Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BM8236

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
17-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
12/715052-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen: 45, 310, 311, 312 Wetboek van Strafrecht

Medeplegen van gewapenden overval op Primerawinkel

Medeplegen van bedrijfsinbraken

Medeplegen plofkraak pinautomaat, handgranaat, vuurwerk, terpentine, poging diefstal met braak door middel van ontploffing

Ad informandum

Gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715052-10 (P)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juni 2010

in de strafzaak tegen

[gedaagde],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in P.I. Zuid West – De Dordtse Poorten, Dordrecht,

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Van Zon, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juni 2010, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging luidt als volgt.

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 december 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer

geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 1679,65 euro) en/of een tas met inhoud

(waaronder 1 of meer bankpas(sen)) en/of één of meer postzegel(s), in elk

geval enig(e) geldbedrag(en) en/of enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan [ad[benadeelde partij 1] en/of [benadeelde part[benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn

mededader(s):

- de winkel zijn binnengekomen met (bivak)mutsen op, en/of

- (vervolgens) twee vuurwapens, althans voorwerpen gelijkende op vuurwapens,

hebben laten zien aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], en/of

- (vervolgens) die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] hebben bedreigd met voornoemde

vuurwapens, althans voorwerpen gelijkende op vuurwapens, (door deze op hen

te richten), en/of

- (vervolgens) die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen 'Waar

is de kluis' en/of 'Maak open' en/of 'Waar is het geld';

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 november 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan

de [adres 1] (Slijterij Souburg)) heeft weggenomen twee, althans één of

meer kassalade(s) met inhoud (te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal

ongeveer 1390,61 Euro en/of één of meer Nationale Slijterij bon(nen) (met een

totale waarde van ongeveer 330 Euro)) en/of één of meer sleutel(s) en/of een

(gedeelte/restant van een) rol postzegels, in elk geval enig(e) geldbedrag(en)

en/of enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 2 oktober 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan

de [adres 2] (Jeans Inn)) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid

kleding en/of schoeisel (met een totale waarde van ongeveer 13202,17 Euro), in

elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 7 december 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan

de [adres 1] (Megabed)) heeft weggenomen een computer en/of een kluis(je)

en/of een portemonnee en/of één of meer geldbedrag(en) (met een totale waarde

van ongeveer 485 Euro), in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en),

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 7 november 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan

de [adres 3] (Bakkerij Bliek)) heeft weggenomen een geldkistje met een

geldbedrag van ongeveer 280 Euro en/of een bakje met een geldbedrag van in

totaal ongeveer 150 Euro, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of

geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan Master Bakery (gevestigd

aan [adres 4]), in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 25 januari 2010 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan de

[adres 1] ([benadeelde partij 6]) weg te nemen één of meer

goed(eren) naar hun/zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen

en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door

middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn

mededader(s), althans alleen, zich naar dat pand hebben/heeft begeven en/of

(vervolgens) een deur hebben/heeft geforceerd en/of (vervolgens) het pand

hebben/heeft betreden en/of (vervolgens) heeft gezocht naar één of meer

goed(eren) van hun/zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 18 januari 2010 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pinautomaat (gelegen/gevestigd aan/op

het [adres 5] bij het aldaar gelegen pand van de Rabobank) weg te nemen enig

geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan Coöperatieve Rabobank

Walcheren Noord Beveland (gevestigd aan de [adres 6]), in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en

zich daarbij de toegang tot vernoemde pinautomaat te verschaffen en/of die/dat

weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van

braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s),

althans alleen, zich naar bovengenoemde pinautomaat hebben/heeft begeven en/of

meermalen, althans eenmaal, hebben/heeft getracht de pinautomaat open te

breken door middel van het laten ontploffen op en/of in de nabijheid van de

pinautomaat van enig vuurwerk en/of een handgranaat, althans enig explosief

(al dan niet in combinatie met een brandversnellend middel op voornoemde

pinautomaat en/of voornoemde vuurwerk en/of voornoemde handgranaat), terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 7 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 18 januari 2010 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk een pinautomaat (gelegen/gevestigd aan/op het

[adres 5] bij het aldaar gelegen pand van de Rabobank), in elk geval enig goed,

Geheel of ten dele toebehorende aan Coöperatieve Rabobank Walcheren Noord Beveland

(gevestigd aan de [adres 6]), in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door in de nabijheid van dan wel op die pinautomaat enig vuurwerk althans enig explosief (al dan niet in combinatie met een brandversnellend middel) te laten ontploffen;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en heeft zich daarbij gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte en die van de medeverdachten [1 en 2]. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie opgemerkt dat de gebruikte wapens niet zijn aangetroffen en dat hij er daarom op voorhand niet vanuit gaat dat het hier om nepwapens ging. Ten aanzien van feit 7 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd van de ten laste gelegde handgranaat. De handgranaat bevatte geen springlading en was daarmee een ondeugdelijk middel om de pinautomaat op te blazen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten onder 1 tot en met 6 door verdachte zijn bekend en wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Voor wat betreft het ten laste gelegde feit onder 7 heeft de raadsman integrale vrijspraak bepleit nu niet alleen de handgranaat een ondeugdelijke poging opleverde maar ook de fles terpentine en het vuurwerk, te weten vlinders, dat gebruikt is.

Verder heeft hij ten aanzien van het onder 7 subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat er als pleegdatum is ten laste gelegd 24 december 2009 en er verder geen feitelijke beschrijving van hetgeen verdachte zou hebben gedaan is toegevoegd waardoor de verdediging niet weet waartegen zij zich zouden moeten verdedigen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht het feit onder 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 3 juni 2010;

- het proces-verbaal van aangifte van [adres] ;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 2] .

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de overval op de Primera is gepleegd met echte vuurwapens. Gelet op de afgelegde verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten gaat de rechtbank ervan uit dat er sprake is geweest van gebruik van nepwapens. Zij ziet geen aanleiding om aan deze verklaringen te twijfelen nu verdachte en zijn medeverdachten volledige openheid van zaken hebben gegeven.

Feit 2

De rechtbank acht het feit onder 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 3 juni 2010;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 3] .

Feit 3

De rechtbank acht het feit onder 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 3 juni 2010;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 4] .

Feit 4

De rechtbank acht het feit onder 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 3 juni 2010;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 5] .

Feit 5

De rechtbank acht het feit onder 5 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 3 juni 2010;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 7] .

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde geldbedrag ter hoogte van € 150,- nu uit het dossier gebleken is dat het hier niet om een bakje met € 150,- ging maar om een bakje met 150 spaarmuntjes van de bakkerij.

Feit 6

De rechtbank acht het feit onder 6 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 3 juni 2010;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 8] .

Feit 7

Op 18 januari 2010 is er in Oost-Souburg getracht de pinautomaat van de Rabobank gelegen aan het [adres 5] open te breken door middel van het laten ontploffen van enig vuurwerk al dan niet in combinatie met een brandversnellend middel .

Verdachte heeft bekend dit samen met medeverdachte [1] en nog andere een persoon te hebben gedaan .

De rechtbank acht op grond hiervan het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij is op grond van de informatie van het NFI van oordeel dat de door verdachte gebruikte materialen wel degelijk een deugdelijke poging op hebben geleverd nu hierin staat vermeld dat deze materialen onder opsluiting een ontploffing kunnen veroorzaken. Dat de omstandigheden hiervoor niet optimaal zijn geweest staat niet aan een deugdelijke poging in de weg.

De rechtbank zal verdachte van het gebruik van de handgranaat vrijspreken nu deze geen springlading bevatte en daarmee wel een ondeugdelijke poging is gedaan tot ontploffing van de geldautomaat.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 24 december 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met anderen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer

geldbedragen (van in totaal ongeveer 1679,65 euro) en een tas met inhoud

(waaronder bankpassen) en postzegels,

toebehorende aan [adres] en/of [benadeelde partij 2], welke diefstal werd

voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met

geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en

welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn

mededaders:

- de winkel zijn binnengekomen met bivakmutsen op, en

- vervolgens twee voorwerpen gelijkende op vuurwapens,

hebben laten zien aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], en

- vervolgens die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] hebben bedreigd met voornoemde

voorwerpen gelijkende op vuurwapens, door deze op hen

te richten en

- vervolgens die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen 'Waar

is de kluis' en/of 'Maak open' en/of 'Waar is het geld';

2.

op 27 november 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met anderen met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand gelegen aan

de [adres 1] (Slijterij Souburg) heeft weggenomen twee, kassalades met inhoud (te weten geldbedragen van in totaal ongeveer 1390,61 Euro en Nationale Slijterij bonnen met een totale waarde van ongeveer 330 Euro) en sleutels en een

(gedeelte/restant van een) rol postzegels, toebehorende aan [benadeelde partij 3],

waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak,

3.

op 2 oktober 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met anderen met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand gelegen aan

de [adres 2] (Jeans Inn) heeft weggenomen een grote hoeveelheid

kleding en schoeisel met een totale waarde van ongeveer 13202,17 Euro toebehorende aan [benadeelde partij 4], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak,

4.

op of omstreeks 7 december 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met anderen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand gelegen aan

de [adres 1] (Megabed) heeft weggenomen een computer en een kluis

en een portemonnee en geldbedrag(en) (met een totale waarde

van ongeveer 485 Euro), toebehorende aan [benadeelde partij 5], waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben

verschaft door middel van braak;

5.

op 7 november 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met anderen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand gelegen aan

de [adres 3] (Bakkerij Bliek) heeft weggenomen een geldkistje met een

geldbedrag van ongeveer 280 Euro toebehorende aan Master Bakery (gevestigd

aan [adres 4]), waarbij verdachte en zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben

verschaft door middel van braak;

6.

op of omstreeks 25 januari 2010 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met anderen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand gelegen aan de

[adres 1] ([benadeelde partij 6] weg te nemen één of meer

goed(eren) naar hun gading, toebehorende aan [benadeelde partij 6], en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen

door

middel van braak, met een of meer van zijn

mededader zich naar dat pand heeft begeven en vervolgens een deur heeft geforceerd en vervolgens het pand

heeft betreden en vervolgens heeft gezocht naar één of meer

goed(eren) van zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

7.

op 18 januari 2010 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met anderen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pinautomaat (gelegen/gevestigd aan/op

het [adres 5] bij het aldaar gelegen pand van de Rabobank) weg te nemen enig

geldbedrag, toebehorende aan Coöperatieve Rabobank

Walcheren Noord Beveland (gevestigd aan de [adres 6]), en

zich daarbij de toegang tot vernoemde pinautomaat te verschaffen en/of die/dat

weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van

braak, verbreking met zijn mededaders,

zich naar bovengenoemde pinautomaat heeft begeven

en meermalen heeft getracht de pinautomaat open

te breken door middel van het laten ontploffen op en/of in de nabijheid van de

pinautomaat van enig vuurwerk al dan niet in combinatie met een brandversnellend middel op voornoemde pinautomaat en voornoemde vuurwerk, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden met aftrek van voorarrest waarbij hij tevens de ad informandum gevoegde feiten mee heeft laten wegen.

Bij zijn eis heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de richtlijnen. Verder heeft hij daartoe aangevoerd dat Oost-Souburg vanaf de zomer van 2009 is geteisterd door een reeks van delicten van bedrijfsinbraken waarbij de sfeer steeds grimmiger werd. Een dieptepunt werd bereikt met de brute gemaskerde en gewapende overval op de Primera en vervolgens nog geen maand later de plofkraak van de pinautomaat van de Rabobank. Omwille van geld heeft verdachte met zijn medeverdachten een spoor door Oost-Souburg getrokken. Dit heeft een grote impact op de maatschappij gehad waarbij een groot gevoel van onveiligheid is ontstaan. Tevens heeft verdachte met zijn poging om de pinautomaat te laten ontploffen bewust risico’s genomen voor gevaar voor omwonenden en goederen. Om die reden is volgens de officier van justitie een forse gevangenisstraf op zijn plaats.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft een lagere straf bepleit, te weten een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van voorarrest waarvan twee jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Ten eerste dient er een lagere straf opgelegd te worden wegens de door hem bepleite vrijspraak van feit 7. Volgens de raadsman blijkt uit de jurisprudentie dat in soortgelijke zaken vergelijkbare straffen als door hem voorgesteld zijn opgelegd. Verder heeft hij daartoe aangevoerd dat uit het reclasseringsrapport gebleken dat er sprake is van een laag recidiverisico. Op financieel gebied zijn er wel wat problemen maar de raadsman heeft een brief van de ex-werkgever overgelegd waaruit blijk dat verdachte, indien hij vrijkomt, daar weer aan de slag kan. Verder heeft verdachte zich in het onderzoek meewerkend opgesteld nu hij met een schone lei verder wil, hetgeen in het voordeel van verdachte dient te pleiten. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de geeiste straf door de officier van justitie niet in verhouding staat tot het verleden van verdachte nu hij in 1996 voor het laatst in contact is gekomen met politie en justitie.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op de dag voor kerst samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een overval op de Primera in Oost-Souburg. Verdachte is samen met zijn mededaders met bivakmutsen op en met voorwerpen gelijkend op vuurwapens de Primera binnengegaan. Deze wapens hebben zij aan de slachtoffers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] laten zien en vervolgens bedreigd. Een van de daders heeft [benadeelde partij 2] met het wapen in zijn nek op tafel gedrukt gehouden. Onder dreiging van het wapen heeft [benadeelde partij 1] de kluis open moeten maken. Nadat zij de buit hadden gepakt zijn verdachte en zijn mededaders de winkel uit gevlucht waarbij nog steeds de wapens op de slachtoffers gericht werd gehouden. Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen. Dat verdachte en zijn mededaders hier geen echte maar voorwerpen gelijkend op vuurwapens hebben gebruikt doet aan de ernst van het feit niet af nu onder deze omstandigheden en gevoelens van paniek een dergelijk wapen door de slachtoffers niet van echte te onderscheiden zijn.

Daarnaast heeft verdachte zich samen met zijn mededaders in een periode van vier maanden schuldig gemaakt aan vier bedrijfsinbraken en één poging daartoe. Deze inbraken vonden plaats tijdens de nachtelijke uren in diverse bedrijven in Oost-Souburg. Door deuren of ramen open te breken zijn verdachte en zijn mededaders de panden binnengedrongen en hebben vervolgens onder andere geldbedragen, kleding en een computer weggenomen. Door deze werkwijze werden de bedrijven met aanzienlijke schade voor de eigenaars achter gelaten. Verdachte en zijn mededaders hebben deze misdrijven onder invloed van alcohol en verdovende middelen gepleegd.

Uit het kennelijke gemak waarmee verdachte en zijn mededaders tot deze daden zijn overgegaan, blijkt dat zij uitsluitend oog hebben gehad voor hun eigen financieel gewin en zich in het geheel niet hebben bekommerd om de eigendommen van een ander. Dit zijn feiten die naast onrustgevoelens ook financiële schade voor de eigenaren van de bedrijven met zich meebrengen. Daarnaast brengen dergelijke vermogensdelicten bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot diefstal van een geldbedrag uit een pinautomaat van de Rabobank door middel van een zogenoemde plofkraak. Met vuurwerk en een brandversnellend middel hebben de verdachten getracht de geldautomaat te laten ontploffen teneinde het aanwezige geld te bemachtigen. Verdachten hadden tevens de beschikking over een handgranaat die zij ook hierbij wilden gebruiken. De handgranaat bevatte echter geen springlading waardoor dit een ongeschikt middel was om hun doel te bereiken. De rechtbank rekent dit bewezen verklaarde feit zwaar aan nu hiermee niet alleen materiele schade maar ook gevaar voor personen en andere goederen is ontstaan. Weliswaar bevatte de handgranaat geen springlading maar verdachten waren wel van plan deze in te zetten voor hun kraak van de pinautomaat hetgeen getuigt van zeer onverantwoordelijk handelen en levensgevaarlijke risico voor de omgeving. Verdachte heeft zich daar niet om bekommerd en zich enkel laten leiden door geldelijk gewin.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft zij acht geslagen op het feit dat verdachte de afgelopen vijf jaren niet in contact is gekomen met politie en justitie.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland opgesteld door [betrokkene 1] d.d. 6 april 2010. Hierin wordt onder andere medegedeeld dat de motieven van verdachte om de delicten te plegen hem onbekend zijn. Hij ervaart zelf geen problemen in zijn bestaan. De reclassering is echter van mening dat verdachte een bagatelliserende houding aanneemt ten aanzien van de gepleegde delicten. Verdachte imponeert beneden gemiddeld intelligent. Het recidiverisico wordt als laag gemiddeld ingeschat. Gezien de ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte heeft laten weten dat hij zich uit liet dagen tot dit delictgedrag acht de reclassering een verplicht reclasseringstoezicht geïndiceerd. Tijdens dit contact zal worden bekeken of verdachte een budgetteringstraining dient te volgen. Tevens zal er aandacht worden besteed aan het middelengebruik. Tot slot wordt er een gedragsbehandeling bij Het Dok geadviseerd waarin verdachte mogelijk zijn manier van handelen duidelijk kan krijgen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. Zij ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf overweegt zij dat gebleken is dat de officier van justitie bij zijn eis is uitgegaan van andere richtlijnen dan die de rechtbank hanteert. De rechtbank is van oordeel dat er, uitgaande van de LOVS- en ressortsrichtlijnen, een lagere straf opgelegd dient te worden dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank laat bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf tevens meewegen dat zij de indruk heeft dat verdachte oprecht berouw heeft van zijn daden gelet op zijn proceshouding waarin hij ruimhartig openheid van zaken heeft gegeven en waarbij hij zichzelf niet heeft gespaard. Op grond hiervan zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar opleggen.

6.4. Het ad informandum gevoegde

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met de volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feiten:

1.

Parketnummer 12/715052-10 1 december 2009, [adres 7], gemeente Vlissingen

Diefstal in vereniging door middel van braak/verbreking

Bedrijfsinbraak, [benadeelde partij 9]

2.

Parketnummer 12/715052-10 27 januari 2010, [adres 3] gemeente Vlissingen

Poging tot diefstal in vereniging door middel van braak/verbreking

Bedrijfsinbraak, [benadeelde partij 10]

7. De benadeelde partij

Feit 1

De benadeelde partij [benadeelde partijen 1 en 2] wonende te [adres 8] vordert een schadevergoeding van € 4.694,59, te weten een bedrag van € 1.545,- wegens immateriële schade en een bedrag van 3.149,59 wegens materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd hoofdelijk een voorschot onder algemene titel aan de benadeelde partij toe te kennen ten bedrage van € 4.500,- met oplegging van de schademaatregel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering betreffende de inkomstenderving te ingewikkeld is om in het strafproces te berekenen maar dat het evident is dat er forse schade is geleden.

De raadsman van verdachte heeft bepleit de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde omzetderving niet ontvankelijk te verklaren omdat hierover onduidelijkheid bestaat. Ook heeft hij gesteld dat het bedrag van € 211,- onvoldoende onderbouwd is.

Ten aanzien van de gevorderde materiele schade is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 3.258,41een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan

€ 1.713,41 ter zake van materiële schade en € 1.545,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Voor de immateriële schade merkt rechtbank op dat zij er van uit gaat dat dit de geleden schade tot op heden betreft.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Zij overweegt daartoe dat de gevorderde omzetderving niet gelijk hoeft te zijn aan de daadwerkelijk geleden schade. Het maken van een correcte berekening op dit punt gaat te ver voor het strafproces daar enkel eenvoudig te beoordelen vorderingen mee kunnen worden genomen in het strafproces. Om die reden kan de benadeelde partij haar vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te [adres 8] vordert een schadevergoeding van € 2.089,94, te weten een bedrag van € 1.545,- ter zake van immateriële schade en een bedrag van € 544,94 ter zake van materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd hoofdelijk een voorschot onder algemene titel aan de benadeelde partij toe te kennen van € 2.000,- met oplegging van de schademaatregel.

De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Feit 2

De benadeelde partij [benadeelde partij 3], wonende te [adres 9] vordert een schadevergoeding van € 380,- ter zake van materiele schade.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de stukken is gebleken dat er sprake is geweest van uitkering door een verzekeringsmaatschappij. Er valt echter niet uit op te maken wat het eigen risico is geweest. Ook is de vordering niet onderbouwd met bewijsmateriaal. Op grond daarvan heeft hij gevorderd een bedrag van € 250,- toe te kennen en de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu de vordering op geen enkele wijze is onderbouwd. Uit de stukken valt af te leiden dat de verzekeringsmaatschappij heeft uitgekeerd maar het is oncontroleerbaar welk bedrag is uitgekeerd.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Feit 4

Namens de benadeelde pa[adres 10] is een schadevergoeding gevorderd van € 1.764,19 ter zake van materiële schade.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de stukken is gebleken dat er sprake is geweest van uitkering door een verzekeringsmaatschappij. Er valt echter niet uit op te maken wat het eigen risico is geweest. Op grond daarvan heeft hij gevorderd een bedrag van € 250,- toe te kennen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de benadeelde partij voor wat betreft de posten van de pc, de Tom Tom en de installatie van de inbraakbeveiliging in zijn vordering niet ontvankelijk verklaard dient te worden vanwege het feit dat niet gebleken is dat de Tom Tom is weggenomen, er geen causaal verband is met de installatie van de inbraakbeveiliging en het ten laste gelegde en de pc op een ander wijze afgeschreven dient te worden. Verder heeft hij opgemerkt dat het onduidelijk is of de verzekeringsmaatschappij heeft uitgekeerd. Voor wat betreft het eigen risico heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 553,77 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor wat betreft de geleden schade omtrent de Tom Tom acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat onduidelijk is wat er met de Tom Tom heeft plaatsgevonden. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de geleden schade betreffende de installatie van de inbraakbeveiliging wijst de rechtbank af nu dit geen rechtstreeks gevolg is geweest van het bewezen verklaarde feit.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Feit 5

Namens de benadeelde partij The Master Bakery B.V., gevestigd te [adres 4], is een schadevergoeding gevorderd van € 405,- ter zake van materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd deze vordering toe te wijzen.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de vordering enkel kan worden toegewezen voor wat betreft het kasgeld. Voor het overige dient de benadeelde partij volgens hem niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Feit 6

Namens de [benadeelde partij 6], gevestigd te [adres 11] is een schadevergoeding gevorderd van € 1.083,90 ter zake van materiële schade.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de stukken is gebleken dat er sprake is geweest van uitkering door een verzekeringsmaatschappij. Volgens hem is het aannemelijk dat de geleden schade daarmee gedekt is. Hetgeen overblijft aan schade is het bedrag aan eigen risico. Uit de stukken is echter gebleken dat dit € 225,- bedraagt in plaats van € 250,-. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd de vordering tot een bedrag van € 225,- toe te wijzen en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de verzekering heeft uitgekeerd. Alleen het eigen risico komt om die reden voor toewijzing in aanmerking. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 225,- uit hoofde van verlies van eigen risico een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de vordering niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Uit de stukken is gebleken dat er een uitkering van de verzekeringsmaatschappij heeft plaatsgevonden voor de door de benadeelde partij opgegeven schade. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Feit 7

Namens de benadeelde partij Rabobank Walcheren/Noord Beveland, gevestigd te [adres 6], is een schadevergoeding gevorderd ten bedrage van € 7.827,78 wegens materiële schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat enkel de schade aan de pinautomaat voor vergoeding in aanmerking komt. Voor het overige dient de benadeelde partij volgens hem niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden gelet op de door hem bepleite vrijspraak van dit feit. Subsidiair heeft hij betoogd dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

De rechtbank acht de vordering gelet op de ingenomen standpunten niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Diefstal, voorafgegaan of vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 3: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 4: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 5: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 6: Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 7: Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen:

Feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partijen 1 en 2] wonende [adres 8] van € 3.258,41, waarvan € 1.713,41 ter zake van materiële schade en € 1.545,- ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partijen 1 en 2] € 3.258,41 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 42 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende [adres 8] van € 2.089,94, te weten een bedrag van € 1.545,- ter zake van immateriële schade en een bedrag van € 544,94 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], € 2.089,94 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 2

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3], wonende te [adres 9] van € 380,- ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], € 380,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 4

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Megabed B.V. gevestigd te [adres 10] van € 553,77 ter zake van materiële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij voor het bedrag van € 150,42 (Tom Tom) van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- wijst af het bedrag van € 1.060,- (installatie inbraakbeveiliging) van de vordering van de benadeelde partij;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Megabed B.V., € 553,77 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 11 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 5

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij The Master Bakery van € 405,- ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer The Master Bakery, € 405,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 6

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de [benadeelde partij 6] van

€ 225,-, ter zake van materiële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 6], € 225,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Feit 7

- verklaart de benadeelde partij Rabobank Walcheren/Noord Beveland, gevestigd te [adres 6], niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. Woltring, voorzitter, mr. Van Spronssen en mr. Van der Ploeg-Hogervorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 juni 2010.

Mr. Van der Ploeg-Hogervorst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.