Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BM8168

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
17-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
12/715059-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting:

Artikelen: 45, 310, 311, 312 Wetboek van Strafrecht

Medeplegen van gewapenden overval op [winkel]

Medeplegen van bedrijfsinbraken

Ad informandum

Gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715059-10 (P)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juni 2010

in de strafzaak tegen

[gedaagde]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in P.I. Zuid West – HvB De Torentijd te Middelburg,

ter terechtzitting verschenen,

raadsvrouw mr. Serrarens, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juni 2010, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 24 december 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer

geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 1679,65 euro) en/of een tas met inhoud

(waaronder 1 of meer bankpas(sen)) en/of één of meer postzegel(s), in elk

geval enig(e) geldbedrag(en) en/of enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde part[benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn

mededader(s):

- de winkel zijn binnengekomen met (bivak)mutsen op, en/of

- (vervolgens) twee vuurwapens, althans voorwerpen gelijkende op vuurwapens,

hebben laten zien aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], en/of

- (vervolgens) die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] hebben bedreigd met voornoemde

vuurwapens, althans voorwerpen gelijkende op vuurwapens, (door deze op hen

te richten), en/of

- (vervolgens) die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen 'Waar

is de kluis' en/of 'Maak open' en/of 'Waar is het geld';

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 november 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan

de [adres 1] (Slijterij Souburg)) heeft weggenomen twee, althans één of

meer kassalade(s) met inhoud (te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal

ongeveer 1390,61 Euro en/of één of meer Nationale Slijterij bon(nen) (met een

totale waarde van ongeveer 330 Euro)) en/of één of meer sleutel(s) en/of een

(gedeelte/restant van een) rol postzegels, in elk geval enig(e) geldbedrag(en)

en/of enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 2 oktober 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan

de [adres 2] (Jeans Inn)) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid

kleding en/of schoeisel (met een totale waarde van ongeveer 13202,17 Euro), in

elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 7 december 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan

de [adres 1] (Megabed)) heeft weggenomen een computer en/of een kluis(je)

en/of een portemonnee en/of één of meer geldbedrag(en) (met een totale waarde

van ongeveer 485 Euro), in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en),

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 7 november 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan

de [adres 3] (Bakkerij Bliek)) heeft weggenomen een geldkistje met een

geldbedrag van ongeveer 280 Euro en/of een bakje met een geldbedrag van in

totaal ongeveer 150 Euro, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of

geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan Master Bakery (gevestigd

aan de [adres 4]), in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 25 januari 2010 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan de

[adres 1] ([winkel 5]) weg te nemen één of meer

goed(eren) naar hun/zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen

en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door

middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn

mededader(s), althans alleen, zich naar dat pand hebben/heeft begeven en/of

(vervolgens) een deur hebben/heeft geforceerd en/of (vervolgens) het pand

hebben/heeft betreden en/of (vervolgens) heeft gezocht naar één of meer

goed(eren) van hun/zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en heeft zich daarbij gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte en die van de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie opgemerkt dat de gebruikte wapens niet zijn aangetroffen en dat hij er daarom op voorhand niet vanuit gaat dat het hier om nepwapens ging.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten door verdachte zijn bekend en wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht het feit onder 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van [adres 1];

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 1] ;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 2] .

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de overval op de [winkel 6] is gepleegd met echte vuurwapens. Gelet op de afgelegde verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten gaat de rechtbank ervan uit dat er sprake is geweest van gebruik van nepwapens. Zij ziet geen aanleiding om aan deze verklaringen te twijfelen nu verdachte en zijn medeverdachten volledige openheid van zaken hebben gegeven.

Feit 2

De rechtbank acht het feit onder 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van [adres 1];

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 3] .

Feit 3

De rechtbank acht het feit onder 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van [adres 1];

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 4] .

Feit 4

De rechtbank acht het feit onder 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van [adres 1];

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 5] .

Feit 5

De rechtbank acht het feit onder 5 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van [adres 1];

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 8] .

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde geldbedrag ter hoogte van € 150,- nu uit het dossier gebleken is dat het hier niet om een bakje met € 150,- ging maar om een bakje met 150 spaarmuntjes van de Bakkerij.

Feit 6

De rechtbank acht het feit onder 6 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van [adres 1];

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 9] .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 24 december 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met anderen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer

geldbedragen (van in totaal ongeveer [bedrag 1]) en een tas met inhoud

(waaronder bankpassen) en postzegels

toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], welke diefstal werd

voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met

geweld tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en

welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn

mededaders:

- de winkel zijn binnengekomen met bivakmutsen op, en/of

- vervolgens twee voorwerpen gelijkende op vuurwapens,

hebben laten zien aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], en

- vervolgens die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] hebben bedreigd met voornoemde

voorwerpen gelijkende op vuurwapens, door deze op hen

te richten en

- vervolgens die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen 'Waar

is de kluis' en/of 'Maak open' en/of 'Waar is het geld';

2.

op 27 november 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met anderen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand gelegen aan

de [adres 1] (Slijterij Souburg)) heeft weggenomen twee, kassalades met inhoud (te weten geldbedragen van in totaal

ongeveer 1390,61 Euro en Nationale Slijterij bonnen (met een

totale waarde van ongeveer 330 Euro) en sleutels en een

(gedeelte/restant van een) rol postzegels, toebehorende aan [benadeelde partij 3],

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

3.

op 2 oktober 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met anderen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand gelegen aan

de [adres 2] (Jeans Inn)heeft weggenomen een grote hoeveelheid

kleding en schoeisel met een totale waarde van ongeveer 13202,17 Euro toebehorende aan [benadeelde partij 4],

waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

4.

op of omstreeks 7 december 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met anderen met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand gelegen aan

de [adres 1] (Megabed)heeft weggenomen een computer en een kluis

en een portemonnee en geldbedragen (met een totale waarde

van ongeveer 485 Euro), toebehorende aan [benadeelde partij 5], waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben

verschaft door middel van braak;

5.

op 7 november 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met anderen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand gelegen aan

de [adres 3] (Bakkerij Bliek) heeft weggenomen een geldkistje met een

geldbedrag van ongeveer 280 Euro toebehorende aan Master Bakery (gevestigd

aan de [adres 4]), waarbij verdachte en zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben

verschaft door middel van braak;

6.

op of omstreeks 25 januari 2010 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met anderen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand gelegen aan de

[adres 1] ([winkel 5] weg te nemen één of meer

goed(eren) naar hun gading toebehorende aan [benadeelde partij 7], en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen

door middel van braak, met een of meer van zijn

mededaders, zich naar dat pand heeft begeven en

vervolgens een deur heeft geforceerd en vervolgens het pand

heeft betreden en/of (vervolgens) heeft gezocht naar één of meer

goed(eren) van zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest waarbij hij tevens de ad informandum gevoegde feiten mee heeft laten wegen.

Bij zijn eis heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de richtlijnen.

Verder heeft hij daartoe aangevoerd dat Oost-Souburg vanaf de zomer van 2009 is geteisterd door een reeks van delicten van bedrijfs- en woninginbraken waarbij de sfeer steeds grimmiger werd. Een dieptepunt werd bereikt met de brute gemaskerde en gewapende overval op de Primera. Omwille van geld heeft verdachte met zijn medeverdachten een spoor door Oost-Souburg getrokken. Dit heeft een grote impact op de maatschappij gehad waarbij een groot gevoel van onveiligheid is ontstaan. Om die reden is volgens de officier van justitie een forse gevangenisstraf op zijn plaats.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft een gevangenisstraf van maximaal twee jaar bepleit en een groot deel voorwaardelijk als een stok achter de deur. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte nadat hij te horen kreeg van zijn mentor dat hij het schooljaar niet ging halen, het bijltje erbij neer heeft gegooid. Verdachte is hierop alcohol gaan drinken en gaan blowen. In nuchtere toestand had hij nooit tot het plegen van deze delicten gekomen. Verdachte voelt zich schuldig en schaamt zich ook voor zijn moeder nu zij zich nog op het dorp moet vertonen. Verdachte wil alles niet steken op het feit dat hij geen vader in zijn leven heeft gekend. Dit was immers ook geen garantie dat alles goed was gegaan. Over de opmerkingen in het reclasseringsrapport betreffende afstand nemen van zijn Molukse familie heeft de raadsvrouw opgemerkt dat zij nu eenmaal familie zijn. Verder heeft zij betoogd dat de door de officier van justitie geëiste straf geen toekomstperspectief biedt aan verdachte en dat hij zal verharden tijdens detentie. Verdachte wil zijn leven een positieve wending gaan geven en is in de penitentiaire inrichting bezig met het behalen van het VCA-certificaat en werkt daarnaast. De raadsvrouw heeft contact opgenomen met Travalje Subiet waar verdachte na zijn detentie terecht kan voor hulp.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op de dag voor kerst samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een overval op de Primera in Oost-Souburg. Verdachte is samen met zijn mededaders met bivakmutsen op en met voorwerpen gelijkend op vuurwapens de Primera binnengegaan. Deze wapens hebben zij aan de slachtoffers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] laten zien en vervolgens bedreigd. Een van de daders heeft [benadeelde partij 2] met het wapen in zijn nek op tafel gedrukt gehouden. Onder dreiging van het wapen heeft [benadeelde partij 1] de kluis open moeten maken. Nadat zij de buit hadden gepakt zijn verdachte en zijn mededaders de winkel uit gevlucht waarbij nog steeds de wapens op de slachtoffers gericht werd gehouden. Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen. Dat verdachte en zijn mededaders hier geen echte maar voorwerpen gelijkend op vuurwapens hebben gebruikt doet aan de ernst van het feit niet af nu onder deze omstandigheden en gevoelens van paniek een dergelijk wapen door de slachtoffers niet van echte te onderscheiden zijn.

Daarnaast heeft verdachte zich samen met zijn mededaders in een periode van vier maanden schuldig gemaakt aan vier bedrijfsinbraken en één poging daartoe. Deze inbraken vonden plaats tijdens de nachtelijke uren in diverse bedrijven in Oost-Souburg. Door deuren of ramen open te breken zijn verdachte en zijn mededaders de panden binnengedrongen en hebben vervolgens onder andere geldbedragen, kleding en een computer weggenomen. Door deze werkwijze werden de bedrijven met aanzienlijke schade voor de eigenaars achter gelaten. Verdachte en zijn mededaders hebben deze misdrijven onder invloed van alcohol en verdovende middelen gepleegd.

Uit het kennelijke gemak waarmee verdachte en zijn mededaders tot deze daden zijn overgegaan, blijkt dat zij uitsluitend oog hebben gehad voor hun eigen financieel gewin en zich in het geheel niet hebben bekommerd om de eigendommen van een ander. Dit zijn feiten die naast onrustgevoelens ook financiële schade voor de eigenaren van de bedrijven met zich meebrengen. Daarnaast brengen dergelijke vermogensdelicten bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft zij acht geslagen op het feit dat verdachte de afgelopen vijf jaren eerder in contact is gekomen met politie en justitie voor onder andere vermogensdelicten.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland opgesteld door [reclasseringsambtenaar] op 13 april 2010. Hierin wordt onder andere medegedeeld dat verdachte onder andere problemen heeft op de gebieden opleiding/werk/leren, financiën, middelengebruik, relaties met vrienden en familie en gedrag en houding. Deze probleemgebieden hebben tevens een rol gespeeld bij het plegen van de delicten. Verdachte is sinds 2005 begeleid door Bureau Jeugdzorg waar hij begonnen is met ITB-Criem, regulier toezicht van de jeugdreclassering, een periode verblijf in J.J.I. De Hartelborgt en ITB harde kern. Weliswaar heeft verdachte deze begeleiding positief afgerond maar deze interventies hebben kennelijk niet geholpen voor het gevaar op recidive. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. De reclassering is van gedachte dat verdachte moeilijk middels een toezicht te bereiken en te veranderen zal zijn omdat hij sterk zijn identiteit ontleent aan het Moluks zijn en waarschijnlijk geen afstand zal nemen van zijn familieleden/medeverdachten. Van belang is dat verdachte een opleiding gaat volgen, een dagbesteding heeft en zich los maakt van zijn omgeving. Om tot een advies te komen is de reclassering echter van mening dat er aanvullend psychologisch onderzoek noodzakelijk is. Verdachte heeft laten weten hier niet aan mee te willen werken.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. Zij ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf overweegt zij dat gebleken is dat de officier van justitie bij zijn eis is uitgegaan van andere richtlijnen dan die de rechtbank hanteert. De rechtbank is van oordeel dat er, uitgaande van de LOVS- en ressortsrichtlijnen, een lagere straf opgelegd dient te worden dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank laat bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf tevens meewegen dat zij de indruk heeft dat verdachte oprecht berouw heeft van zijn daden gelet op zijn proceshouding waarin hij ruimhartig openheid van zaken heeft gegeven en waarbij hij zichzelf niet heeft gespaard. Op grond hiervan zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar opleggen. Zij ziet gelet op de huidige V.I. regeling geen aanleiding om een deel daarvan voorwaardelijk aan verdachte op te leggen.

6.4. Het ad informandum gevoegde

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met het volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feit:

Parketnummer: 715059-10, 1 december 2009, [adres 5].

Diefstal in vereniging met braak/verbreking

Bedrijfsinbraak bij [benadeelde partij 10].

Hetgeen voor het overige ad informandum is aangeboden is buiten beschouwing gebleven, nu verdachte dit feit heeft ontkend.

7. De benadeelde partijen

Feit 1

De benadeelde partij [1][en 2], wonende te [adres 6], vordert een schadevergoeding van € 4.694,59, te weten een bedrag van € 1.545,- wegens immateriële schade en een bedrag van 3.149,59 wegens materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd hoofdelijk een voorschot onder algemene titel aan de benadeelde partij toe te kennen ten bedrage van € 4.500,- met oplegging van de schademaatregel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering betreffende de inkomstenderving te ingewikkeld is om in het strafproces te berekenen maar dat het evident is dat er forse schade is geleden.

De raadsvrouw van verdachte heeft medegedeeld dat er onherstelbaar leed is toegebracht maar dat de vordering niet eenvoudig van aard is en daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Mocht de rechtbank overgaan tot het toekennen van een voorschot dan refereert zij daarbij aan haar oordeel.

Ten aanzien van de gevorderde materiele schade is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 3.258,41een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan

€ 1.713,41 ter zake van materiële schade en € 1.545,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Voor de immateriële schade merkt rechtbank op dat zij er van uit gaat dat dit de geleden schade tot op heden betreft.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Zij overweegt daartoe dat de gevorderde omzetderving niet gelijk hoeft te zijn aan de daadwerkelijk geleden schade. Het maken van een correcte berekening op dit punt gaat te ver voor het strafproces daar enkel eenvoudig te beoordelen vorderingen mee kunnen worden genomen in het strafproces. Om die reden kan de benadeelde partij haar vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te [adres 6], vordert een schadevergoeding van € 2.089,94, te weten een bedrag van € 1.545,- ter zake van immateriële schade en een bedrag van € 544,94 ter zake van materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd hoofdelijk een voorschot onder algemene titel aan de benadeelde partij toe te kennen van € 2.000,- met oplegging van de schademaatregel.

De raadsvrouw van verdachte heeft medegedeeld dat er onherstelbaar leed is toegebracht maar dat de vordering niet eenvoudig van aard is en daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Mocht de rechtbank overgaan tot het toekennen van een voorschot dan refereert zij daarbij aan haar oordeel.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Feit 2

De benadeelde partij [benadeelde partij 3], wonende te [adres 8], vordert een schadevergoeding van € 380,- ter zake van materiele schade.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de stukken is gebleken dat er sprake is geweest van uitkering door een verzekeringsmaatschappij. Er valt echter niet uit op te maken wat het eigen risico is geweest. Ook is de vordering niet onderbouwd met bewijsmateriaal. Op grond daarvan heeft hij gevorderd een bedrag van € 250,- toe te kennen en de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu de vordering niet is onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Feit 4

Namens de benadeelde partij Megabed B.V. gevestigd te [adres 7] is een schadevergoeding gevorderd van € 1.764,19 ter zake van materiële schade.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de stukken is gebleken dat er sprake is geweest van uitkering door een verzekeringsmaatschappij. Er valt echter niet uit op te maken wat het eigen risico is geweest. Op grond daarvan heeft hij gevorderd een bedrag van € 250,- toe te kennen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

De raadsvrouw van verdachte heeft laten weten zich te kunnen vinden in het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 553,77 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor wat betreft de geleden schade omtrent de Tom Tom acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat onduidelijk is wat er met de Tom Tom heeft plaatsgevonden. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de geleden schade betreffende de installatie van de inbraakbeveiliging wijst de rechtbank af nu dit geen rechtstreeks gevolg is geweest van het bewezen verklaarde feit.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Feit 5:

Namens de benadeelde partij The Master Bakery B.V., gevestigd te [adres 9], is een schadevergoeding gevorderd van € 405,- ter zake van materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd deze vordering toe te wijzen.

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu de vordering niet is onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Feit 6

Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 7], gevestigd te [adres 10] is een schadevergoeding gevorderd van € 1.083,90 ter zake van materiële schade.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de stukken is gebleken dat er sprake is geweest van uitkering door een verzekeringsmaatschappij. Volgens hem is het aannemelijk dat de geleden schade daarmee gedekt is. Hetgeen overblijft aan schade is het bedrag aan eigen risico. Uit de stukken is echter gebleken dat dit € 225,- bedraagt in plaats van € 250,-. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd de vordering tot een bedrag van € 225,- toe te wijzen en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsvrouw van verdachte kan zich vinden in het standpunt dat de officier van justitie heeft ingenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 225,- uit hoofde van verlies van eigen risico een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de vordering niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Uit de stukken is gebleken dat er een uitkering van de verzekeringsmaatschappij heeft plaatsgevonden voor de door de benadeelde partij opgegeven schade. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 45, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, en 6 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Diefstal, voorafgegaan of vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 3: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 4: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 5: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 6: Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

Feit 1:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [1][en 2], wonende te [adres 6] van € 3.258,41, waarvan € 1.713,41 ter zake van materiële schade en € 1.545,- ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [1][en 2], € 3.258,41 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 42 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te [adres 6] van € 2.089,94, te weten een bedrag van € 1.545,- ter zake van immateriële schade en een bedrag van € 544,94 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], € 2.089,94 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 2:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3], wonende te [adres 8], van € 380,- ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3], € 380,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 4:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Megabed B.V. gevestigd te [adres 7] van € 553,77 ter zake van materiële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij voor het bedrag van € 150,42 (Tom Tom) van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- wijst af het bedrag van € 1.060,- (installatie inbraakbeveiliging) van de vordering van de benadeelde partij;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 10], € 553,77 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 11 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 5:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij The Master Bakery van € 405,- ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer The Master Bakery, € 405,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 6:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 7] van

€ 225,-, ter zake van materiële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 7], € 225,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Woltring, voorzitter, mr. Van Spronssen en mr. Van der Ploeg-Hogervorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 juni 2010.

Mr. Van der Ploeg-Hogervorst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.