Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BM9875

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
Awb 09/676
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP7160, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De intrekking van de gedoogverklaring is vanwege bijzondere omstandigheden in dit geval aan te merken als een besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/676

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

1. [Naam],

wonende te [Woonplaats],

2. Chess B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

eisers,

gemachtigde mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Maastricht,

tegen

de Burgemeester van Terneuzen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij brief van 26 januari 2009 heeft verweerder aan eiser [naam] meegedeeld dat de aan hem verleende gedoogverklaring van 15 november 2005 met ingang van 21 januari 2009 wordt ingetrokken.

Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 25 juni 2009 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 26 mei 2010 behandeld ter zitting. Eisers zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

mr. B.F.Th. de Moor, advocaat te Middelburg.

II. Overwegingen

1. Op 25 april 2007 is de beleidsnota ‘Damoclesbeleid 2007 Gemeente Terneuzen’

(hierna: de Beleidsnota) in werking getreden. In dit beleid is bepaald dat coffeeshops, waarbij gedoogd wordt dat er softdrugs worden verhandeld, dienen te voldoen aan de zogenaamde AHOJ-G criteria. Criterium G (geen verkoop van grote hoeveelheden) van voormelde criteria houdt onder meer in dat de handelsvoorraad niet meer dan 500 gram mag bedragen. Ingevolge het beleid wordt bij overtreding van dit criterium in beginsel de volgende gedragslijn gevolgd: bij een eerste overtreding sluiting voor een periode van minimaal 6 maanden en

bij een tweede overtreding definitieve sluiting.

2. Verweerder heeft aan eiser [naam] op 15 november 2005 te kennen gegeven dat tegen de handel in softdrugs in zijn inrichting aan de Westkolkstraat 4 te Terneuzen (coffeeshop Checkpoint) niet bestuursrechtelijk wordt opgetreden (in de vorm van sluiting van zijn inrichting op grond van artikel 13b van de Opiumwet), indien en voor zolang hij voldoet aan nader genoemde voorwaarden, waaronder de AHOJ-G criteria, verder te noemen de gedoogverklaring.

3. Op 1 juni 2007 heeft het Regionaal Recherche Team van de politie Zeeland een inval gedaan in coffeeshop Checkpoint. Daarbij is een overschrijding van de handelsvoorraad geconstateerd en daarmee een overtreding van het G-criterium. Verweerder heeft vervolgens - op grond van voormeld beleid - besloten tot sluiting van Checkpoint voor de duur van 6 maanden.

4. Op 20 mei 2008 heeft een herhaalde politiecontrole plaatsgehad. Tijdens die controle is wederom een overschrijding van de handelsvoorraad geconstateerd. Verweerder heeft vervolgens besloten tot intrekking van de gedoogverklaring.

5. Voorts heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank bij vonnis van 25 maart 2010 aan [naam], voor zover hier van belang, in verband met het opzettelijk aanwezig hebben in coffeeshop Checkpoint aan de Westkolkstraat 4 te Terneuzen van ongeveer 4489 gram respectievelijk 4212,3 gram hennep en hasjiesj een gevangenisstraf opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk. Dit voorwaardelijke deel van de straf wordt niet ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd (2 jaar) schuldig maakt aan een strafbaar feit.

6. Verweerder heeft het bezwaar van eisers tegen de intrekking van de gedoogverklaring met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens hem de intrekking van de gedoogverklaring geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Voorts acht verweerder Chess B.V. niet-ontvankelijk in haar bezwaar. De gedoogverklaring is verleend aan eiser [naam], zodat Chess B.V. geen belanghebbende is bij de intrekking daarvan, aldus verweerder.

7. Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen en voeren daartoe onder meer het volgende aan.

In het kader van de verplaatsing van Checkpoint is met oud-burgemeester Barbé van Terneuzen uitdrukkelijk schriftelijk overeengekomen dat de gedoogverklaring zou worden verleend aan Chess B.V. De Belastingdienst en de sociale uitvoeringsinstellingen hebben Chess B.V. aangemerkt als exploitant van Checkpoint. In strijd met de toezeggingen is de gedoogverklaring echter aan [naam] in persoon verleend. Daarmee is de situatie gecreëerd dat de exploitatie van de coffeeshop vanuit civielrechtelijk en fiscaalrechtelijk oogpunt in handen was van Chess B.V., maar de gedoogverklaring was verleend aan [naam].

Verweerder heeft niet gereageerd op de stelling dat de volgende stap had moeten zijn het toepassen van bestuursdwang. Die stap creëert de mogelijkheid van bezwaar en beroep.

Door die stap achterwege te laten handelt verweerder niet alleen in strijd met artikel 4:84

van de Awb, maar ook met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de aan eisers toekomende rechtsbescherming te ondermijnen. Eisers menen dat deze situatie daarnaast een bijzondere omstandigheid oplevert op grond waarvan de intrekking van de gedoogverklaring wel als een besluit dient te worden aangemerkt. Eisers achten het onevenredig bezwarend dat zij een overtreding dienen te plegen, die [naam] zijn vrijheid kan kosten, om een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit uit te lokken. Nu [naam] zijn vrijheid op het spel dient te zetten om toegang tot de bestuursrechter te verkrijgen, is volgens eisers sprake van een bijzondere omstandigheid.

De rechtbank overweegt als volgt.

8. De rechtbank stelt allereerst vast dat de gedoogverklaring voor het verhandelen van softdrugs in coffeeshop Checkpoint aan eiser [naam] in persoon is verleend. [naam] is directeur-grootaandeelhouder van Chess B.V. en de handelsnaam van Chess B.V. is Checkpoint. Onder deze omstandigheden dienen [naam] en Chess B.V. naar het oordeel van de rechtbank met elkaar vereenzelvigd te worden en heeft Chess B.V. een belang bij de aan [naam] verleende gedoogverklaring om softdrugs te verhandelen in Checkpoint.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat Chess B.V. geen belang heeft bij de intrekking van onderhavige gedoogverklaring en ten onrechte op die grond Chess B.V. niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

9. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraken van 15 september 2004, LJN: AR2178 en van 19 januari 2005, LJN: AS3865) kan de intrekking van een gedoogverklaring in de regel niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een dergelijke beslissing houdt slechts de mogelijkheid in dat het bestuursorgaan handhavend zal optreden. Eerst wanneer tot handhavend optreden wordt besloten, concretiseert die mogelijkheid zich. Onder die omstandigheden kan aan een beslissing tot intrekking van een gedoogverklaring geen zelfstandige betekenis worden toegekend, behoudens bijzondere gevallen.

10. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake. Voortzetting van de handel in softdrugs om zo een handhavingsbesluit uit te lokken, heeft naar het oordeel van de rechtbank grote gevolgen voor eisers. Gelet op het Damoclesbeleid en de eerdere sluiting van Checkpoint gedurende 6 maanden is het de rechtbank genoegzaam gebleken dat een volgende overtreding zal leiden tot een definitieve sluiting van Checkpoint. Voorts schendt [naam] bij voortzetting van de handelsactiviteiten in softdrugs de voorwaarde die in strafrechtelijke zin is verbonden aan zijn voorwaardelijke gevangenisstraf.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onder die omstandigheden van eisers in redelijkheid niet worden gevergd, dat zij de handel in softdrugs voortzetten ter uitlokking van een handhavingsbesluit, zodat die handhaving en het daaraan ten grondslag liggende beleid bestuursrechtelijk kunnen worden getoetst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat de intrekking van de gedoogverklaring in het onderhavige geval is aan te merken als een appellabel besluit in de zin van de Awb. Verweerder heeft derhalve de bezwaren van eisers tegen de intrekking van de gedoogverklaring ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en is ten onrechte niet overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling daarvan. De rechtbank verklaart het beroep als gevolg daarvan gegrond en vernietigt het bestreden besluit.

11. Door de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar zijn de materiële standpunten van partijen in de bezwaarfase niet inhoudelijk behandeld, zodat de rechtbank geen aanleiding noch mogelijkheid ziet om zelf in deze zaak te voorzien.

12. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

Voorgaande leidt tot de navolgende uitspraak.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € € 297,- (tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op

€ 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door verweerder aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente als voorzitter en mr. W.M.P. van Alphen en

mr. I. Dijkman als leden, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel als griffier en op 1 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 1 juli 2010.