Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BM7241

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
12/700172-08 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4515, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de eigenaar als ook de bedrijfsleider van coffeeshop Miami te Terneuzen veroordeeld tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens het aanvoeren en in voorraad houden van veel grotere hoeveelheden softdrugs dan waarin het gedoogbeleid voorziet, waarmee dat gedoogbeleid ook wordt ondermijnd. Zij zijn niet vervolgd voor de verkoop in de coffeeshop. Gevoerde verweren wat betreft de rechtmatigheid van de bewijsverzameling en de vervolging zijn door de rechtbank verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700172-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juni 2010

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen verdachte

[verdachte]

geboren in [1972 [geboorteplaats/land]]

wonende te [adres verdachte]

raadsman mr. Dunsbergen, advocaat te Goes

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 mei 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Bethlehem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging luidt als volgt.

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2008

tot en met 25 september 2008 in de gemeente Terneuzen en/of (elders) in

Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf (te weten als

eigenaar/exploitant van "coffeeshop MIAMI"),

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, één of meer

(handels)hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj

(gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), zijnde hennep en/of hasjiesj

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 26 september 2008 in de gemeente Terneuzen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 46 kilo hennep en/of 720 joints (tabak met hennep)

en/of 564 gram tabak vermengd met hennep, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram hennep, en/of ongeveer 5955 gram, in elk geval van een

hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, (gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd), namelijk:

- in een pand aan de [pand 1] een hoeveelheid van ongeveer

16361 gram hennep en/of 5955 gram hasjiesj en/of 300 gram skuff, en/of

- in een pand aan de [pand 2] 720 joints en/of 1230 gram

hennep en/of 564 gram tabak vermengd met hennep, en/of

- in een pand aan de [pand 3] 650 gram hennep en/of 12926

gram skuff en/of 5068 gram hennep (knipafval) en/of

- in of nabij een gezamenlijke brandgang van het te Terneuzen aan de

[adres] gelegen Chinees restaurant en de panden [pand 2] en

[pand 4 en 5], 9300 gram hennep (de inhoud van de bij verdachte

[medeverdachte 1] bij diens aanhouding aangetroffen dozen met hennep)

zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat de dagvaarding ter zake van het onder 1 ten laste gelegde nietig dient te worden verklaard, omdat onvoldoende duidelijk blijkt welke feitelijke gedragingen zouden moeten worden gekwalificeerd als handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet. Zij heeft daarbij aangevoerd dat de verdediging - door het ontbreken van uitvoeringshandelingen in de tenlastelegging - niet weet waartegen zij zich precies dient te verdedigen. Dit kan zijn tegen het uitbaten van de coffeeshop, maar ook tegen de bevoorrading daarvan of iets anders.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat in deze zaak niet de coffeeshop maar de bevoorraders van de coffeeshop worden vervolgd.

Het oordeel van de rechtbank

Het betoog van de verdediging wordt door de rechtbank niet gevolgd. De omschrijving van het onder 1 ten laste gelegde feit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende geconcretiseerd en voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Tegen de achtergrond van het dossier en gezien in samenhang met het onder 2 ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk wat verdachte verweten wordt en waartegen hij zich heeft te verdedigen, te weten het bevoorraden van de coffeeshop met grotere hoeveelheden dan in het door het openbaar ministerie gehanteerde gedoogbeleid voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve het door het openbaar ministerie gemaakte verwijt in de dagvaarding van meet af aan voldoende duidelijk en is verdachte in staat zich hiertegen te verdedigen. Ook overigens voldoet de dagvaarding aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De dagvaarding is dan ook geldig.

3.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, omdat het heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Het openbaar ministerie heeft op basis van informatie die tenminste een half jaar oud was geconcludeerd dat onderzoek moest worden gedaan naar de achterdeur van de coffeeshop. Het heeft daartoe zonder extra motivering bijzondere opsporingsmiddelen ingezet en verdachte vervolgd.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat de vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel, nu de coffeeshop zich aan alle voorwaarden heeft gehouden en de gemeente ook een gedoogbeschikking heeft afgegeven voor de verkoop van softdrugs in de coffeeshop. Dit moet de instemming van het openbaar ministerie hebben gehad, nu zij ook vertegenwoordigd is in de driehoek. Het openbaar ministerie handelt derhalve in strijd met gepubliceerde gedoogcriteria. Het openbaar ministerie dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het gedoogbeleid niet aan een vervolging van strafbare feiten in de weg staat. Als de gedoogvoorwaarden worden overtreden is het openbaar ministerie altijd bevoegd deze overtredingen op te sporen en te vervolgen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Het is niet ongebruikelijk dat vanwege capaciteitsgebrek bij de politie informatie niet onmiddellijk onderzocht kan worden. Het openbaar ministerie mag, gelet op de hem in het Wetboek van Strafvordering en in de Opiumwet gegeven bevoegdheden, op elk gewenst moment de toelevering van een coffeeshop laten controleren. Daarvoor behoeft geen extra motivering te worden gegeven.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte de voorwaarden die verbonden zijn aan de gedoogbeschikking heeft overtreden. Onder strikte voorwaarden wordt de verkoop van softdrugs in coffeeshops gedoogd. Dit officiële gedoogbeleid heeft echter slechts een beperkte reikwijdte, namelijk het ziet alleen op de verkoop van softdrugs en het op voorraad hebben van een beperkte hoeveelheid van softdrugs in de coffeeshop. Het openbaar ministerie heeft actie ondernomen, omdat er een vermoeden was dat coffeeshop Miami naast de in de coffeeshop zelf aanwezige hoeveelheid verdovende middelen in de nabije omgeving van de coffeeshop nog een of meer opslagplaatsen met verdovende middelen had. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een op zichzelf staande overtreding van de Opiumwet.

Gezien het voorstaande passeert de rechtbank eveneens het verweer dat het vertrouwensbeginsel de vervolging van de officier van justitie in de weg staat. Er is geen sprake van niet-ontvankelijkheid van de officier in haar vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

3.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Observatie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat voor de observaties die tussen 2 en 4 juli 2008 en tussen 21 en 23 juli 2008 hebben plaatsgevonden geen wettelijke basis was. Zij is van mening dat die observaties gezien het feit dat telkens drie dagen achter elkaar is geobserveerd dienen te worden beschouwd als stelselmatig en derhalve niet kunnen worden gebaseerd op artikel 2 van de Politiewet. Er is op een zodanige wijze inbreuk gemaakt op de privacy van verdachte dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad. Het - met de onrechtmatig verkregen observaties - verkregen materiaal en de “verboden” vruchten daarvan dienen dan ook voor het bewijs uitgesloten te worden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op de door de verdediging genoemde data, gelet op de jurisprudentie, geen sprake was van een stelselmatige observatie. De observaties hebben niet plaatsgevonden op een persoon, maar op de voor- en achterdeur van de coffeeshop.

Het oordeel van de rechtbank

De voor- en achterdeur van de coffeeshop Miami, waarvan verdachte de eigenaar is, is in de maand juli 2008 gedurende vijf dagen telkens enkele uren per dag geobserveerd door verbalisanten. Deze observaties beperkten zich tot voor iedereen waarneembare gedragingen. Er is sprake van stelselmatige observatie indien het observeren van een persoon tot gevolg kan hebben dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Observaties die het karakter van stelselmatigheid missen en waarbij dus niet een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen, kunnen volgens vaste jurisprudentie worden gebaseerd op artikel 2 van de Politiewet. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de duur, de intensiteit, de plaats en de wijze waarop de observaties werden verricht, deze slechts een zo beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte maakten dat artikel 2 van de Politiewet 1993 en artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering daarvoor een toereikende grondslag bieden. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een onrechtmatige observatie.

4.2 De feiten

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 (afleveren, vervoeren en aanwezig hebben) en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op het feit dat verdachte de eigenaar is van de coffeeshop Miami, de panden waar de softdrugs zijn aangetroffen zijn eigendom zijn en op de verklaring van [medeverdachte 1]. Verdachte kon via de brandgang achter de coffeeshop ook de panden aan de [pand 2] en [pand 1] bereiken. In de dozen die op 26 september 2008 onder [medeverdachte 1] in beslag zijn genomen zaten verdovende middelen. Bij de invallen in de woningen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn softdrugs, materiaal bestemd voor Miami en boodschappentassen met daarin hennepresten aangetroffen. [medeverdachte 2] is de bedrijfsleider van Miami, en [medeverdachte 1] is ook in dienst van verdachte. De officier van justitie is van mening dat het niet geloofwaardig is dat er in de tassen die blijkens de observaties met enige regelmaat in de brandgang over de muur werden gezet wasgoed van verdachte zat. Verdachte heeft zelf bij de politie verklaard dat hij in verband met de inval een week geen softdrugs kon verkopen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat verdachte derhalve integraal dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit heeft zij aangevoerd dat zich in het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevindt. De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 betoogd dat met name de overtuigende bewijsmiddelen ontbreken. Zij heeft om dit betoog te onderbouwen in haar pleitnota de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden uitvoerig besproken. De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte misschien de schijn tegen heeft, maar dat niet onomstotelijk vast staat dat de in de tenlastelegging onder 2 genoemde hoeveelheden softdrugs van hem waren of voor de coffeeshop bedoeld waren.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Naar aanleiding van een proces-verbaal van ambtenaren van de belastingdienst en processen-verbaal van de politie ontstaat het vermoeden dat in de directe omgeving van coffeeshop Miami een onbekende hoeveelheid softdrugs wordt bewaard. In juni 2008 wordt daarom het onderzoek Lopik gestart. Op basis van artikel 2 van de Politiewet vonden in de maand juli 2008 enkele observaties plaats op de voor- en achterzijde van de coffeeshop. Op 3 en 4 juli 2008 wordt gezien dat [medeverdachte 1] met een wit/blauwe tas in de richting van de achterdeur van het pand aan de [pand 6] loopt en dat hij vervolgens de tas over een muur aan een man overgeeft . Deze man is op foto’s herkend als [medeverdachte 2] . Op 21 juli 2008 wordt gezien dat [medeverdachte 1] en een onbekende man tassen over de muur aan de achterzijde van de coffeeshop aangeven aan een man aan de andere kant van de muur . Ook op 23 juli 2008 is waargenomen dat een man een blauw/witte tas over de muur aan de achterzijde van de coffeeshop aan een andere man geeft .

In de periode van 20 augustus tot en met 5 september 2008 werden vervolgens de bewegingen aan de achterzijde van de coffeeshop met behulp van een videocamera vastgelegd. Op het verkregen beeldmateriaal wordt op verschillende dagen in deze periode gezien dat een persoon een tas over de muur aan iemand aan de andere kant geeft dan wel dat hij een tas op de muur zet, rondloopt en de tas aan de andere kant van de muur pakt .

Op 26 september 2008 wordt door verbalisanten gezien dat [medeverdachte 1] twee dozen uit zijn auto laadde en deze in de hoek zette op de afgesloten parkeerplaats aan de achterkant van de [pand 6 en 7]. [medeverdachte 1] is vervolgens aangehouden in de brandgang die onder andere toegang geeft tot de achterzijde van coffeeshop Miami. Kort daarvoor was hij met één doos over de muur tussen de parkeerplaats en de brandgang geklommen . In de dozen zat hennep met een netto totaal gewicht van 9.300 gram .

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij in opdracht van zijn baas, de eigenaar van Miami, de tassen of dozen in Hoek en later in Koewacht ophaalde en naar de coffeeshop bracht. Zijn bazen [verdachte] . Hij zette ongeveer 25 à 30 kilo per week over de muur . [medeverdachte 2] pakte vaak de tassen of dozen van hem aan aan de andere kant van de muur .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ook wel [alias] wordt genoemd .

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich - met anderen - heeft schuldig gemaakt aan het afleveren en vervoeren van hennep en hashish in de periode van

1 juli 2008 tot en met 25 september 2008.

Feit 2

Op 26 september 2008 heeft op verschillende adressen een doorzoeking plaatsgevonden. Daarbij is het volgende aangetroffen.

In de woning die [medeverdachte 1] huurde aan de [pand 1] werd een grote hoeveelheid hennep en hashish aangetroffen . Het betrof een partij van in totaal netto 16.361 gram, 5.955 gram hashish en 300 gram skuff .

In de woning van [medeverdachte 2] aan de [pand 2] werd een grote hoeveelheid hennep aangetroffen. Tevens werd een tonnetje met daarin joints aangetroffen . Het betrof een partij van in totaal netto 1.230 gram hennep en 720 joints .

In de woning van [vriendin medeverdachte 1] aan de [pand 3] werd een grote hoeveelheid hennep aangetroffen . Het betrof een partij van in totaal netto 650 gram hennep, 12.926 gram skuff en 5.068 gram hennep .

Skuff is de naam voor de THC-kristallen die worden verkregen van de toppen van een weedplant wanneer deze toppen worden vermalen en het maalsel wordt gezeefd door een fijne zeef. De kristallen van de plant bevatten niet alleen THC, maar ook andere stoffen. Het is erg geconcentreerd en geeft heftigere effecten dan gewone weed. Van skuff kan hashish worden gemaakt .

Verder is op 26 september 2008 [medeverdachte 1] op heterdaad aangehouden terwijl hij in de brandgang achter de [adres] en de panden [pand 2] en [pand 4 en 5] grote kartonnen dozen over een muur zette . In de dozen zat hennep met een netto totaal gewicht van 9.300 gram .

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij bij zijn vriendin [vriendin medeverdachte 1] in de woning aan de [pand 3] verblijft. Het restmateriaal hennep dat in deze woning is aangetroffen is van hem als ook een paar gram hennep . De skuff is van de zaak . [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij staat ingeschreven op het adres [pand 1], maar dat hij daar nooit komt . In deze woning zijn diverse documenten aangetroffen op naam van coffeeshop Miami dan wel verdachte .

Verdachte heeft ontkend iets te maken te hebben met de in de tenlastelegging onder 2 opgesomde verdovende middelen. Hij heeft in zijn eerste verklaring bij de politie gezegd dat de coffeeshop de week na de inval gewoon open was, maar dat hij als gevolg van de inval geen wiet had om te verkopen . De raadsman heeft ter terechtzitting de uitspraak van verdachte nader uitgelegd. Verdachte zou hiermee hebben bedoeld dat het - met alle aandacht die na de inval voor de coffeeshop was ontstaan - voor hem niet meer mogelijk was om de coffeeshop op onopvallende wijze te bevoorraden. De rechtbank acht het gelet op de wijze waarop en de stelligheid waarmee verdachte zijn uitspraak heeft geformuleerd niet aannemelijk dat hij zich in de door de raadsman bedoelde zin heeft willen uitlaten.

Verder is verdachte de eigenaar van de panden aan de [pand 1] en [pand 2] . Hij verhuurde deze panden aan [medeverdachte 1] respectievelijk [medeverdachte 2]. Tijdens observaties - zoals hiervoor bij de bespreking van feit 1 door de rechtbank uiteengezet - is waargenomen dat [medeverdachte 1] bijna dagelijks tassen naar de coffeeshop bracht. [medeverdachte 2] is de bedrijfsleider van coffeeshop Miami .

Door verbalisanten is tijdens voornoemde observaties in juli 2008 gezien dat er door [medeverdachte 1] blauw/witte tassen over de muur achter de coffeeshop werden gezet. In de woning van [medeverdachte 2] als ook in de woning aan de [pand 1] werd een boodschappentas aangetroffen die soortgelijk is aan de tijdens de observatie waargenomen boodschappentassen .

Gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich - met anderen - heeft schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van hennep, hashish, tabak vermengd met hennep en joints. Zij acht echter, gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] daarover, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook samen met anderen de in de woning aan de [pand 3] aangetroffen hennep en het knipafval van hennep aanwezig heeft gehad.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 1 juli 2008

tot en met 25 september 2008 in de gemeente Terneuzen en elders in

Nederland,

telkens tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (te weten als

eigenaar/exploitant van "coffeeshop MIAMI"),

opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd,

handelshoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj

(gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), zijnde hennep en/of hasjiesj

telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

op 26 september 2008 in de gemeente Terneuzen,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 40,3 kilo hennep en 720 joints (tabak met hennep)

en 564 gram tabak vermengd met hennep, en ongeveer 5955 gram hasjiesj, (gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd), namelijk:

- in een pand aan de [pand 1] een hoeveelheid van ongeveer

16361 gram hennep en 5955 gram hasjiesj en 300 gram skuff, en

- in een pand aan de [pand 2] 720 joints en 1230 gram

hennep en 564 gram tabak vermengd met hennep, en

- in een pand aan de [pand 3] 12926

gram skuff en

- in of nabij een gezamenlijke brandgang van het te Terneuzen aan de

[adres] gelegen Chinees restaurant en de panden [pand 2] en

[pand 4 en 5], 9300 gram hennep (de inhoud van de bij verdachte

[medeverdachte 1] bij diens aanhouding aangetroffen dozen met hennep)

zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II,

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de bewezenverklaring ten opzichte van de tenlastelegging gewijzigd in die zin dat het totaal aantal kilo’s hennep dat verdachte en zijn mededaders aanwezig hadden, is aangepast. Verdachte is immers door de rechtbank deels vrijgesproken. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een geldboete van € 40.000,00, subsidiair 235 dagen vervangende hechtenis, een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft bij het formuleren van haar eis rekening gehouden met het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, en hij de eigenaar is van de coffeeshop waardoor er een gezagsverhouding bestaat met de bevoorraders.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht te overwegen alleen een werkstraf aan verdachte op te leggen, nu het openbaar ministerie anderhalf jaar heeft gewacht met de vervolging van verdachte. Verdachte heeft onder druk van de gemeente Terneuzen zijn coffeeshop weer geopend. Hij heeft frequenter overleg met de gemeente en hij heeft allerlei maatregelen getroffen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het opleggen van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden en de ernst van de gepleegde feiten en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van een verdachte.

Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte 2] schuldig gemaakt aan het vervoeren en afleveren van grote hoeveelheden hennep aan coffeeshop Miami en heeft daarmee rechtstreeks bijgedragen aan de strafbare feiten rond de achterdeur. Weliswaar heeft Nederland ten aanzien van hennep een gedoogbeleid, maar ook dit beleid kent zijn grenzen. Het gedogen is vooral gericht op de koop en verkoop van kleine hoeveelheden hennep en het gebruik daarvan. In dat geval worden strafbare feiten de facto toegestaan en niet vervolgd. Ook de niet gedoogde achterdeur (inkoop, aanvoer, opslagplaatsen) heeft dan geen prioriteit in de opsporing en vervolging. Hoewel de rechtbank beseft dat er door het gedoogbeleid sprake is van een schemergebied, neemt dit niet weg dat het vervoeren en afleveren van hennep nadrukkelijk niet gedoogd wordt en strafbaar is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij het bepalen van de strafmaat geen rekening dient te worden gehouden met het feit dat verdachte vervoerde en afleverde aan een gedoogde coffeeshop. Voorts heeft verdachte samen met anderen op diverse plaatsen buiten de coffeeshop grote hoeveelheden softdrugs aanwezig gehad die bedoeld waren voor de bevoorrading van de coffeeshop. Hij heeft deze feiten gepleegd als eigenaar van de coffeeshop. De officier van justitie heeft ter zitting uitgelegd dat het openbaar ministerie tot vervolging heeft besloten omdat verdachte door het aanwezig hebben van grote hoeveelheden softdrugs het gedoogbeleid heeft ondermijnd.

Daar komt nog bij dat verdachte, blijkens zijn strafblad, twee keer eerder, te weten in 1998 en 2006, is veroordeeld voor overtreding van artikel 3 van de Opiumwet in het kader van de exploitatie van een coffeeshop.

De reclassering heeft geen rapportage met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte kunnen uitbrengen. Uit de verklaringen van de verdachte is de rechtbank duidelijk geworden dat hij geschokt is door het ingrijpen van justitie op 26 september 2008.

De rechtbank is van oordeel het tijdsverloop tussen het plegen van het feit en de berechting van het feit niet dusdanig is geweest dat hiermee bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van na te melden duur passend en geboden is. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal zij daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat met deze straffen voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de feiten. Zij zal derhalve niet ook nog een geldboete aan verdachte opleggen.

7 Het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen sigaret zal worden onttrokken aan het verkeer en dat de overige in beslag genomen goederen zullen worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar(s).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de in beslag genomen goederen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende(n).

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen

in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod,

meermalen gepleegd;

feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van

de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende(n) van de in beslag genomen voorwerpen, te weten 1 sigaret, 1 document (kwitantie), 1 identiteitsbewijs en 1 rijbewijs, beiden tnv S. Laignier te Mareille, 1 koffer, 17 identiteitsbewijzen, 1 rijbewijs en 25 bankpassen.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Roos, voorzitter, mr. Steenbeek en mr. Van Ginneken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 juni 2010.

Mrs. De Roos en Van Ginneken zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.