Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BM3355

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
68083 / HA ZA 09-296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil

3.1. [eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht verklaart dat Achmea aansprakelijk is voor het [eiser 1] op 11 oktober 2006 overkomen ongeval; - voor recht verklaart dat Achmea is gehouden alle schade van [eiser 1] voor 100% te vergoeden, althans voor een zodanig percentage als de rechtbank in goede justitie rechtvaardig acht; - voor recht verklaard dat Achmea is gehouden om de door Menzis op grond van de polis betaalde kosten volledig te vergoeden, althans voor een zodanig percentage als de rechtbank in goede justitie rechtvaardig acht; - de proceskostenveroordeling op nihil stelt met bepaling dat Achmea de integrale kosten van rechtsbijstand dient te vergoeden, althans Achmea veroordeelt in de kosten van het geding, zowel in de hoofdzaak als in het incident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2011/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

2

68083 / HA ZA 09-296

3 maart 2010

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

68083 / HA ZA 09-29625 november 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 68083 / HA ZA 09-296

Vonnis van 3 maart 2010

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te Middelburg,

2. de rechtspersoon ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ MENZIS ZORGVERZEKERAAR U.A.,

gevestigd te Wageningen,

eisers,

advocaat mr. C.J. IJdema te Middelburg,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN NV,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. J. Schep te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eisers] en Achmea worden genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 19 augustus 2009

het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 12 november 2009;

het vonnis in incident van 25 november 2009.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

2.1 Op 11 oktober 2006 omstreeks 19.50 uur vond te [locatie verkeersongeval] een verkeersongeval plaats. Een daar rijdend taxibusje van Connexxion, bestuurd door [bestuurder taxibusje], remde af; de daarachter op een bromfiets rijdende [eiser 1] botste vervolgens achterop het busje.

2.2. Van het ongeval is door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ambtenaren van de politie Zeeland, proces-verbaal opgemaakt. Daarin zijn verklaringen opgenomen van [eiser 1] en [bestuurder taxibusje], en voorts van een aantal getuigen.

2.3. [eiser 1] heeft door het ongeval schade geleden. Hij heeft een hoge dwarslaesie opgelopen, waardoor hij voor de rest van zijn leven rolstoelafhankelijk zal zijn.

2.4. Menzis is de ziektekostenverzekeraar van [eiser 1]; zij heeft tot op heden de kosten van alle medische behandelingen van [eiser 1] betaald (tot april 2009 is aan declaraties € 146.143,82 vergoed) en zal dat ook blijven doen.

2.5. Achmea was ten tijde van het ongeval de WAM-verzekeraar van het taxibusje, dat door [bestuurder taxibusje] werd bestuurd.

2.6. [bestuurder taxibusje] is voor zijn betrokkenheid bij het ongeval strafrechterlijk vervolgd. Zowel van het hem primair tenlastegelegde veroorzaken van een (ernstig) verkeersongeval (art. 6 Wegenverkeerswet) als van het subsidiair tenlastegelegde veroorzaken van gevaar op de weg (art. 5 Wegenverkeerswet) is hij bij vonnis van 13 juni 2007 van deze rechtbank vrijgesproken

2.7. Op verzoek daartoe van Achmea (gericht tegen [eiser 1]) is door deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Aan de zijde van Achmea zijn op 15 oktober 2007 en op 13 maart 2008 getuigen gehoord. Op 26 juni 2008 zijn getuigen gehoord aan de zijde van [eiser 1].

Het geschil

3.1. [eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - voor recht verklaart dat Achmea aansprakelijk is voor het [eiser 1] op 11 oktober 2006 overkomen ongeval; - voor recht verklaart dat Achmea is gehouden alle schade van [eiser 1] voor 100% te vergoeden, althans voor een zodanig percentage als de rechtbank in goede justitie rechtvaardig acht; - voor recht verklaard dat Achmea is gehouden om de door Menzis op grond van de polis betaalde kosten volledig te vergoeden, althans voor een zodanig percentage als de rechtbank in goede justitie rechtvaardig acht; - de proceskostenveroordeling op nihil stelt met bepaling dat Achmea de integrale kosten van rechtsbijstand dient te vergoeden, althans Achmea veroordeelt in de kosten van het geding, zowel in de hoofdzaak als in het incident.

3.2. [eisers] stelt dat het [bestuurder taxibusje] voor het ontstaan van het ongeval aansprakelijk is. Er was voor hem geen (verkeers-)noodzaak om ter plaatse plotseling af te remmen. Er reed geen verkeer voor hem, dat afremde en dus ook [bestuurder taxibusje] noodzaakte te remmen. [eisers] verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar de verklaringen van de getuigen, afgelegd bij de politie en in het voorlopig getuigenverhoor. Niemand heeft verkeer voor het busje gezien. Alleen [bestuurder taxibusje] spreekt over auto’s voor hem, waarvoor hij moest afremmen. Zijn verklaringen zijn echter niet consistent en onjuist. Hij heeft desgevraagd geen gegevens van de auto’s voor hem kunnen geven (terwijl het nog licht was en hij de auto’s goed moet hebben gezien) en over de wijze van remmen verklaarde hij niet consistent.

[eisers] stelt dat [eiser 1] geen eigen schuld kan worden verweten. Hij reed niet te hard en niet te dicht op het busje. Maar ook als dat wel zo zou zijn geweest, is er tussen die verkeersfouten en het ongeval geen causaal verband. [eiser 1] werd overvallen door het plotselinge afremmen van het busje, waarop hij, gelet op de verkeerssituatie, niet bedacht behoefde te zijn.

Indien toch eigen schuld van [eiser 1] wordt aangenomen, stelt [eisers] dat [bestuurder taxibusje] met (voorwaardelijk) opzet heeft geremd, om “brommertje te pesten”. [eisers] verwijst voor aanwijzingen daarvoor naar de verklaringen, afgelegd bij de politie en in het voorlopig getuigenverhoor. Aldus is de schade met (voorwaardelijk) opzet toegebracht; een beroep op eigen schuld van [eiser 1] is dan uitgesloten. Los van het “brommertje pesten” stelt [eisers] dat [bestuurder taxibusje], die door de constructie van de bus weinig zicht had op wat echter hem reed, onvoldoende zorgvuldig heeft geremd. Ook op die grond moet worden gesproken van voorwaardelijk opzet.

Voorts stelt [eisers] dat dat [bestuurder taxibusje] – in het voorlopig getuigenverhoor verklaarde hij haast te hebben en op weg te zijn naar een adres aan de Zuidsingel – mogelijk afremde om, hoewel dat niet is toegestaan, ter plaatse rechtsaf de Noordweg in te gaan om zo, sneller dan over de toegestane route, op zijn bestemming te komen. Ook dan geldt dat [eiser 1] op het afremmen niet bedacht hoefde te zijn. Het is onder die omstandigheden niet redelijk om een beroep te doen op eigen schuld van [eiser 1]. In elk geval gaat dat beroep niet op omdat de ernst van het (eventueel) aan [eiser 1] te maken verwijt in het niet valt bij – althans veel minder groot is dan – de ernst van het [bestuurder taxibusje] te maken verwijt.

Als toch het beroep op eigen schuld wordt gehonoreerd, stelt [eisers] dat op grond van de billijkheidscorrectie de vergoedingsplicht van [bestuurder taxibusje] (en dus Achmea) volledig in stand blijft.

Achmea dient de door [eiser 1] geleden en nog te lijden schade voor 100% (althans voor een door de rechtbank te bepalen percentage) te vergoeden. Menzis heeft de kosten van medische behandeling van [eiser 1] voldaan en is ter zake in de rechten van [eiser 1] gesubrogeerd. Achmea dient ook die kosten, vermeerderd met rente, volledig te vergoeden.

Als de rechtbank vaststelt dat [bestuurder taxibusje] zonder verkeersnoodzaak heeft geremd, betekent dat dat deze procedure niet nodig was. [eisers] stellen voor dat geval dat in plaats van een veroordeling in de proceskosten Achmea de volledige kosten van rechtsbijstand van [eisers] dient te vergoeden. Subsidiair wordt een proceskostenveroordeling gevorderd.

3.3. Achmea voert verweer. Zij betwist dat [bestuurder taxibusje] bij nadering van de kruising met de Noordweg zonder verkeersnoodzaak heeft geremd. [bestuurder taxibusje] heeft consistent verklaard dat er verkeer voor hem reed dat afremde, waardoor ook hij genoodzaakt was (eerst zacht en daarna harder) af te remmen. Dat [bestuurder taxibusje] geen gegevens van de auto(‘s) voor hem kan geven, maakt zijn verklaring gelet op het tijdstip van het ongeval (het was donker) niet ongeloofwaardig. Het is aan [eisers] de stelling dat [bestuurder taxibusje] zonder verkeersnoodzaak heeft afgeremd, te bewijzen. Naast de verklaringen van [eiser 1] zelf (die een beperkte bewijskracht hebben) is er onvoldoende aanvullend bewijs. De verklaringen van de andere getuigen zijn als bewijs onvoldoende overtuigend. Met name hebben die getuigen gelet op de plek waar zij stonden niet kunnen waarnemen dat er geen ander verkeer was, en voorts zijn sommige van de verklaringen niet consistent en soms aantoonbaar onjuist en dus maar betrekkelijk geloofwaardig. Er was geen sprake van “brommertje pesten”. Zoals [bestuurder taxibusje] van meet af aan heeft verkaard, had hij niet gezien dat [eiser 1] op een brommer achter hem reed. Dat is zeer aannemelijk: [eiser 1] reed op korte afstand van het busje en door de aanwezigheid in het busje van een opgeklapte loopplank en hoge achterruiten was het zicht naar achteren voor [bestuurder taxibusje] beperkt. In de zijspiegels kon hij een dicht achter hem rijdende bromfiets niet zien. [bestuurder taxibusje] is verkeersrechtelijk van onbesproken gedrag.

[bestuurder taxibusje] was niet van plan ter plaatse rechtsaf te gaan. Hij was niet gehaast en daarnaast is de smalle Noordweg voor een busje als waarmee [bestuurder taxibusje] reed lastig te berijden.

Het is niet onzorgvuldig van [bestuurder taxibusje] geweest – ook niet gelet op de constructie van het busje – ter plaatse vaart te minderen. Er staan ook tekens op de weg die daartoe aansporen. De aanwezigheid van de kruising met de Noordweg – veel door fietsers bereden – maakt dat nodig. Bovendien dient binnen de bebouwde kom (en daar vond dit ongeval plaats) elke weggebruiker ermee rekening te houden dat andere weggebruikers vaart kunnen minderen en/of kunnen stoppen. Het op korte afstand volgend verkeer dient zijn snelheid zodanig aan te passen dat men in staat is zijn voertuig binnen de afstand die is te overzien en waarover de weg vrij is, tot stilstand te brengen. Dat heeft [eiser 1] niet gedaan.

Achmea stelt subsidiair dan ook dat het ongeval is veroorzaakt door omstandigheden die mede aan [eiser 1] moeten worden toegerekend. Hij reed te dicht op het busje (zelf zegt hij op 5 à 6 meter afstand) met een snelheid van 35 of 50 kilometer per uur. Dat is gevaarzettend. Voorts heeft hij niet voortdurend op het busje gelet, maar keek hij tot twee keer toe op zijn kilometerteller waardoor hij niet tijdig zag dat het busje afremde. Het ongeval is aldus geheel of grotendeels veroorzaakt door het verkeersgedrag van [eiser 1]. De billijkheidscorrectie kan onder deze omstandigheden niet leiden tot een grotere bijdrageplicht van [bestuurder taxibusje] dan 50% van de schade.

Ten aanzien van de vordering van Menzis stelt Achmea dat een regresnemer als Menzis maar in beperkte mate kan profiteren van een (billijkheids-)correctie op de verdeling van de schade op basis van de causale maatstaf. Bij de hantering van die causale maatstaf dient te worden geabstraheerd van subjectieve omstandigheden van het slachtoffer. De wettelijke rente is niet eerder verschuldigd dan vanaf de data waarop de diverse vergoedingen zijn betaald. Achmea verzet zich tegen verwijzing naar een schadestaatprocedure. Zij stelt dat de schade in de onderhavige procedure kan worden vastgesteld.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank zal, gelet op de stellingen over een weer, allereerst dienen vast te stellen of [bestuurder taxibusje] aansprakelijk is voor (de gevolgen voor [eiser 1] van) het ongeval, met ander woorden of [bestuurder taxibusje] jegens [eiser 1] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld. [eisers] stelt dat dat zo is: [bestuurder taxibusje] heeft, door zonder verkeersnoodzaak af te remmen een verkeersregel overtreden, althans heeft hij door plotseling af te remmen onzorgvuldig jegens [eiser 1] gehandeld. Achmea betwist deze feitelijke gang van zaken. Als aansprakelijkheid van [bestuurder taxibusje] (en dus zijn WAM-verzekeraar Achmea) wordt vastgesteld, dient te worden onderzocht of er omstandigheden zijn (geweest) aan de zijde van [eiser 1] die mede het ongeval (en de schade) hebben veroorzaakt en die [eiser 1] kunnen worden toegerekend (eigen schuld). Achmea stelt dat dat zo is: [eiser 1] reed te dicht op het door [bestuurder taxibusje] bestuurde busje en mogelijk ook met een te hoge snelheid. [eisers] betwisten dat.

4.2. [eisers] stelt een verkeersfout, althans onzorgvuldig handelen van [bestuurder taxibusje]; nu Achmea dit gemotiveerd betwist rust de bewijslast daarvan op [eisers].Op Achmea rust, gelet op de betwisting door [eisers], de bewijslast ten aanzien van de feiten die zij aan het beroep op eigen schuld ten grondslag legt.

4.3. Met inachtneming van genoemde bewijsposities van partijen zal de rechtbank de toedracht van het ongeval – en met name of de door partijen gestelde gedragingen hebben plaatsgevonden – dienen vast te stellen. Dat zal zij doen aan de hand van de door partijen overgelegde stukken (het volledige politieproces-verbaal, de processen-verbaal van het voorlopige getuigenverhoor, het onder 2.6 genoemde strafvonnis, de door enkele getuigen schriftelijk op verzoek van DAS rechtsbijstand – toen optredend voor [eiser 1] – afgelegde verklaringen, door partijen overgelegde foto’s). Partijen hebben aangegeven dat met die stukken al het bewijs omtrent de toedracht van het ongeval aan de rechtbank is overgelegd; aanvullend bewijs is niet aangeboden.

4.4.1. De eerste, beknopte omschrijving van het ongeval in het politieproces-verbaal, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie Zeeland, luidt als volgt:

“([eiser 1]) reed over Pres. Rooseveltlaan, komende uit de richting Sandberglaan en gaande richting Gen. Hakewill Smithlaan. Voor hem in dezelfde richting reed ([bestuurder taxibusje]). Mogelijk door de noodzaak van het verkeer geboden remde ([bestuurder taxibusje]). [eiser 1] keek op dat moment op snelheidsmeter en zag niet dat ([bestuurder taxibusje]) afremde en botste tegen achterzijde ([bestuurder taxibusje]). Op dat moment was ([eiser 1]) niet in staat zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Hierdoor ontstond tussen beiden een aanrijding met (…) schade en letsel (art.19 RVV 1990)”

4.4.2. [eiser 1] zelf heeft over de toedracht van het ongeval, voor zover hier van belang, verklaard:

- tegenover de politie, op 11 oktober 2006 (direct na het ongeval):

“Ik reed zojuist op een bromfiets over de Pres. Rooseveltlaan. (…) Ik reed niet hard. Ik keek, vlak voordat het ongeluk gebeurde, op de teller en ik reed 35 km/u. Toen ik weer opkeek zat ik vlak bij het busje en botste daar tegen de achterzijde.”

- tegenover de politie, op 7 november 2006:

“Gekomen op de President Rooseveltlaan, gaande in de richting van de Noordweg, reed ik nog op het bromfietspad. Ter hoogte van het zijstraatje, waar drie huizen aan staan, wordt het bromfietspad een fietspad dus moet ik de weg op. Toen ik op dat punt kwam ben ik gestopt. En keek opzij of de weg vrij was. Ik zag dat er een taxibus aan kwam rijden en die heb ik voor laten gaan. Ik zag dat er voor de taxibus geen auto of ander verkeer reed en ook achter de taxibus reed geen verkeer. Ik liet de taxibus dus voorgaan en ben vervolgens achter de taxibus de weg opgereden. (…) Volgens mij liep ik iets in op de taxibus en voor de kruising met de Noordweg keek ik op mijn kilometerteller om te kijken hoe hard ik reed. Ik weet niet mee hoe hard ik toen reed. Vervolgens keek ik weer voor mij uit en zag ik de taxibus voor mij rijden. Ik denk dat er tussen de taxibus en mij toen 5 a 6 meter ruimte zat. Vervolgens keek ik weer op de kilometerteller en zag ik dat ik 35 km per uur reed. Toen zag ik vanuit mijn ooghoeken een rode gloed. Ik keek op en zag de remlichten van de taxibus oplichten en ik zag dat de taxibus bijna stil stond. Ik heb nog mijn remmen aangeraakt om te remmen maar kon niet meer remmen omdat ik toen al tegen de taxibus aanbotste.”

- tegenover de politie, op 29 april 2007:

“Op de tekening/plattegrond die u mij toont is (…) aangegeven waar ik vanaf het fietspad de rijbaan van de President Rooseveltlaan ben opgereden en het busje ben gevolgd tot aan de plaats van het ongeval. U zegt mij dat deze afstand bijna 400 m bedraagt. Voordat ik (…) de rijbaan op reed, ben ik gestopt om het busje vóór te laten gaan. Toen het busje (…) was gepasseerd, ben ik opgetrokken en achter het busje aan gaan rijden. In het begin, ik schat de eerste 150 a 200 m, van de route was de afstand tussen mij en het busje behoorlijk groot. Ik schat dat dit wel 50 m was. Hierna begon ik in te lopen op het busje omdat die langzamer ging rijden. (…) Op ongeveer 100 m voor de kruising met de Noordweg was onze snelheid ongeveer gelijk want de onderlinge afstand werd niet groter of kleiner. (…) Gedurende de tijd en afstand dat ik achter het busje aangereden ben zijn er geen andere auto’s de rijbaan opgereden. Ik heb dat in ieder geval niet gezien en er zijn ook geen zijwegen op dat stuk weg. Ook ben ik op dat stuk niet ingehaald door andere auto’s of hebben andere auto’s het busje gepasseerd.”

- in het voorlopig getuigenverhoor, aan eigen zijde gehoord op 26 juni 2008:

Inhoudelijk is de verklaring gelijk aan de op 7 november 2006 tegenover de politie afgelegde verklaring; voorts verklaarde [eiser 1]:

“Ik kan mij niet herinneren dat ik ook remgeluiden van het busje heb gehoord. Ik had op dat moment een helm op en hoorde daardoor misschien minder. (…) Er is op die weg tussen de plaats waarop ik de rijbaan op ben gereden en achter het taxibusje aan en de plaats waar het ongeval plaatsvond geen mogelijkheid voor verkeer om die weg op te rijden.”

4.4.3. [bestuurder taxibusje] heeft, voor zover hier van belang, over het ongeval verklaard:

- tegenover de politie, op 11 oktober 2006 (direct na het ongeval):

“Ik naderde een kruising waarvan ik de naam niet weet. Als u zegt dat dit de kruising met de Noordweg is, neem ik dat van u aan. Toen ik de kruising naderde moest ik remmen voor het verkeer wat voor mij reed. Ik zag namelijk dat de auto voor mij remde. Ik weet niet waarom die auto voor mij remde. Ik hoefde niet hard te remmen, ik moest een trapje op mijn rem geven en daarna weer loslaten. Vervolgens hoorde ik een klap en begreep dat er iets achterop mijn taxi was gereden. Ik wist niet wat het was, want ik had niets achter mij gezien.” “U zegt mij dat getuigen gemeld hebben aan u dat zij geen auto’s voor de taxibus hebben zien rijden. Ik blijf bij mijn eerder afgelegde verklaring. De auto voor mij remde en daardoor moest ik ook remmen. Ten gevolge hiervan is de aanrijding ontstaan.”

tegenover de politie, op 20 oktober 2006:

“Ik ben (…) rechtdoor gereden de Pres. Rooseveltlaan op. (…) Op de Pres. Rooseveltlaan reden er 3 auto’s voor mij. Ik weet daar de kleur niet meer van. (…) Ik had toen een afstand van de auto voor mij van ongeveer 5 m. Bij nadering van de kruising met de Noordweg remde de auto voor mij. Ik weet niet waarom. Ik zag alleen de remlichten. Ik remde ook af maar kwam toch dichter bij die auto die voor mij reed en moest nog harder remmen. Toen ik bijna stilstond hoorde ik een klap (….). Ik had voor die tijd die bromfietser achter mij helemaal niet gezien. Ik wist niet waar die vandaan kwam. (…) Ik ben niet afgeremd om rechtsaf te slaan met de bedoeling de Noordweg in te rijden, want dat mag niet. (…) Van de 3 auto’s die voor mij reden heb ik alleen de auto voor mij zien remmen. Van de auto’s die daarvoor reden heb ik geen remlichten gezien. Ik weet ook niet welke kleur die auto voor mij had.”

- in het voorlopig getuigenverhoor, aan de zijde van Achmea gehoord op 15 oktober 2007:

“Ik blijf bij mijn verklaringen zoals ik die bij de politie heb afgelegd. (…) Bij de kruising naar de President Rooseveltlaan stonden 2 à 3 auto’s bij het stoplicht. Die auto’s staken over en ik reed er achter aan de President Rooseveltlaan op. Bij de kruising met de Noordweg remde de auto die voor mij reed. Ik moest daarom ook remmen. Ik kwam steeds dichter bij de auto voor mij en remde nog een keer. Daarna hoorde ik ineens een klap. (…) Ik heb niet gezien wat voor kleur of kenteken (…) de auto, die voor mij reed, had. Ik heb ook de brommer niet gezien toen hij achter mij aanreed of voor die tijd. Ik heb wel in mijn spiegels gekeken toen ik remde. Dat doe ik altijd. (…) Door de rijplank achter in de bus kan je niet zien wat achter in het midden van de bus rijdt, alleen wat zich links of rechts daarvan achter de bus bevindt. (…) ik heb (…) geleidelijk geremd. De tweede keer wel redelijk hard maar niet echt heel hard. Ik remde in ieder geval niet echt plotseling. (…) Ik weet niet waarom de automobilist voor mij ging remmen.”

- in het voorlopig getuigenverhoor, aan de zijde van [eiser 1] gehoord op 26 juni 2008:

“Ik heb niet verklaard dat ik haast had om (een mevrouw uit Middelburg) te halen. (…) Ik was ook zeker niet van plan om bij die kruising (met de Noordweg, rb) links of rechts af te slaan, omdat ik weet dat dat niet mag. (…) Volgens mij heeft niemand het ongeval zien gebeuren. Pas na 5 of 10 minuten na de aanrijding zijn er andere mensen bijgekomen. (…) De auto die voor mij reed en remde is daarna direct doorgereden. Daarom heeft niemand die auto ook kunnen zien.”

4.4.4. Er zijn voorts door de politie en in het voorlopig getuigenverhoor enkele personen gehoord, die toen de aanrijding plaatsvond in de buurt waren:

a) [getuige 1] (vriendin van de hierna te noemen [getuige 2]) heeft verklaard:

- tegenover de politie, op 11 oktober 2006 (direct na het ongeval):

“Ik reed samen met mijn vriend in de auto over de President Rooseveltlaan (…) in de richting van de Sandberglaan. Ter hoogte van de kruising met de Noordweg hoorde mijn vriend wat rammelen aan de auto. We stopten bij de bushalte (…). Ik bleef in de auto zitten. Mijn vriend was uitgestapt. Toen mijn vriend buiten stond, hoorde ik een klap. Ik keek achterom (…) en zag een brommer met een bestuurder op de grond liggen. (…) Verder zag ik een taxibus staan. (…) Ik heb geen auto’s voor de taxibus zien verder rijden nadat de aanrijding gebeur(d) was. De aanrijding zelf heb ik niet zien gebeuren.”

- schriftelijk, ten behoeve van DAS rechtsbijstand, op 11 januari 2007:

“Ik heb het ongeluk niet zien gebeuren. (…) Naar mijn mening heeft de bus zonder reden geremd ( hij zei dat hij voor een andere auto moest remmen, maar ik heb geen andere auto gezien). (Op de vraag naar de mogelijke oorzaak van de aanrijding, rb:) Te weinig afstand tussen de bus en de scooter. En het plotseling (naar mijn mening onnodig) remmen van de conexxiobus. (…) De connexxionbus heeft naar mijn mening zonder verkeersnoodzaak geremd. Ik heb in mijn herinnering geen andere auto’s gezien. Ik ben wel meteen uit de auto gegaan toen het gebeurde en toen was er geen andere auto meer te zien. (…) Ik denk dat de connexxionbus bestuurder expres heeft geremd (in verband met weinig afstand houden.)”

- in het voorlopig getuigenverhoor, aan de zijde van Achmea gehoord op 15 oktober 2007:

“Ik blijf bij de verklaring die ik op 11 oktober 2006 tegenover de politie heb afgelegd (…). In aanvulling daarop verklaar ik dat ik voorafgaand aan de knal eerst nog piepende banden heb gehoord. Het was het geluid van een remmend voertuig. (…) ik kan niet zeggen of dit remmende geluid van de brommer of van het taxibusje kwam. (…) Ik heb tegenover de politie verklaard dat ik voor de taxibus geen auto’s heb zien rijden omdat het mij naar aanleiding van de verklaring van de bestuurder van de taxibus was gevraagd. Ik heb toen teruggedacht en kon mij niet herinneren dat voor de taxibus auto’s heb zien rijden. Nadat ik de knal had gehoord heb ik eerst achterom gekeken vanuit de auto. Daarna ben ik uitgestapt.”

b) [getuige 2] (vriend van de hiervoor genoemde [getuige 1]) heeft verklaard:

- tegenover de politie, op 11 oktober 2006 (direct na het ongeval):

“(…) ik (had) mijn auto stilgezet bij de bushalte (…) op de President Rooseveltlaan (…) gelegen juist na de kruising met de Noordweg, gezien vanuit de richting Gen. Hakewill Smithlaan. Ik had onder mijn auto gekeken en stond net weer naast mijn auto toen ik, toevallig, in de richting van de Noordweg reed. Ik zag toen nog net hoe een bromfietser tegen de achterzijde van een Connexionbusje botste. Ik zag dat op het moment dat de bromfietser er tegenaan botste het busje nagenoeg stilstond en de bromfietser er vol achterop reed. (…) (H)et ongeluk gebeurde op een afstand van ongeveer 15 a 20 m van mij vandaan. Ik heb voorafgaand aan de botsing geen remgeluiden of piepende banden gehoord. Ook kan ik mij niet herinneren dat ik het busje (o)f de bromfietser heb zien remmen. (…) Ik schat de snelheid van de bromfiets toch wel behoorlijk hard, op zo’n 50 km/u. Ik heb er niet op gelet of er vóór het busje nog andere auto’s reden. Ik heb daar in het geheel niet op gelet.”

- schriftelijk, ten behoeve van DAS rechtsbijstand, op 10 januari 2007:

“(ik heb waargenomen) alleen het moment dat de brommer daadwerkelijk op de bus knalde maar denk dat ze ongeveer 60km/u reden en dat de brommer onvoldoende afstand hield. (Op een vraag naar de mogelijke oorzaak van de aanrijding, rb:) te hard rijden van de brommer, te weinig afstand houden van de brommer, plots remmen van de bestelbus (…) ik heb in ieder geval geen andere auto’s in de buurt gezien maar ik heb er dan ook niet op gelet.”

- in het voorlopig getuigenverhoor, aan de zijde van Achmea gehoord op 15 oktober 2007:

“(…) ik (heb) de auto bij de bushalte op de President Rooseveltlaan stilgezet en ben naar mijn uitlaat gaan kijken. Net toen ik weer in wilde stappen keek ik om. (…) Op het moment dat ik omkeek zag ik precies het ongeval gebeuren. Ik hoorde en zag dat zowel de taxibus als de brommer vol in de remmen gingen en dat de brommer achter op de taxibus knalde. (…) Ik hoorde dat er flink geremd werd aan de piepende banden. (…) Ik heb niet gezien of er voor de taxibus andere auto’s reden, maar ik heb er ook niet op gelet. (…) Het klopt dat het busje bijna stilstond op het moment dat ik keek. De brommer reed er tegenaan omdat hij niet op tijd kon remmen. (…) Ik weet niet waarom in het proces-verbaal van de politie staat dat ik geen piepende remmen heb gehoord. Ik heb die wel degelijk gehoord en weet ook zeker dat ik de voertuigen heb zien remmen.”

c) [getuige 3], die zich enkele dagen na de aanrijding bij de politie heeft gemeld, heeft verklaard:

- tegenover de politie, op 18 oktober 2006:

“Ik heb de aanrijding zelf niet zien gebeuren maar kan u wel het volgende verklaren. Ik las (…) in de PZC dat de chauffeur van de taxibus had verklaard dat hij moest remmen voor verkeer dat voor hem reed. Dat klopt niet. Op 11 oktober 2006 (...) reed ik op mijn fiets op het fietspad van de President Rooseveltlaan (…) gezien vanuit de rijrichting Sandberglaan net voorbij de Noordweg. Toen ik daar reed hoorde ik een klap. (…) Ik keek om en zag een taxibus. Ik weet niet meer zeker of deze taxibus stil stond of dat deze nog reed. Ook hoorde ik het geluid van een vallende brommer. (…) Ik kan met honderd procent zekerheid zeggen dat ik geen auto heb zien rijden voor de taxibus op de President Rooseveltlaan (…).”

- in het voorlopig getuigenverhoor, aan de zijde van Achmea gehoord op 15 oktober 2007:

“Op 11 oktober 2006 reed ik (…) op het fietspad op de President Rooseveltlaan (…). Ik bevond mij net voorbij de bushalte en het zebrapad toen ik opeens een klap hoorde. (…) Na de klap keek ik vrijwel direct om en zag schuin achter mij een busje stilstaan. Ik zag op dat moment dat de weg voor mij, naast en achter mij vrij was en er dus geen verkeer reed. Ik bevond mij op dat moment hooguit 5 meter voorbij het busje en had goed zicht over de gehele zich daarvoor bevindende rijbaan. Op het moment dat ik om keek had ik een brede blik over de gehele weg en zodoende kon ik zien dat zich daar niets bevond. (…) Ik kan mij (…) geen remgeluiden herinneren van één van beide voertuigen of van beide. (…) Toen ik op het fietspad reed voordat het ongeval gebeurde, heb ik er niet op gelet of er auto’s naast mij over de rijbaan passeerden. (…) Ik bestrijd dat ik onvoldoende zicht heb gehad op het weggedeelte dat voor de taxibus lag. Ik heb juist een heel goed zicht gehad en kon de gehele weg overzien tot bijna aan de afslag naar rechts. Mijn zicht werd niet belemmerd door begroeiing. Er is wel begroeiing tussen het fietspad en de rijbaan maar waar ik stond was dat niet zo. Ik had daardoor en door het feit dat de weg naar links afbuigt juist perfect zicht.”

d) [getuige 4] heeft verklaard:

- tegenover de politie, op 4 december 2006:

“(Ik) reed (…) op mijn fiets over de Noordweg te Middelburg (…). Toen ik bij de kruising met de Pres. Rooseveltlaan kwam, zag ik dat er een ongeluk was gebeurd. (…) Het ongeluk zelf heb ik niet zien gebeuren en ook kan ik niets van de toedracht zeggen.”

- in het voorlopig getuigenverhoor, aan de zijde van [eiser 1] gehoord op 26 juni 2008:

“Ik had (het) ongeval zelf niet zien gebeuren en had ook geen geluiden daarvan gehoord of in elk geval is mij dat niet opgevallen.”

4.4.5 Van het door de politie verrichte onderzoek hebben verbalisanten in het proces-verbaal nog het navolgende vermeld (voor zover hier van belang):

- op de kruising President Rooseveltlaan/Noordweg is het niet toegestaan vanaf de President Rooseveltlaan af te slaan de Noordweg op; dit is voor beide rijrichtingen met borden aangegeven;

- op de weg zijn van geen van beide voertuigen rem- of andere sporen gevonden.

De verbalisanten zijn op 13 maart 2008 in het voorlopig getuigenverhoor aan de zijde van Achmea gehoord. Voor zover van belang hebben zij als volgt verklaard:

verbalisant [verbalisant 1]:

“(over de verklaring van [getuige 2] op 11 oktober 2006, rb) Als daar in staat dat de getuige voorafgaand aan de botsing geen remgeluiden of piepende banden heeft gehoord dan heeft hij dat ook daadwerkelijk gezegd en is hij daar in ieder geval specifiek naar gevraagd. (…) Ik weet zeker dat ik [getuige 2] gevraagd heb of hij gezien of gehoord had dat het taxibusje remde en dat hij verklaard heeft zoals in het proces-verbaal van verhoor is opgenomen. (…) Ik denk dat ik heb gezegd dat Onne ([eiser 1], rb) had gezegd dat hij 35 km reed. [getuige 2] zei iets van nou nee toch wel zo’n 50 km per uur. (…) Hij heeft wel gezegd dat het maar een schatting van hem was.”

- verbalisant [verbalisant 2]:

“(over de verklaring van [getuige 1] op 11 oktober 2006, rb) Ik kan mij herinneren dat ik specifiek gevraagd heb of zij iets voor het taxibusje heeft gezien. Wat daarover in de verklaring staat is n.a.v. mijn vraag. Ik kan mij niet herinneren dat ik haar gevraagd heb of zij heeft horen of zien remmen. Als zij daar iets over gezegd had dan had ik dat in haar verklaring opgenomen.(…) (er was) een getuige die zich bij ons heeft gemeld na een berichtje in de krant. Volgens mij werden daarin getuigen van het ongeval opgeroepen zich te melden. Ik heb die getuige dhr [getuige 3] gehoord. Hij verklaarde eigenlijk hetzelfde als mw. [getuige 1] namelijk dat hij geen andere auto had gezien voor de taxibus. Hij stond op een nog beter punt dan mw [getuige 1].”

4.5. Uit bovenstaande blijkt dat alleen [bestuurder taxibusje] zelf over een (verkeers-)noodzaak om te remmen heeft verklaard: er remde voor hem een auto. Hij is daarin consistent. Tegenover zijn verklaringen staan diverse verklaringen van getuigen die de door [bestuurder taxibusje] gestelde auto(’s) voor hem niet hebben gezien. [eiser 1] zelf heeft consistent verklaard dat hij, toen hij zo’n 400 meter voor de plaats van het ongeval de taxibus van [bestuurder taxibusje] liet voorgaan, geen verkeer voor dat busje heeft gezien en ook geen verkeer het busje heeft zien passeren. Weliswaar zijn er – zoals door Achmea gesteld – vlak voor de kruising waar de aanrijding plaatsvond nog twee opritten (zodat de mogelijkheid bestaat dat daar nog auto’s voor [bestuurder taxibusje] op de weg zijn gekomen), maar het gaat daarbij om particuliere opritten, waarvan niemand, ook [bestuurder taxibusje] niet, heeft verklaard dat de betreffende auto(’s) daadwerkelijk van een van die opritten kwam(en). Nu Achmea ook geen nader onderzoek heeft gedaan of laten doen naar de vraag of van die opritten auto’s zijn gekomen die avond, gaat de rechtbank aan die mogelijkheid voorbij. Getuige [getuige 2] zegt geen andere auto’s te hebben gezien – hij relativeert dat wel door daarbij op te merken dat hij daar ook niet op heeft gelet. Zijn vriendin [getuige 1] (gezeten in de auto) verklaarde geen andere auto’s te hebben gezien. Ook getuige [getuige 3] – die zich zelf heeft gemeld omdat hij meende dat over de toedracht van het ongeval onjuist werd gepubliceerd – verklaarde dat er geen andere auto’s waren; hij zegt dat voor 100% zeker te weten. Verbalisant [verbalisant 2] heeft in het voorlopig getuigenverhoor aangegeven dat [getuige 3] vanaf de plaats waar hij verklaarde te hebben gestaan toen hij die waarneming deed, voor die waarneming op een goed punt stond. En dat gold in de visie van [verbalisant 2] ook voor de getuige [getuige 1]. Al deze verklaringen overziende komt de rechtbank tot het oordeel dat voldoende vast staat dat de door [bestuurder taxibusje] genoemde reden om te remmen – (een) afremmende auto(‘s) voor hem – er niet was. Ook al hebben sommige getuigen eerst naar het ongeval gekeken en pas daarna om zich heen, als er daadwerkelijk (een) afremmende auto(‘s) was/waren geweest, dan hadden zij die – nu die door het afremmen niet hard zal/zullen hebben gereden en dus nog enige tijd op de op zich blijkens de overgelegde foto’s over enkele honderden meters goed overzichtelijke President Rooseveltlaan – kunnen zien. Nu alle getuigen (behalve [bestuurder taxibusje]) die auto(‘s) niet hebben gezien, kan de conclusie slechts zijn dat die auto(’s) er niet was/waren. Daarmee heeft [bestuurder taxibusje] een verkeersfout gemaakt – immers onnodig gevaarzettend gehandeld. Voor zover die fout heeft geleid tot het ongeval – en dus vast staat dat [bestuurder taxibusje] met zijn handelen te weinig rekening heeft gehouden met achter hem rijdende, door hem gelet op de constructie van de bus mogelijk niet zichtbare medeweggebruikers – moet dat als onrechtmatig jegens [eiser 1] worden beschouwd.

Dit verkeersgedrag is [bestuurder taxibusje] toe te rekenen. Dat [bestuurder taxibusje] met (voorwaardelijk) opzet zou hebben gehandeld – omdat hij een verboden zijstraat in wilde rijden, of omdat hij “brommertje wilde persten” blijkt niet uit het hierboven weergegeven bewijsmateriaal. Voor zover het gaat om de reden waarom [bestuurder taxibusje] heeft gehandeld als hij heeft gedaan verklaarde hij zelf steeds dat hij remde voor auto’s voor hem, terwijl de andere getuigen, voor zover zij verklaren over een mogelijke andere reden van het remmen, daarover slechts gissen. Aan het gestelde (voorwaardelijke) opzet gaat de rechtbank voorbij.

4.6. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of (ook) sprake is geweest van omstandigheden aan de zijde van [eiser 1], die het ongeval (en dus de schade) hebben veroorzaakt. Achmea stelt dat [eiser 1] te dicht op de bus en te hard reed en niet steeds op het busje voor hem heeft gelet. Uit het hiervoor weergegeven bewijsmateriaal blijkt dat [eiser 1] in elk geval 35 km/u reed (zoals hij zelf heeft verklaard), en mogelijk harder ([getuige 2] verklaarde dat de snelheid 50 km/u was; dat was, zo blijkt uit zijn verklaring en uit die van verbalisant [verbalisant 1]) een schatting). Voorts staat vast dat [eiser 1] dicht op het busje reed (zelf spreekt hij van 5 à 6 meter) en dat hij niet steeds op het busje lette (hij heeft tot twee keer toe op de kilometerteller gekeken). Dat het busje heel abrupt heeft geremd, staat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast. [bestuurder taxibusje] zelf heeft steeds verklaard dat hij geleidelijk remde. [eiser 1] heeft verklaard dat hij, 5 à 6 meter achter het busje rijdend, opkijkend van zijn kilometerteller de remlichten zag opgloeien, maar geen remgeluiden heeft gehoord. De getuigen [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2] en [getuige 4] (die allen op het moment van de aanrijding in de buurt waren) verklaarden direct (of kort) na het ongeval geen remgeluiden te hebben gehoord. [getuige 2] en [getuige 1] hebben later verklaard het geluid van piepende banden te hebben gehoord. Verbalisant [verbalisant 1] heeft echter verklaard dat [getuige 2] daadwerkelijk, daarnaar gevraagd, heeft verklaard geen piepende banden te hebben gehoord. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat als [getuige 1] direct over piepende remmen had verklaard, dat in de weergave van haar verklaring zou zijn opgenomen geweest. Nu de verklaringen over piepende remmen pas in een later stadium zijn afgelegd en niet overeenkomen met hetgeen direct na het ongeval is verklaard, terwijl voorts de twee getuigen die daarover spreken een vriendenstel zijn (en mogelijk elkaars verklaringen hebben beïnvloed) acht de rechtbank die verklaringen niet doorslaggevend. Voor het overige is consistent verklaard dat er geen remgeluiden waren; abrupt remmen is dus niet bewezen. Aldus staat naar het oordeel van rechtbank vast dat [eiser 1] zo dicht op het busje reed en met zodanige snelheid (en voorts niet steeds op dat busje lette), dat hij niet in staat was toen dat busje afremde ook zelf tijdig zodanig af te remmen dat hij niet tegen het busje aanreed. Daarmee heeft hij een verkeersregel (art. 19 RVV 1990, dat bepaalt dat een bestuurder (dat wil zeggen: elke weggebruiker niet zijnde een voetganger) in staat moet zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarin hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is) overtreden. Dat gebeurde op een weg waarop, gelet op de tekens die daarop zijn aangebracht, te verwachten is dat weggebruikers in verband met een naderende kruising vaart zullen minderen en hij dus extra diende op te letten. Deze gedragingen zijn [eiser 1] toe te rekenen. Van een bromfietser van bijna 17 jaar mag worden verwacht dat hij weet aan welke verkeersregels hij zich moet houden en dat hij rekening houdt met andere weggebruikers en op hun mogelijke gedragingen anticipeert. Gesteld noch gebleken is dat [eiser 1] destijds niet kon worden gezien als een gemiddelde bromfietser van bijna 17 jaar.

4.7. De rechtbank is van oordeel, de gedragingen van [bestuurder taxibusje] en van [eiser 1] als oorzaken van de aanrijding tegen elkaar afwegend, dat het ongeval grotendeels is veroorzaakt door de gedragingen van [eiser 1]. Het onvoldoende afstand houden en niet goed letten op voorliggend verkeer heeft meer het gevaar dat een aanrijding zou plaatsvinden in het leven roept dan het afremmen terwijl daarvoor geen verkeersnoodzaak is. Bij deze afweging weegt mee dat een verkeersdeelnemer er steeds op bedacht moet zijn, dat verkeer vóór hem, ook zonder dat daarvoor een voor hem kenbare reden is, mogelijk afremt. Dat was voor [eiser 1] niet mogelijk, ook los van de reden waarom [bestuurder taxibusje] afremde. In die zin is de omstandigheid dat er voor het afremmen geen noodzaak was niet de reden waarom de aanrijding plaatsvond; het gaat om het feit dat [bestuurder taxibusje] afremde. Een en ander betekent echter niet dat degene die afremt niet hoeft op te letten of er verkeer achter hem is, maar hij mag er wel op rekenen dat eventueel verkeer achter hem zodanig afstand houdt dat als hij afremt, dat niet zonder meer tot een aanrijding zal leiden. Evenwel zal er voor dat afremmen wel een zekere noodzaak moeten zijn; achterop rijdend verkeer mag er ook weer op rekenen dat een voertuig niet op plaatsen waar daarvoor geen reden is, gaat afremmen. Dat die noodzaak er in dit geval was kan niet worden vastgesteld; de door [bestuurder taxibusje] gestelde noodzaak was er in ieder geval niet. Daarnaast zal het afremmen zorgvuldig dienen te gebeuren, dat wil zeggen dat met achteropkomend verkeer zoveel mogelijk rekening moet worden gehouden. In dat verband is van belang dat niet betwist is dat [eiser 1] voor [bestuurder taxibusje] bij het afremmen niet zichtbaar was. Een en ander tegen elkaar afwegend stelt de rechtbank vast dat de aanrijding voor 75% is veroorzaakt door de gedragingen van [eiser 1] en voor 25% door die van [bestuurder taxibusje]. In zoverre is het handelen van [bestuurder taxibusje] ook onrechtmatig jegens [eiser 1]. Dat betekent dat in beginsel de plicht de schade te vergoeden voor 25% bij [bestuurder taxibusje] – en dus bij zijn verzekeraar Achmea – ligt en dat de overige 75% voor rekening van [eiser 1] (en Menzis) dient te blijven.

4.8. Tenslotte moet worden bezien of op grond van de billijkheid een correctie dient te worden toegepast op de hiervoor onder 4.7 vastgestelde verdeling. De rechtbank is van oordeel dat daarvoor aanleiding is. Als bromfietser liep [eiser 1] een veel groter risico op aanzienlijke schade dan [bestuurder taxibusje] als bestuurder van een taxibusje. De daadwerkelijke schade is ook aanzienlijk en betreft [eiser 1] persoonlijk; hij zal voor de rest van zijn leven rolstoelafhankelijk zijn. Mede gelet op zijn nog jonge leeftijd ten tijde van het ongeval is hij daardoor zwaar getroffen. Onder die omstandigheden, en in aanmerking nemend dat zowel [bestuurder taxibusje] als [eiser 1] een verkeersfout heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat de billijkheid vordert dat de onder 4.7. vastgestelde schadeverdeling in de verhouding tussen [eiser 1] en [bestuurder taxibusje] wordt gecorrigeerd, en wel zo dat [eiser 1] en [bestuurder taxibusje] (en dus Achmea) ieder daarvan 50% dragen. Ten aanzien van de vordering van Menzis – een regresvordering – heeft te gelden dat de billijkheidscorrectie slechts tot een bijstelling van beperkte omvang van het resultaat van de causaliteitsafweging kan leiden. De hiervoor genoemde omstandigheden brengen de rechtbank niet tot die correctie.[eisers] zijn ook geen gronden aangevoerd waarom ook ten aanzien van deze vordering de billijkheid met zich brengt dat een correctie op de verdeling zoals die onder 4.7 is vastgesteld, dient te worden toegepast. Voor de vordering van Menzis geldt derhalve dat 75% van de schade voor rekening van Menzis dient te blijven en 25% vergoed dient te worden door [bestuurder taxibusje] (en dus Achmea).

4.9. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eisers] kunnen worden toegewezen, met dien verstande dat waar zij vorderen dat Achmea de schade voor 100% dient te vergoeden, de rechtbank zal vaststellen dat dit 50% zal zijn voor zover het gaat om schade, door [eiser 1] zelf geleden, en 25%, voor zover het gaat om de regresvordering van Menzis.

4.10. [eisers] vordert, voor het geval wordt vastgesteld dat [bestuurder taxibusje] zich van meet af aan ten onrechte op een verkeersnoodzaak om te remmen heeft beroepen (en dus een procedure niet nodig was), dat Achmea alle kosten van rechtsbijstand, door [eisers] gemaakt, dient te vergoeden. De rechtbank zal die vordering afwijzen. Indien zou komen vast te staan dat deze procedure niet nodig zou zijn geweest, rechtvaardigt dat niet zonder meer dat alle kosten van rechtsbijstand voor rekening van Achmea dienen te komen. Het kan dan hooguit gaan om de (werkelijke) kosten van de procedure. Op grond van het bovenstaande moet echter worden vastgesteld dat er meer vragen in deze procedure te beantwoorden waren dan alleen de vraag naar de noodzaak van het remmen door [bestuurder taxibusje]. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het [eisers] is die grotendeels in het gelijk wordt gesteld, aanleiding om Achmea in de kosten van de procedure te veroordelen. De kosten aan de zijde van [eisers] (waaronder die in het incident) worden begroot op:

- kosten dagvaarding € 85,98

- vast recht € 262,--

- salaris advocaat € 4.000,-- (2 x tarief VI, € 2.000,--)

Totaal € 4.347,98.

5. De beslissing

De rechtbank

- verklaart voor recht dat Achmea – met inachtneming van het onderstaande – aansprakelijk is voor het ongeval van 11 oktober 2006;

- verklaart voor recht dat Achmea is gehouden om de schade van [eiser 1] voor 50% te vergoeden;

- verklaart voor recht van Achmea is gehouden om de door Menzis op grond van de polis betaalde kosten voor 25% te vergoeden;

- veroordeelt Achmea in de kosten van deze procedure (en die in het incident), aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 4.347,98;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2010.