Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BM5484

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
25-05-2010
Zaaknummer
Awb 09/551, 09/586, 09/587, 09/907, 09/943 en 09/983
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP2756, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling 19 WRO, appartementencomplex, Cadzand-Bad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummers: 09/551, 09/586, 09/587, 09/907, 09/943 en 09/983

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

(1) [naam 1],

(2) [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5],

De Honte B.V. en

(3) [naam 6] s

wonend of gevestigd te [plaats],

eisers,

gemachtigden mr. M.J. Smaling, werkzaam bij Das Rechtbijstand, mr. F. François, advocaat te Amsterdam en mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat te Terneuzen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis,

te Oostburg,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft verweerder aan [naam 7] vrijstelling verleend voor de bouw van een appartementencomplex met winkelruimte op het perceel gelegen Boulevard de Wielingen 52 te Cadzand-Bad, kadastraal bekend OBG.EC.216 (hierna: perceel [EC.216]).

Bij besluit van 21 november 2008 heeft verweerder voor het oprichten van voornoemd appartementencomplex een reguliere bouwvergunning aan [naam 7] verleend.

Bij besluit van 25 mei 2009, verzonden 9 juni 2009, heeft verweerder de bezwaren van

[naam 2] en [naam 4] niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren van de overige eisers ongegrond verklaard.

Op 5 juli 2009 heeft verweerder het voornemen bekend gemaakt om aan [naam 7] (hierna: vergunninghouder) vrijstelling te verlenen voor het aanleggen van tien parkeerplaatsen op het perceel [EC.217] te Cadzand-Bad, kadastraal bekend OBG.EC.217 (hierna: perceel [EC.217]). Verweerder heeft hierbij toepassing gegeven aan de openbare voorbereidingsprocedure.

Bij besluit van 8 september 2009, bekend gemaakt 14 oktober 2009, heeft verweerder voormelde vrijstelling verleend.

Tegen de besluiten van 25 mei 2009 en van 8 september 2009 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank.

De beroepen zijn op 22 maart 2010 behandeld ter zitting. Eisers [naam 6], [naam 3] en [naam 2] zijn in persoon verschenen. Namens eisers is het woord gevoerd door hun gemachtigden. Tevens is verschenen vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde

mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde M. de Koeijer, ambtenaar van de gemeente Sluis.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wro blijft de Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de tot 1 juli 2008 geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

3. Het bouwplan ziet op de oprichting van een appartementencomplex met drie parkeerplaatsen op het perceel [EC.216], bestaande uit vier bouwlagen en een vijfde bouwlaag in de kap van het gebouw. De eerste bouwlaag zal worden ingericht als winkelruimte met een omvang van 151 m2 en in de overige bouwlagen zullen zeven appartementen worden gerealiseerd. Het complex zal een breedte hebben van 12,9 meter, een lengte van 18 meter en een nokhoogte van 17 meter. Voorts wordt voorzien in de aanleg van tien parkeerplaatsen op het perceel [EC.217], dat gelegen is achter/naast het perceel [EC.216].

4. Allereerst overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het bestreden besluit blijkt dat de eisers [naam 2] en [naam 4] niet-ontvankelijk zijn verklaard, omdat zij niet zijn aan te merken als belanghebbende in zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter zitting is namens deze eisers verklaard dat [naam 2] gedurende de helft van het jaar verblijft in het appartement [adres] en dat vanuit de achterzijde van dat appartement zicht bestaat op het bouwplan. De afstand tot het bouwplan bedraagt 78 meter. [naam 4] is eigenaar van dat appartement.

Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze eisers ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van deze eisers dient op dit punt gegrond verklaard te worden en het bestreden besluit van 25 mei 2009 wordt op dit onderdeel vernietigd. De rechtbank ziet in het navolgende aanleiding met toepassing 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien.

5. De rechtbank overweegt verder als volgt.

Ingevolge het bestemmingsplan “Cadzand-Bad” rust op het perceel [EC.216] de bestemming woondoeleinden (met een goothoogte van zes meter) met erf en tuin. Het bouwplan past niet binnen deze bestemmingen voor wat betreft gebruik, omvang en hoogte.

Op het perceel [EC.217] rust ter plaatse waar de parkeergelegenheid is voorzien de bestemming erf.

6. De aanvraag om een reguliere bouwvergunning is op 8 mei 2008 bij verweerder ingekomen. Verweerder heeft vastgesteld dat in verband met de strijdigheid van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan met verwijzing naar het bepaalde in artikel 46, derde lid van de Woningwet (oud) een vrijstellingsprocedure gevolgd moet worden.

Het college heeft met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan (hierna: de vrijstelling) en bouwvergunning verleend. Hieraan is de ruimtelijke onderbouwing van 10 juni 2008 ten grondslag gelegd.

8. Eisers sub 2 hebben aangevoerd dat ten onrechte onder toepassing van de oude WRO vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend. Van deze zijde is erop gewezen dat de tekening horende bij de bouwaanvraag is gedateerd op 16 juli 2008. Ook de inzagetermijn is een dag na voormelde datum begonnen, zodat het vermoeden is gerezen dat er geschoven is met data in verband met de aanpassingen in het Ontwikkelingsplan. Volgens eisers sub 2 is de nieuwe Wro van toepassing.

9. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om bouwvergunning op 8 mei 2008 bij verweerder is ingekomen. Verweerder heeft bij brief van 23 mei 2008 verzocht om aanvulling van deze aanvraag met onder meer tekeningen. Hiervoor is een termijn van vier weken gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het hierboven weergegeven overgangsrecht niet dat voor het van toepassing zijn van het oude recht sprake dient te zijn van een volledige aanvraag om bouwvergunning en vrijstelling. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het verzoek om aanvulling van de aanvraag, gelet op het bepaalde in artikel 4:15 van de Awb, alleen opschorting van de beslistermijn tot gevolg heeft gehad. Op de aanvraag om vrijstelling en bouwvergunning is daarom naar het oordeel van de rechtbank de oude WRO van toepassing. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS, LJN: BL7722) op dit punt volgt dat door de inwerkingtreding van de nieuwe Wro niet de betekenis wordt ontnomen aan een besluit tot vrijstelling dat onder de vigeur van de oude WRO is verleend.

9. Eisers hebben – kort weergegeven – gesteld dat de aanvraag om bouwvergunning van

8 mei 2008 geen betrekking heeft op het perceel [EC.217] waar tien parkeerplaatsen zijn voorzien. Een verzoek om vrijstelling voor de aanleg van deze parkeerplaatsen ontbreekt. Gelet op het overgangsrecht in de Invoeringswet Wro zal volgens eisers een projectbesluit op basis van de nieuwe Wro genomen dienen te worden.

10. De rechtbank stelt vast dat de ruimtelijke onderbouwing van 10 juni 2008 en de tekening, ingekomen bij verweerder op 16 juli 2008, deel uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning van 8 mei 2008. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het bouwplan voorziet in de aanleg van dertien parkeerplaatsen, waarvan er drie op het perceel [EC.216] (EC 216) en tien op het perceel [EC.217] (EC 217) zullen worden gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen zijn voorts ingetekend op vorenbedoelde tekening.

De rechtbank concludeert hieruit dat de aanvraag van 8 mei 2008 ziet op de aanleg van in totaal dertien parkeerplaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat op dit aspect van de aanvraag de oude WRO van toepassing is. Ten onrechte heeft verweerder de aanleg van de parkeerplaatsen niet betrokken bij zijn besluit van 21 oktober 2008 dan wel bij het besluit op de bezwaarschriften van eisers van 9 juni 2009. Verweerder heeft dit erkend en toegelicht dat hij aanleiding zag om ten aanzien van de aanleg van de parkeerplaatsen de algemene openbare voorbereidingsprocedure te volgen. Nu verweerder de parkeerproblematiek integraal heeft bekeken, ziet de rechtbank geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan het feit dat verweerder apart heeft beslist over de aanleg van de parkeerplaatsen .

11. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat het bouwplan past in het rijksbeleid en in het provinciale beleid dat is neergelegd in het Omgevingsplan 2006-2012. Voorts is het bouwplan getoetst aan het gemeentelijke beleid, bestaande uit het Ontwikkelingsplan Cadzand-Bad Natuurlijk Stijlvol, de Woonvisie Sluis en het bestemmingsplan “Cadzand-Bad”. Opgemerkt wordt dat bijlage 5 (de ontwikkelingsschets) en bijlage 6 (het beeldkwaliteitsplan) gewijzigd zijn vastgesteld, maar dat dit geen noemenswaardige gevolgen heeft voor het bouwplan. Verweerder heeft aan GS verzocht in te stemmen met het Ontwikkelingsplan in het kader van de toepassing van hun besluit van 17 april 2007 dat de lijst bevat met categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. GS hebben daarin verklaard in te stemmen met het toepassen van voormelde vrijstelling voor plannen die liggen ten noorden van de Noorddijk, mits deze een hoogte hebben die lager is dan 18 meter en gelegen zijn op het Duinplein of ten zuidwesten van het Duinplein.

12. Eisers hebben aangevoerd dat de bijlagen 5 en 6 van het Ontwikkelingsplan herhaaldelijk aanpassingen hebben ondergaan zonder toestemming van de raad van de gemeente Sluis en zonder dat GS deze aanpassingen hebben goedgekeurd. Ook voor de aanleg van parkeergelegenheid op het perceel [EC.217] ontbreekt volgens eisers de vereiste ruimtelijke onderbouwing, nu dit perceel buiten de reikwijdte van het Ontwikkelingsplan valt.

13. Verweerder heeft uiteengezet dat de raad op 24 mei 2007 het beeldkwaliteitsplan heeft vastgesteld. Daarbij zijn wijzigingsvoorstellen gedaan die verwerkt zijn in een aangepaste versie. Deze versie is bij brief van 16 juni 2008 aan de raad aangeboden. Op die aanpassingen is door de raad niet nader gereageerd. Verweerder is er vervolgens van uitgegaan dat de aanpassingen overeenkomstig de wens van de raad zijn. Daarbij wijst verweerder erop dat de aanpassingen een praktische uitwerking vormen van de algemene kaders waarmee de raad in mei 2007 accoord is gegaan. Door verweerder is gesteld dat het beeldkwaliteitsplan geen gedetailleerd toetsingskader betreft, omdat ruimte aanwezig moet zijn om deelprojecten verder te kunnen ontwikkelen.

14. De rechtbank overweegt dat het kaderstellend karakter van dit plan blijkt uit het raadsvoorstel van mei 2007. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft een nadere concretisering plaatsgevonden van de maat voor de verdiepingshoogte van de begane grond voor het projectgebied de Rode Wielingen van circa vier meter naar 3,5 tot vier meter. De rechtbank acht de door verweerder gevolgde werkwijze niet onaanvaardbaar, nu de raad als beleidsvaststellend orgaan met dit algemene kader accoord is gegaan.

Verder stelt de rechtbank vast dat de bouwtekening, horende bij het bouwplan van vergunninghouder, niet in strijd is met de maatvoering zoals deze door verweerder is beoogd. Ter zitting heeft vergunninghouder desgevraagd verklaard dat de aangehouden maatvoering niet tot gevolg heeft gehad dat een extra bouwlaag is aangelegd. In verband met de naleving van de brandveiligheidsvoorschriften moest een hoogte van 3.50 meter worden aangehouden, aldus vergunninghouder.

15. Ten aanzien van de parkeermogelijkheden heeft verweerder erop gewezen dat het beeldkwaliteitsplan tot uitgangspunt neemt het benutten van de mogelijkheden op eigen terrein door de bouw van ondergrondse parkeergarages en/of het parkeren op de achterzijde van het perceel. Ter zitting heeft de vergunninghouder verklaard dat hij het perceel [EC.217] in het voorjaar 2008 heeft aangekocht en dat de akte van levering van dit perceel in september 2008 is gepasseerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee genoegzaam aangetoond dat ten tijde van de bestreden besluiten ook het perceel [EC.217](EC 217) behoorde tot het bouwperceel en dat voldaan is aan het benutten van de mogelijkheden op eigen terrein.

De actuele situatie acht de rechtbank hiervoor bepalend. Zij voegt hieraan toe dat uit het beeldkwaliteitsplan niet volgt, anders dan eiser [naam 1] heeft gesteld, dat het parkeren uitsluitend achter het bouwperceel dient plaats te vinden.

16. Eisers hebben gesteld dat ten onrechte is nagelaten om een distributie-planologisch onderzoek (dpo) in te stellen. Zij stellen daartoe dat het laatste dpo 26 jaar oud is en dat, mede gelet op het Ontwikkelingplan, ieder bouwplan in een groter verband beoordeeld zal moeten worden.

17. Volgens vaste rechtspraak van de ABRS vormen concurrentieverhoudingen bij een planologische belangenafweging geen in aanmerking te nemen belang, tenzij sprake is van duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in een bepaalde sector, is niet van doorslaggevende betekenis of er sprake is van overaanbod en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen. Van belang is of voor de inwoners van de gemeente een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen.

18. Tussen partijen is niet in geding dat de totale oppervlakte van het winkelaanbod in Cadzand 1998 m2 bedraagt en dat de uitvoering van het bouwplan 151 m2 vloeroppervlak aan dit aanbod zal toevoegen. Voorts staat vast dat de vergunninghouder bij ingebruikneming van de in het bouwplan voorziene winkelruimte elders in Cadzand 80m2 winkelruimte zal achterlaten.

19. De rechtbank is van oordeel dat eisers, gelet op de getalsverhouding tussen bestaande winkelruimte en de toe te voegen winkelruimte, niet aannemelijk hebben gemaakt dat door de uitvoering van het bouwplan sprake zal zijn van een duurzame ontwrichting in bovenbedoelde zin van het winkelaanbod in Cadzand. De door eisers gestelde ontwikkelingen, zoals het realiseren van nieuwe toeristische voorzieningen, wijziging van de detailshandelsbehoefte en de verschillende aanspraken van ondernemers op winkelruimte, geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Eisers hebben niet met concrete gegevens duidelijk gemaakt in welke branches sprake zal zijn van overaanbod met gevolgen voor een rendabele exploitatie van de bestaande winkelpanden en dat reeds hierom zou moeten worden gesproken van een duurzame ontwrichting van het winkelaanbod. De noodzaak van een dpo acht de rechtbank dan ook niet aangetoond.

20. Met betrekking tot de stelling van eisers dat verweerder een bestemmingsplan had moeten ontwikkelen, zodat een integrale aanpak van de herstructurering van Cadzand-Bad gewaarborgd zou zijn geweest, overweegt de rechtbank dat verweerder de bevoegdheid heeft om tot verlening van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan over te gaan indien aan de voorwaarden van artikel 19, tweede lid, van de WRO is voldaan.

21. Eisers hebben nog aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid in de Duindoornstraat met de aanleg van de parkeervoorzieningen en het laden en lossen ten behoeve van de winkelruimte.

22. Te dien aanzien heeft verweerder gesteld dat de toename van het aantal verkeersbewegingen door de bouw van het appartementencomplex, uitgaande van vier verkeersbewegingen per appartement, minimaal zal zijn. Het laden en lossen zal door middel van het stellen van een voorwaarde geschieden op het eigen terrein.

Hetgeen eisers in dit opzicht naar voren hebben gebracht, acht de rechtbank niet voldoende onderbouwd en evenmin aannemelijk gemaakt.

23. De rechtbank is voorts van oordeel dat eisers aannemelijk hebben gemaakt dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door voor hun plannen geen vrijstellingsprocedure te volgen. De rechtbank stelt in dit verband vast dat geen der eisers tot een concrete aanvraag voor een aanvraag voor een bouwplan is gekomen. Van een vergelijkbaar geval met dat van vergunninghouder is reeds daarom geen sprake.

24. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling voor het realiseren van het appartementencomplex met bijbehorende parkeervoorzieningen te verlenen.

25. De rechtbank stelt verder vast dat voldoende aannemelijk is geworden dat de beoogde tien parkeerplaatsen op het perceel [EC.217] bij het te bouwen appartementencomplex horen en hieraan verbonden zullen blijven. Ter zitting is vast komen te staan dat vergunninghouder over een onherroepelijk geworden sloopvergunning beschikt voor de sloop van de aanbouw aan de woning [EC.217]. Met de sloop van die aanbouw zal de toegang tot de aldaar voorgenomen parkeergelegenheid gerealiseerd kunnen worden. Voorts is niet aannemelijk geworden dat voor de aanleg van de parkeergelegenheid een bouwvergunning vereist zal zijn. Verweerder heeft vast gesteld dat met 13 parkeerplaatsen, waarvan tien op het perceel [EC.217](EC 217), aan de parkeernorm voldaan zal worden. Eisers hebben dit laatste niet bestreden.

26. De rechtbank komt tot de conclusie dat met de verlening van de vrijstelling en met het voldoen aan de parkeereisen als bedoeld in artikel 2.5.30 van de bouwverordening, en nu van andere weigeringgronden niet is gebleken, voldaan is aan de vereisten van artikel 44 van de Woningwet waaronder een bouwvergunning moet worden verleend. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat van een gefaseerd verleende bouwvergunning, zoals eisers hebben gesteld, niet is gebleken.

27. De beroepen van eisers dienen ongegrond te worden verklaard.

28 . Er is aanleiding voor het uitspreken van een kostenveroordeling als hieronder vermeld.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep van eisers sub 2 gegrond voor zover het betreft de niet-ontvankelijkverklaring van [naam 2] en [naam 4] ;

vernietigt het bestreden besluit van 25 mei 2009 in zoverre;

verklaart de bezwaren van [naam 2] en [naam 4] alsnog ongegrond;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

verklaart de beroep van eisers sub 2 voor het overige ongegrond;

verklaart de beroepen van eisers sub 1 en eiser sub 3 ongegrond;

bepaalt dat de gemeente Sluis aan eisers [naam 2] en [naam 4] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,- in de zaak 09/551 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers [naam 2] en [naam 4] begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Sluis aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente als voorzitter en mr. B.J. Duinhof en

mr. I. Dijkman als leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier en

op 20 mei 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: 20 mei 2010