

14. De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van de bezwaren van eisers het welstandsadvies van 23 juni 2008 van een nadere motivering heeft voorzien. Eisers hebben die nadere motivering niet met een advies van een andere deskundige bestreden. Daartoe hebben eisers gesteld dat zij in de regio geen stedenbouwkundig bureau bereid hebben gevonden om voor omwonenden/particulieren een contra-expertise uit te voeren. Eisers hebben dit toegelicht aan de hand van correspondentie met een door hen benaderd bureau. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om een onderzoek te laten instellen door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (STAB), zoals door eisers is bepleit. Naar haar oordeel is van een absolute onmogelijkheid om een bureau in te schakelen niet gebleken en zij stelt voorts vast dat eisers gedurende de beroepsprocedure voldoende gelegenheid hebben gehad om enig deskundig bureau hier te lande in te schakelen. De rechtbank ziet dan ook geen reden dat verweerder voormeld advies niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen, nu van gebreken in de wijze van totstandkoming niet is gebleken.

15. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de vigerende bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of het stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

16. Vast staat dat wordt voorzien in de aanleg van 14 parkeerplaatsen op eigen terrein voor 14 appartementen. Verweerder heeft gewezen op de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW), waarin voor goedkope woningen in de schil van het centrum wordt uitgegaan van 1,4 parkeerplaats per woning.

17. Verweerder heeft gesteld dat 14 parkeerplaatsen voor het onderhavige bouwplan voldoende zijn. Daarbij heeft verweerder de beschikbaarheid en bezettingsgraad van de parkeergelegenheid in de directe omgeving van de bouwlocatie betrokken. Met die parkeergelegenheid wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. In dat kader heeft verweerder gewezen op de parkeergelegenheid aan de Haven. Eisers hebben dit niet weersproken.

18. De rechtbank stelt vast dat toepassing van vorengenoemde norm leidt tot de aanleg van 19,6 parkeerplaatsen bij het bouwplan. Ter zitting heeft verweerder erkend dat in dat geval ontheffing van het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening verleend had moeten worden. Dit betekent dat het bouwplan in strijd is met de bouwverordening, hetgeen voorts meebrengt dat niet voldaan is aan één van gronden genoemd in artikel 44 van de Woningwet, op grond waarvan vergunning van een reguliere bouwaanvraag moet worden geweigerd.

19. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. In het kader van de finale geschillenbeslechting ziet de rechtbank echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, nu verweerder genoegzaam uiteen heeft gezet dat voldoende parkeergelegenheid in de omgeving voorhanden is. Voorts is van andere gronden die tot weigering van de bouwvergunning zouden moeten leiden niet gebleken.

20. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 150,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op

€ 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door verweerder aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Dijkman als voorzitter en mr. W.M.P. van Alphen en mr. A.W. Ente als leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier en op 15 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 15 juli 2010