Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BN2481

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
zaak/reknr: 73059 / JE RK 10-352
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling zeilmeisje afgewezen. Ondertoezichtstelling met onmiddelijke ingang opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel

zaak/reknr: 73059 / JE RK 10-352

beschikking van de meervoudige kamer d.d. 27 juli 2010

in de zaak met betrekking tot de onder toezicht gestelde jeugdige

Laura Dekker (hierna: de jeugdige),

geboren te [adres], [geboorteplaats], op [geboortedatum],

advocaat: mr. P.A. de Lange te Barendrecht,

als kind van

[verzoeker] (hierna: de vader), wonende te [woonplaats], [adres],

advocaat: mr. P.A. de Lange te Barendrecht,

en

[belanghebbende] (hierna: de moeder), wonende te [woonplaats], [adres].

De ouders zijn belast met het gezag over de jeugdige. De jeugdige verblijft bij de vader.

1. Het procesverloop

1.1 Bij beschikkingen van 8 september 2009 van de rechtbank Utrecht (LJN: BJ7911) en 30 oktober 2009 (LJN: BK1598) is de (voorlopige) ondertoezichtstelling uitgesproken.

1.2 Bij beschikking van het hof te Amsterdam van 4 mei 2010 (LJN: BM2916) is de beschikking van de rechtbank Utrecht van 30 oktober 2010 bekrachtigd.

1.3 Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2010 (LJN: BM8125) is de termijn van de ondertoezichtstelling van de jeugdige met ingang van 1 juli 2010 en tot 1 augustus 2010 verlengd, met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht (hierna: Jeugdzorg Utrecht) als gezinsvoogdij-instelling. De beslissing op het resterende deel van het ter zitting van 14 juni 2010 door Jeugdzorg Utrecht gewijzigde verzoek is bij voornoemde beschikking aangehouden.

1.4 Per telefaxbericht van 19 juli 2010 heeft Jeugdzorg Utrecht het resterende deel van haar verzoek ingetrokken en daarbij tevens om tussentijdse beëindiging van de huidige ondertoezichtstelling verzocht. Voor het geval de rechtbank op verzoek van een andere partij tot verlenging van de ondertoezichtstelling zou komen, heeft Jeugdzorg Utrecht in voornoemd telefaxbericht verzocht om niet haar maar een andere gezinsvoogdij-instelling met de uitvoering van de ondertoezichtstelling te belasten.

1.5 Per telefaxbericht van 19 juli 2010 heeft de Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht (hierna: de Raad) geadviseerd de huidige ondertoezichtstelling te handhaven, alsmede verzocht de ondertoezichtstelling van de jeugdige te verlengen voor een periode van twaalf maanden, met benoeming van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland (hierna: Jeugdzorg Zeeland) tot gezinsvoogdij-instelling.

1.6 De rechtbank heeft op 19 juli 2010 een nader telefaxbericht ontvangen van Jeugdzorg Utrecht.

1.7 De rechtbank heeft op 19 juli 2010 een telefaxbericht, met bijlagen, ontvangen van mr. De Lange.

1.8 De rechtbank heeft op 19 juli 2010 aanvullende informatie ontvangen van de Raad.

1.9 De mondelinge behandeling heeft op 20 juli 2010 ter terechtzitting met gesloten deuren plaatsgevonden. De jeugdige en de vader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens Jeugdzorg Utrecht zijn verschenen [belanghebbenden]

1.10 Mr. De Lange heeft ter zitting pleitaantekeningen, houdende een verweerschrift en een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling, overgelegd.

1.11 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 20 juli 2010 is de jeugdige, in het bijzijn van haar advocaat, buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden gehoord.

2. De beoordeling

2.1 Resterende deel van het verzoek van Jeugdzorg Utrecht

Aangezien Jeugdzorg Utrecht het resterende deel van haar verzoek per telefaxbericht van 19 juli 2010 heeft ingetrokken, behoeft dit geen verdere beoordeling en beslissing meer.

2.2 Behandeling verzoek van de Raad ter zitting van 20 juli 2010

2.2.1 De jeugdige en de vader hebben bezwaar gemaakt tegen behandeling van het hiervoor sub 1.5 genoemde verzoek van de Raad ter zitting van 20 juli 2010. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat behandeling van dit verzoek tijdens deze zitting in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. Partijen zijn namelijk niet expliciet voor de behandeling van dit verzoek opgeroepen en niet kan worden vastgesteld dat alle belanghebbenden op de hoogte zijn van dit verzoek, aangezien de moeder van de jeugdige niet ter terechtzitting is verschenen. Bovendien maken zij bezwaar tegen de aanwezigheid van de gedragsdeskundige van de Raad, omdat zij stellen daardoor in hun verdediging te worden geschaad.

2.2.2 De Raad dringt aan op gelijktijdige behandeling met de al voorliggende verzoeken. Hij stelt dat het verzoek is gegrond op hetzelfde feitencomplex. Bovendien acht hij het in het belang van de jeugdige dat zo spoedig mogelijk duidelijkheid wordt verschaft omtrent de ondertoezichtstelling.

De gedragsdeskundige kan een nadere toelichting geven op hetgeen de Raad ten grondslag legt aan zijn verzoek en ingaan op meer specifieke vragen hieromtrent.

2.2.3 Jeugdzorg Utrecht heeft geen bezwaar tegen gelijktijdige behandeling van dit verzoek.

2.2.4 De rechtbank overweegt, gelet op de aard van het verzoek van de Raad en de onderlinge samenhang tussen dat verzoek en de overige verzoeken, dat het in het belang van de jeugdige is om deze verzoeken gelijktijdig te behandelen. Hoewel een formele oproeping voor de behandeling van het verzoek van de Raad ontbreekt, worden de jeugdige en haar vader niet in de verdediging belemmerd nu de feiten en omstandigheden, waarop dit verzoek is gegrond, dezelfde zijn als die ten grondslag liggen aan de overige te behandelen verzoeken. De aanwezigheid van de gedragsdeskundige leidt niet tot een ander oordeel. Het staat de Raad vrij zijn procesvertegenwoordiger bij te laten staan door een eigen deskundige. De rechtbank is verder met de Raad van oordeel dat het belang van de jeugdige is gediend met een beslissing op alle aanhangige verzoeken betreffende haar ondertoezichtstelling. De rechtbank overweegt daarbij dat het feit dat de moeder niet als belanghebbende ter terechtzitting is verschenen, daaraan niet in de weg staat, nu de moeder aan Jeugdzorg Utrecht te kennen heeft gegeven niet meer betrokken te willen worden bij de onderhavige procedure.

2.3 Aanwezigheid Jeugdzorg Zeeland ter zitting van 20 juli 2010

2.3.1 De jeugdige en de vader hebben bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van Jeugdzorg Zeeland ter zitting. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat Jeugdzorg Zeeland geen partij is in de onderhavige procedure.

2.3.2 De Raad en Jeugdzorg Utrecht hebben geen bezwaren geuit tegen de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van Jeugdzorg Zeeland ter zitting.

2.3.3 De rechtbank overweegt dat de Raad heeft verzocht om bij toewijzing van zijn verzoek Jeugdzorg Zeeland tot gezinsvoogdij-instelling te benoemen. Het is algemeen beleid van de rechtbank Middelburg de voorgestelde gezinsvoogdij-instelling bij de behandeling van het verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling aanwezig te laten zijn. De rechtbank ziet geen reden om van dit beleid af te wijken.

2.4 Ondertoezichtstelling

2.4.1 De rechtbank verstaat het verzoek van Jeugdzorg Utrecht om de huidige ondertoezichtstelling tussentijds te beëindigen als een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling in de zin van artikel 1:256 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit verzoek is gelijk aan het verzoek van de jeugdige en haar vader. De Raad verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling. Gelet op de feitelijke samenhang tussen deze drie verzoeken, zal de rechtbank deze hier gezamenlijk beoordelen.

2.4.2 Jeugdzorg Utrecht heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld dat er geen gronden meer aanwezig zijn die de ondertoezichtstelling rechtvaardigen. Er is in voldoende mate aan de gestelde voorwaarden voldaan. Jeugdzorg Utrecht heeft sinds december 2009 geen zorgelijke signalen omtrent de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling van de jeugdige gezien of ontvangen. Zij stelt dat van een bedreiging van de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling van de jeugdige geen sprake (meer) is en voelt zich door de informatie van de school van de jeugdige in deze conclusie gesterkt. De omstandigheid dat het contact tussen de gezinsvoogd en de jeugdige met haar vader moeizaam verliep en dat de jeugdige en haar vader weigerden mee te werken aan een nader psychologisch onderzoek door [psycholoog] doet daar niet aan af. Met de overlegging van het zeilplan heeft de jeugdige aan de elf eisen zoals vermeld in het verzoekschrift voldaan, hetgeen voor wat betreft de onder de nummers 3 en 5 tot en met 11 geformuleerde eisen wordt bevestigd door het door Jeugdzorg Utrecht overgelegde rapport van de door haar geraadpleegde zeildeskundige [deskundige].

In reactie op het verzoek van de Raad strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling heeft Jeugdzorg Utrecht nog opgemerkt dat niet met zekerheid vooraf kan worden vastgesteld hoe de jeugdige tijdens een eventuele zeilreis met onverwachte situaties om zal gaan. Op basis van de inzinking die de jeugdige na de uitspraak van 30 oktober 2009 van de rechtbank Utrecht doormaakte, kan wel worden aangenomen dat verlenging van de ondertoezichtstelling, terwijl de jeugdige aan alle aan haar gestelde voorwaarden heeft voldaan, mogelijk schadelijk zal zijn voor haar ontwikkeling.

2.4.3 Het uitgangspunt van de Raad is dat het in zijn algemeenheid onverantwoord is een 14/15-jarige solo rond de wereld te laten zeilen. De identiteit en de daaraan gerelateerde copingsvaardigheden van jeugdigen van die leeftijd zijn nog niet zodanig ontwikkeld dat zelfstandig een goede inschatting gemaakt kan worden van de gevaren en risicovolle situaties die zich tijdens zo’n reis kunnen voordoen. Met name als een jeugdige van die leeftijd onder druk komt te staan, ontbreekt het vermogen planmatig tot een oplossing te komen. Dit geldt ook voor de jeugdige, nu uit het door [psycholoog] in het najaar van 2009 verrichte persoonlijkheidsonderzoek niet naar voren is gekomen dat de jeugdige in haar ontwikkeling vooruitloopt op haar leeftijdsgenoten. De Raad voorziet dan ook een ernstige bedreiging in de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling, wanneer de jeugdige de zeilreis nu zal ondernemen. De Raad onderkent dat mogelijk de sociaal-emotionele ontwikkeling van de jeugdige ook in het gedrang komt door de spanning en onzekerheid die ontstaat door het telkens voor korte tijd verlengen van de ondertoezichtstelling en de nieuwe voorwaarden die daarbij worden gesteld. Mede gelet op die dreiging verzoekt de Raad de rechtbank om in het belang van de jeugdige zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verschaffen omtrent de vraag of zij onder verantwoordelijkheid van haar ouders de zeilreis kan aanvangen dan wel onder toezicht blijft van een gezinsvoogdij-instelling en haar reis niet kan aanvangen.

2.4.4 Jeugdzorg Zeeland heeft zich ter zitting bereid verklaard de uitvoering van de ondertoezichtstelling op zich te nemen indien de rechtbank tot verlenging van de ondertoezichtstelling zou beslissen.

2.4.5 De jeugdige en haar vader hebben betoogd dat er geen gronden aanwezig zijn die de ondertoezichtstelling rechtvaardigen. Om die reden verzoeken zij de rechtbank de huidige ondertoezichtstelling onmiddellijk te beëindigen en het verzoek van de Raad tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen. Zij hebben hiertoe primair aangevoerd dat de regels betreffende de ondertoezichtstelling niet op de onderhavige situatie van toepassing zijn. Subsidiair hebben zij gesteld dat de jeugdige in de gelegenheid moet worden gesteld om de zeilreis deze zomer aan te vangen daar zij volledig aan alle door de rechtbank gestelde voorwaarden heeft voldaan. De jeugdige en haar vader hebben - onder verwijzing naar de conclusie van de rechtbank Utrecht in haar beschikking van 30 oktober 2009 dat het in de onderhavige situatie gaat om een bijzondere ondertoezichtstelling met een bijzonder doel, namelijk het helpen en begeleiden van de jeugdige bij realisatie van de door haar voorgenomen zeilreis – gesteld, dat zij ten onrechte telkens met nieuwe eisen en voorwaarden worden geconfronteerd. Om die reden hebben zij ook geen gehoor gegeven aan het verzoek van Jeugdzorg Utrecht om mee te werken aan nader psychologisch onderzoek. Tot slot hebben de jeugdige en haar vader gesteld dat de toezegging is gedaan dat de jeugdige, wanneer zij aan de gestelde voorwaarden zou voldoen, zou mogen vertrekken. In reactie op het verzoek van de Raad hebben de jeugdige en haar vader bovendien aangevoerd dat het middel van de ondertoezichtstelling erger is dan de kwaal, daar de jeugdige ernstig te lijden heeft onder de ondertoezichtstelling en er vorig jaar bijna letterlijk aan onderdoor is gegaan. Te vrezen is voor de gevolgen voor de jeugdige indien de ondertoezichtstelling thans, ondanks de inspanningen die zij de afgelopen periode met goed resultaat heeft verricht, wederom zou worden verlengd.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt.

2.5.1 Onder verwijzing naar hetgeen zij heeft overwogen onder 3.13 van haar tussenbeschikking van 17 juni 2010 passeert de rechtbank het verweer van de jeugdige en haar vader dat de regels betreffende de ondertoezichtstelling niet van toepassing zijn op de situatie van de jeugdige.

2.5.2 De rechtbank is met het hof van oordeel dat een zeilreis, zoals de jeugdige wil ondernemen, grote risico’s met zich brengt op het gebied van haar sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling, haar cognitieve ontwikkeling en haar fysieke welzijn. Het hof heeft vastgesteld dat het de taak van de ouders is de jeugdige voor deze risico’s te behoeden, dat de ouders dit niet zullen doen en dat op grond daarvan de jeugdige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het hof heeft het denkbaar geacht dat er middelen kunnen zijn om de ernstige bedreiging weg te nemen.

2.5.3 Tot aan de beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2010 hebben Jeugdzorg Utrecht, de jeugdige en haar vader zich vooral gericht op elf voorwaarden, die zien op de cognitieve ontwikkelingsdreiging (voorwaarde 1 en 2) en op de fysieke veiligheid (voorwaarde 3 tot en met 11). De rechtbank heeft in haar beschikking overwogen dat ten onrechte geen aandacht is besteed aan de dreiging voor de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling van de jeugdige.

2.5.4 Thans gaan Jeugdzorg Utrecht, de jeugdige en haar vader ervan uit dat aan de elf voorwaarden is voldaan en dat geen sprake is van een dreiging voor de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling van de jeugdige. De Raad wil aannemen dat aan de voorwaarden op het gebied van de cognitieve dreiging en de fysieke veiligheid is voldaan, maar dat de dreiging voor de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling, waaronder de copingsvaardigheden van de jeugdige onverminderd aanwezig is.

2.5.5 De rechtbank acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de jeugdige via de Wereldschool onderwijs zal volgen. Daarmee is een onmiddellijke dreiging van de cognitieve ontwikkeling voldoende afgewend.

2.5.6 Op grond van het zeilplan en het rapport van de door Jeugdzorg geraadpleegde zeildeskundige nemen alle partijen thans aan dat ten aanzien van de risico’s voor het fysieke welzijn van de jeugdige zodanige maatregelen zijn getroffen dat die risico’s zoveel mogelijk worden beperkt. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van dit eensluidend door partijen ingenomen standpunt.

2.5.7 Resteert de dreiging op het gebied van de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling van de jeugdige, waaronder haar copingsvaardigheden. Het standpunt van de Raad, dat het in het algemeen niet in het belang is van een 14/15-jarige om twee jaar alleen rond de wereld te gaan zeilen, onderschrijft de rechtbank.

Echter, gelet op hetgeen het hof heeft overwogen, namelijk dat het in bepaalde gevallen denkbaar is dat er middelen kunnen zijn om deze ernstige bedreiging weg te nemen, dient getoetst te worden of ook deze jeugdige ernstig in haar sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling wordt bedreigd. Bovendien moet aannemelijk zijn dat die dreiging door middel van de ondertoezichtstelling zal worden afgewend.

2.5.8 Voor de beantwoording van de vraag of de jeugdige in haar sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling wordt bedreigd, beschikt de rechtbank in de eerste plaats over het rapport van [psycholoog] van 15 oktober 2009. [Psycholoog] heeft op basis van haar onderzoek van de jeugdige geconstateerd dat de jeugdige zich op sociaal gebied redelijk adequaat ontwikkelt en dat zij op emotioneel gebied enige mate van scheefgroei laat zien. [Psycholoog] signaleert als “zorgpunt dat de geconstateerde emotionele scheefgroei vermoedelijk niet op adequate wijze zal worden beïnvloed, c.q. eerder zal worden versterkt door de zeilreis. De aanwezige sterke kanten van (de jeugdige) zullen tijdens de reis worden bekrachtigd, hetgeen tot een eenzijdige ontwikkeling zou kunnen leiden. Anderzijds kan ook niet met zekerheid worden gesteld dat de scheefgroei kan of zal worden omgebogen als ze in Nederland zou blijven; (de jeugdige) ondervindt er zelf geen hinder van.”. Sinds dit rapport zijn inmiddels negen maanden verstreken. In die periode heeft de jeugdige aanvankelijk een ernstige emotionele terugslag gehad. Zij heeft vervolgens de draad weer opgepakt, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat zij is voortgegaan met de voorbereidingen van de zeilreis en uit het feit dat zij op school goede resultaten heeft geboekt. In haar beschikking van 17 juni 2010 heeft de rechtbank Jeugdzorg Utrecht vervolgens verzocht haar nader te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de sociaal- emotionele- en identiteitsontwikkeling van de jeugdige. Ter zitting heeft Jeugdzorg Utrecht toegelicht dat de jeugdige en haar vader niet hebben willen meewerken aan een nader psychologisch onderzoek. Verdere initiatieven om te komen tot een antwoord op de vraag of de jeugdige ook nu nog ernstig in haar sociaal- emotionele- en identiteitsontwikkeling wordt bedreigd, zijn niet genomen. Jeugdzorg Utrecht heeft verklaard op dit punt geen dreiging te zien. De stellingname van de Raad is onvoldoende toegespitst op de situatie van deze jeugdige. De rechtbank kan derhalve niet met zekerheid vaststellen of deze jeugdige ernstig in haar sociaal- emotionele- en identiteitsontwikkeling wordt bedreigd.

2.5.9 De rechtbank stelt echter wel vast dat sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling de standpunten van de ouders over de uitvoering van de ondertoezichtstelling door Bureau Jeugdzorg zijn verhard en dat de verhoudingen in toenemende mate onder druk zijn komen te staan. Tussen de gezinsvoogd en de jeugdige en haar ouders bleek geen constructief overleg meer mogelijk. Ter zitting heeft de vader in antwoord op de vraag van de rechtbank of hij mogelijkheden ziet voor samenwerking met Jeugdzorg Zeeland, meegedeeld dat iedere hulp van welke instantie dan ook zal worden geweigerd, als blijkt dat deze hulp er niet op is gericht de jeugdige te laten zeilen. Gelet op die mededeling is niet te verwachten dat bij een verlenging van de ondertoezichtstelling, met Jeugdzorg Zeeland wel van een werkbare verstandhouding sprake zal zijn. De moeder heeft Jeugdzorg en de Raad in een ingezonden brief in het Algemeen Dagblad van 17 juli 2010 criminele organisaties genoemd. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de ouders niet in staat zullen zijn de jeugdige te ondersteunen in haar verdere ontwikkeling indien de ondertoezichtstelling wordt verlengd.

2.5.10 Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat bij een verlenging van de ondertoezichtstelling feitelijk geen verdere resultaten zijn te verwachten. Daarvan uitgaande is vervolgens, mede gelet op de door de ouders gekozen positie ten opzichte van de instelling die aan de ondertoezichtstelling uitvoering moet geven, niet uit te sluiten dat een verlenging van de ondertoezichtstelling juist leidt tot een bedreiging van de sociaal-emotionele- en identiteitsontwikkeling van de jeugdige. Dit is een omstandigheid waaraan de rechtbank ook betekenis moet toekennen.

2.5.11 Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de Raad tot verlenging van de ondertoezichtstelling af. Met deze beslissing ligt de verantwoordelijkheid voor de jeugdige weer waar deze hoort, namelijk bij de ouders. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders om de jeugdige de zeilreis wel of niet te laten maken.

2.5.12 Bovenstaande overwegingen leiden de rechtbank verder tot de conclusie dat er geen grond is de ondertoezichtstelling nog te laten voortduren tot 1 augustus 2010. De verzoeken tot onmiddellijke opheffing zullen worden toegewezen.

3. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af;

heft de ondertoezichtstelling van de jeugdige op met ingang van heden.

Deze beslissing is gegeven te Middelburg door mrs. S. Kuypers, voorzitter, E.K. van der Lende - Mulder Smit en G.H. Nomes, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Visser-Hendriks als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juli 2010.

(JV)?