Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BM3350

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
66987
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil

Veldman vordert – samengevat –, na vermeerdering van eis, de tussen partijen op 2 februari 1999 gesloten overeenkomst te ontbinden, met veroordeling van [gedaagden], zowel hoofdelijk als gezamenlijk, tot betaling aan Veldman van € 106.733,33 ter zake van schadevergoeding, vermeerderd met rente en proceskosten waaronder die ter zake van de gelegde conservatoire beslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

2

66987 / HA ZA 09-156

24 februari 2010

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

66987 / HA ZA 09-15610 februari 2010

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 66987 / HA ZA 09-156

Vonnis van 24 februari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VELDMAN INTERMEDIAIR EN LEASING B.V.,

gevestigd te Den Helder,

eiseres,

advocaat mr. J.H. Prins te Den Helder,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Aagtekerke, gemeente Veere,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is],

gevestigd te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagden,

advocaat mr. M.O. Klaassen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Veldman en gedaagden gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden. Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde 1] genoemd worden en gedaagde sub 2 [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is].

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 17 juni 2009

het proces-verbaal van comparitie van 22 september 2009.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Veldman heeft op 2 februari 1999 een overeenkomst gesloten in de kop van welke overeenkomst [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] en/of [gedaagde 1] als huurder zijn vermeld. De overeenkomst is voor de huurder [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] ondertekend door [gedaagde 1] in de functie van directeur. Op grond van deze overeenkomst werden door Veldman textielgoederen, zoals opgesomd in de overeenkomst, in huur gegeven tegen de in de overeenkomst vermelde (ver)huurprijs. In de (ver)huurprijs zijn ingevolge de overeenkomst begrepen de aanschaf, het onderhoud, de reiniging, de verzekering, de vervanging en het transport van de in huur gegeven textielgoederen. De prijs werd ingevolge de overeenkomst berekend over de schoon afgeleverde goederen.

Ingevolge artikel 6 van de overeenkomst trad de deze op 2 februari 1999 in werking en werd aangegaan voor een periode van vijf jaar, derhalve tot 2 februari 2004.

Op de overeenkomst zijn de door Veldman gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing. Artikel 8 van de algemene voorwaarden luidt als volgt:

“Na afloop van de kontraktperiode, wordt de overeenkomst automatisch voortgezet voor een gelijke periode, tenzij de overeenkomst tenminste een jaar voor het verstrijken van de kontraktperiode per aangetekend schrijven wordt opgezegd.”.

In het najaar van 2008 heeft [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] haar onderneming verkocht aan de besloten venootschap Fletcher Hotel Exploitaties B.V. – verder Fletcher –. Bij brief van 9 december 2008 heeft Fletcher aan Veldman meegedeeld dat zij de exploitatie van het [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] overneemt en dat zij de tussen Veldman en [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] bestaande overeenkomst per 1 februari opzegt.

Bij brief van 15 december 2008 heeft Veldman Fletcher meegedeeld deze opzegging niet te aanvaarden omdat Fletcher geen contractspartij is. Veldman heeft, eveneens bij brief van 15 december 2008, [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] meegedeeld niet met de opzegging door Fletcher akkoord te zijn gegaan omdat Fletcher geen partij bij de overeenkomst is en primair omdat de linnenverhuurovereenkomst niet tijdig is opgezegd. Veldman heeft daarbij voorts meegedeeld dat zij [gedaagden] aan het contract houden en bij het verbreken daarvan de schade op [gedaagden] zullen verhalen.

Fletcher heeft Veldman uiteindelijk bij brief van haar advocaat van 27 januari 2009, mede namens [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is], onder andere, meegedeeld dat gelet op de algemene voorwaarden de overeenkomst op 2 februari 2009 komt te eindigen en dat Veldman het linnengoed op 2 februari 2009 in ontvangst kan nemen omdat Fletcher het vanaf die datum niet meer zal gebruiken.

Het geschil

Veldman vordert – samengevat –, na vermeerdering van eis, de tussen partijen op 2 februari 1999 gesloten overeenkomst te ontbinden, met veroordeling van [gedaagden], zowel hoofdelijk als gezamenlijk, tot betaling aan Veldman van € 106.733,33 ter zake van schadevergoeding, vermeerderd met rente en proceskosten waaronder die ter zake van de gelegde conservatoire beslagen.

Veldman stelt daartoe het navolgende.

Volgens Veldman is de overeenkomst, die per 2 februari 1999 in werking is getreden en is aangegaan voor de duur van 5 jaar, ingevolge artikel 6 en 7 van de overeenkomst jo. artikel 8 van de algemene voorwaarden per 2 februari 2004 automatisch verlengd voor een tweede periode van vijf jaar. De algemene voorwaarden zijn ook op de voortgezette overeenkomst van toepassing. Aangezien [gedaagden] niet tenminste één jaar voor 2 februari 2009 de overeenkomst schriftelijk hebben opgezegd is de overeenkomst volgens Veldman per 2 februari 2009 vervolgens weer automatisch voor een periode van 5 jaar verlengd. Opzegging bij brief van 9 december 2008 door Fletcher is niet rechtsgeldig omdat Fletcher geen partij is bij de overeenkomst en deze dus niet op kan zeggen en voorts omdat de overeengekomen opzegtermijn niet in acht is genomen. Veldman heeft [gedaagden] meegedeeld met deze opzegging door Fletcher niet in te stemmen en [gedaagden] aan de overeenkomst te zullen houden. Veldman heeft [gedaagden] ook gesommeerd de overeenkomst na te komen. [gedaagden] hebben desondanks de overeenkomst per 2 februari 2009 eenzijdig beëindigd en plegen dus wanprestatie jegens Veldman waardoor Veldman schade lijdt welke schade Veldman begroot op het, na vermeerdering van eis, gevorderde bedrag. Het linnengoed was praktisch afgeschreven zodat de schade alleen bestaat uit gederfde winst.

Dat geen minimumafnameverplichting overeengekomen is doet niet ter zake omdat [gedaagden] de overeenkomst eenzijdig beëindigd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij niet van plan waren de overeenkomst met ingang van 2 februari 2009 na te komen.

Veldman stelt dat zowel [gedaagde 1] als [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] B.V. partij zijn bij de overeenkomst omdat hij niet wist dat [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] B.V. een besloten vennootschap was. Volgens Veldman is hem dat pas bij facturering gebleken. Veldman stelt de ondernemer ook altijd zelf te laten tekenen zodat die ook persoonlijk kan worden aangesproken.

Veldman betwist de door [gedaagden] aan artikel 8 van de algemene voorwaarden gegeven uitleg. De algemene voorwaarden zien niet slechts op de eerste overeenkomst met [gedaagden] maar op iedere overeenkomst tussen partijen dus ook op de automatisch voortgezette overeenkomst.

[gedaagden] voeren verweer.

[gedaagde 1] betwist persoonlijk aansprakelijk te zijn voor nakoming van de overeenkomst. [gedaagde 1] stelt de overeenkomst als directeur van [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] ondertekend te hebben. Hij verwijst daartoe naar de ondertekening van de overeenkomst. [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] is de handelsnaam van de besloten vennootschap [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is]. Op grond van het feit dat in de kop van de overeenkomst naast [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] is vermeld “en/of de heer [gedaagde 1]” kan Hoender niet in privé worden aangesproken. Daaruit volgt niet dat partijen beoogd hebben [gedaagde 1] naast [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] aansprakelijk te doen zijn voor verbintenissen uit de overeenkomst. Dat volgt ook niet uit de inhoud van de overeenkomst. De door Veldman verzonden facturen zijn ook altijd aan [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] geadresseerd. Nu [gedaagde 1] geen partij is bij de overeenkomst dient de vordering jegens hem afgewezen te worden.

Volgens [gedaagden] volgt uit artikel 8 van de algemene voorwaarden dat de overeenkomst éénmaal voor bepaalde tijd wordt voortgezet en is de overeenkomst met Veldman dus per 2 februari 2009 van rechtswege geëindigd. In artikel 8 is niet opgenomen dat de overeenkomst telkens met vijf jaar wordt verlengd.

Indien en voor zover er twijfel over de uitleg van de algemene voorwaarden zou bestaan dienen deze in het nadeel van Veldman als opsteller van deze voorwaarden te worden uitgelegd. Subsidiair vernietigen [gedaagden] art. 8 van de Algemene Voorwaarden omdat het onredelijk bezwarend is.

Gedaagden stellen voorts geen wanprestatie te plegen nu zij op grond van de overeenkomst niet gehouden zijn tot een minimumafname. De overeenkomst verplicht slechts tot het niet afnemen van linnengoed bij derden.

In de overeenkomst hebben partijen geen rekening gehouden met overdracht van de onderneming gedurende de contractstermijn.

[bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] heeft haar onderneming gestaakt en verbruikt ook geen linnengoed meer. Bij de overdracht van het hotel aan Fletcher zijn alle contractuele verplichtingen overgedragen. Fletcher heeft ook het contract met Veldman overgenomen.

[gedaagden] betwisten voorts gemotiveerd de hoogte van het ter zake van schadevergoeding gevorderde bedrag.

[gedaagden] vragen, indien het tot toewijzing van schadevergoeding zou komen, om matiging ex artikel 6:109 BW waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de afschrijvingsduur van het linnengoed die twee jaar bedraagt. [gedaagden] stellen daartoe dat, gelet op het ontbreken van een afnameverplichting, het onredelijk zou zijn indien Veldman over een volledige periode van vijf jaar tot het volle pond gerechtigd zou zijn.

[gedaagden] betwisten voorts gemotiveerd dat een proceskostenveroordeling ten laste van hen dient te worden uitgesproken.

De beoordeling

De rechtbank overweegt met betrekking van het verweer van [gedaagde 1] dat hij zelf geen partij is bij de overeenkomst als volgt. Onbestreden is dat [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] de handelsnaam is van de besloten vennootschap [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is], welke besloten vennootschap voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst was opgericht. De overeenkomst is door [gedaagde 1] ondertekend in zijn functie als directeur van [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] en niet tevens door [gedaagde 1] in persoon, als partij bij de overeenkomst. In de overeenkomst is geen bepaling opgenomen waaruit volgt dat [gedaagde 1] en [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] hoofdelijk, althans gezamenlijk, aansprakelijk zijn voor de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen. Op grond van het enkele feit dat in de kop van de overeenkomst als huurder staat vermeld “[bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] en/of [gedaagde 1]” volgt dan ook niet dat [gedaagde 1] naast [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] partij bij de overeenkomst is. Voor zover de vorderingen tegen [gedaagde 1] zijn gericht zullen deze dan ook worden afgewezen.

De overeenkomst is door Fletcher niet rechtsgeldig opgezegd. Nog afgezien van het feit dat de opzegging niet binnen de daarvoor ingevolge de algemene voorwaarden geldende opzegtermijn van tenminste een jaar voor het verstrijken van de contractperiode is opgezegd, is Fletcher geen partij bij de overeenkomst. Contractsoverneming is een drie-partijenovereenkomst. Voor overdracht van een rechtsverhouding tot een wederpartij aan een derde is medewerking van de wederpartij vereist. [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] kon de overeenkomst met Veldman dus slechts aan Fletcher overdragen indien en voor zover Veldman daarmee zou hebben ingestemd. [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] heeft aangevoerd dat Veldman niet met overdracht van de overeenkomst heeft ingestemd. [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] heeft de overeenkomst dus niet rechtsgeldig aan Fletcher overgedragen, zodat Fletcher de overeenkomst niet kon opzeggen.

Voor de verdere beoordeling van het geschil is van belang of, zoals [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] heeft aangevoerd, de overeenkomst gelet op de inhoud daarvan, met name van artikel 6, en van artikel 8 van de algemene voorwaarden, geacht moet worden ook zonder opzegging, van rechtswege, per 2 februari 2009 te zijn geëindigd.

De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van artikel 8 van de algemene voorwaarden niet afgeleid kan worden dat bij gebreke van tijdige opzegging van de aanvankelijk tot stand gekomen overeenkomst deze slechts voor één periode automatisch wordt verlengd en na ommekomst van deze periode van rechtswege geëindigd is. Nog afgezien daarvan geldt dat bedingen in algemene voorwaarden zijn bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen. De uitleg die [gedaagden] aan artikel 8 geven zou er toe leiden dat het Veldman bij het opstellen van deze algemene voorwaarden beoogd heeft dat alle door haar in de toekomst te sluiten overeenkomsten waarop deze algemene voorwaarden van toepassing zijn, afgesloten voor welke contractsperiode dan ook, bij gebreke van opzegging van de eerste contractsperiode steeds maar met één periode verlengd zouden worden en vervolgens van rechtswege zouden zijn geëindigd. Gelet op de complicaties die dit in de bedrijfsvoering voor Veldman en haar contractspartijen met zich mee zou brengen kan artikel 8 van de algemene voorwaarden redelijkerwijs niet uitgelegd worden zoals [gedaagden] dat doen. De omstandigheid dat in artikel 8, niet is opgenomen dat de overeenkomst telkens automatisch voor een gelijke periode wordt voortgezet doet aan het vorenstaande naar het oordeel van de rechtbank niet af. De overeenkomst is per 2 februari 2009 dus niet van rechtswege geëindigd.

[gedaagden] hebben, voor het geval artikel 8 van de algemene voorwaarden uitgelegd zou worden overeenkomstig de uitleg die Veldman daaraan geeft, dat artikel bij wijze van verweer vernietigd als zijnde onredelijk bezwarend. [gedaagden] hebben daartoe niet meer gesteld dan dat Veldman niet bewilligd heeft in de contractsovername door Fletcher en dat de termijn waarmee de overeenkomst steeds wordt verlengd vijf jaar bedraagt zonder dat in tussentijdse opzegging is voorzien.

Artikel 8 van de algemene voorwaarden houdt echter niet meer in dan dat de overeenkomst, bij gebreke van tijdige opzegging, wordt verlengd voor een gelijke periode als de tussen partijen bij de overeenkomst overeengekomen contractsperiode. Dat dat in het onderhavige geval leidt tot een verlenging van vijf jaar omdat partijen bij de overeenkomst een contractsperiode van vijf jaar overeengekomen zijn, heeft niet als gevolg dat daardoor artikel 8 van de algemene voorwaarden als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt. Het feit dat Veldman niet heeft ingestemd met contractsovername door Fletcher is niet een van de factoren waaraan bij de inhoudstoetsing van een bepaling uit de algemene voorwaarden ex artikel 6:233 onder a BW wordt getoetst.

Nu de overeenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd en ook niet van rechtswege is geëindigd duurt deze nog voort. [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] komt, door vanaf 2 februari 2009 niet langer linnengoed van Veldman te huren, dan ook tekort in nakoming van de overeenkomst en is gehouden de schade die Veldman daardoor lijdt te vergoeden. Dat [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] het hotel niet langer exploiteert kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit is een omstandigheid die voor rekening en risico van [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] dient te komen. Het was aan [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] geweest om hierop te anticiperen. Het feit dat zij dat niet heeft gedaan levert geen overmacht op in die zin dat de tekortkoming niet toerekenbaar is. De vordering tot ontbinding van Veldman zal dan ook worden toegewezen en [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] zal worden veroordeeld tot betaling van de schade die Veldman als gevolg van het toerekenbaar tekortkomen door [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] lijdt. Ook de omstandigheid dat geen minimum afnameverplichting overeengekomen is kan niet tot een ander oordeel leiden.

De omstandigheid dat in de onderhavige overeenkomst geen minimum afnameverplichting overeengekomen is kan in redelijkheid niet worden uitgelegd in die zin dat [gedaagden] in geval van in het geheel niet afnemen daardoor ook niet toerekenbaar tekortkomen in de nakoming van de overeenkomst. Immers aangenomen moet worden dat de overeenkomst niet in een dergelijke verplichting voorziet omdat in de hotelbranche sprake is van een wisselende bezettingsgraad. Nog afgezien daarvan hebben [gedaagden] de overeenkomst eenzijdig beëindigd door te kennen te geven de overeenkomst met ingang van 2 februari 2009 niet langer na te zullen komen. Dat niet sprake was van een minimum afnameverplichting is voor beoordeling van de vraag of sprake is van toerekenbaar tekortkomen aan de zijde van [gedaagden] niet van belang. De rechtbank zal dit verweer van [gedaagden] dan ook passeren.

Bij het begroten van haar schade gaat Veldman uit van de winst die zij over 2008 stelt te hebben gerealiseerd. Veldman berekent de winst door de omzet, inclusief B.T.W., te verminderen met de waskosten. Vervolgens past Veldman een indexatie van 2,5% toe op het door haar als winst berekende bedrag.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De omzet is het totaal van de vergoedingen die de ondernemer in rekening brengt voor geleverde goederen en/of diensten. De B.T.W. maakt geen onderdeel uit van de omzet. De netto winst berekent men vervolgens door op de omzet de kosten in mindering te brengen. Deze kosten bestaan niet slechts uit de door Veldman op de omzet in mindering gebrachte waskosten. Ingevolge de overeenkomst zijn in de verhuurprijs (exclusief B.T.W.) naast de kosten voor reiniging begrepen de kosten gemaakt in verband met aanschaf, onderhoud, verzekering, vervanging en transport van het linnengoed. Veldman dient bij de berekening van de door haar gederfde winst ook de hiermee gemoeide kosten, naast de waskosten, op de omzet in mindering te brengen.

Veldman heeft ter gelegenheid van de comparitie stukken in het geding gebracht met betrekking tot de (her)investeringskosten van het linnengoed en de maandelijks daaraan toe te kennen kosten. Door Veldman is geen berekening overgelegd met betrekking tot de kosten verbonden aan onderhoud, verzekering en transport.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde Veldman in de gelegenheid te stellen de daarop betrekking hebbende gegevens in het geding te brengen. Veldman kan dan tegelijkertijd reageren op hetgeen [gedaagden] ter gelegenheid van de comparitie hebben opgemerkt ten aanzien van de door Veldman ter zake van de schadeberekening overgelegde bescheiden.

Zoals vorenstaand overwogen zal de vordering voor zover die tegen [gedaagde 1] is gericht worden afgewezen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] nog in de gelegenheid zal worden gesteld om te reageren.

[gedaagden] verzoeken, indien het tot toewijzing van schadevergoeding zou komen, ex artikel 6:109 BW de verplichting tot schadevergoeding te matigen.

Ingevolge artikel 6:109 lid 1 BW kan de rechter onder omstandigheden een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen indien toekenning van volledige schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

Ter gelegenheid van de comparitie hebben [gedaagden] meegedeeld dat, indien en voor zover uit deze procedure volgt dat er nog een bedrag aan Veldman betaald moet worden, Fletcher deze verplichting op zich zal nemen. Veroordeling van [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] tot betaling van schadevergoeding aan Veldman heeft voor [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] dus geen (vermogensrechtelijke) gevolgen. Niet is dus sprake van omstandigheden op grond waarvan de door [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] te betalen schadevergoeding voor matiging in aanmerking zou kunnen komen. De rechtbank zal het verzoek tot matiging dan ook afwijzen.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vordering voor zover die is gericht tegen [voorletters] [gedaagde 1] af;

ontbindt de tussen Veldman en [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] per 2 februari 2009 tot stand gekomen overeenkomst;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 10 maart teneinde Veldman in de gelegenheid te stellen de onder punt 4.6. genoemde bescheiden in het geding te brengen en te reageren op hetgeen [gedaagden] ter gelegenheid van de comparitie hebben opgemerkt ten aanzien van de door Veldman ter zake van de schadeberekening overgelegde bescheiden;

bepaalt dat [bedrijf waar gedaagde 1 directeur van is] nog in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Graaf en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2010.