Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BM1296

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
15-04-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
Awb 09/657
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontheffing voor lichte horeca op bestemming detailhandel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/657

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[Naam],

[Naam], e.a.,

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft verweerder aan AVV Beheer BV te [Woonplaats] (hierna: ontheffinghouder) met toepassing van artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) ontheffing verleend van het bestemmingsplan ‘Othene-Zuid’, zoals bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 10 maart 2010 behandeld ter zitting. Eiser [Naam] en eiseres [Naam] zijn daar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden H. Manski en N. van Heurck.

Namens derde-belanghebbende/ontheffinghouder, AVV Beheer BV, is ir.[Naam] verschenen.

II. Overwegingen

1. Artikel 3.23 van de Wro bepaalt:

1. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

2. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld die in acht genomen moeten worden alvorens ontheffing mag worden verleend. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling alsmede omtrent de overdraagbaarheid van de ontheffing.

Artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro bepaalt:

Voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de wet komen in aanmerking het wijzigen van het gebruik van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits:

1e. de gebruikswijziging plaats vindt binnen de bebouwde kom;

2e. de gebruikswijziging betrekking heeft op een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 1500 m², en

3e. het aantal woningen gelijk blijft.

2. Verweerder heeft aan ontheffinghouder ontheffing verleend van de vigerende bestemming ‘detailhandel’ voor het vestigen van lichte horeca in één van de winkels in het winkelcentrum Othene. Aan de ontheffing wordt de voorwaarde verbonden dat onder lichte horeca verstaan dient te worden: ‘Bedrijven die in beginsel alleen overdag en ’s avonds behoeven te zijn geopend (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken’. Het betreft hier aan de detailhandelsfunctie verwante horeca zoals een automatiek, broodjeszaak, cafetaria, croissanterie, koffiebar, lunchroom, ijssalon, snackbar, tearoom en traiteur. De lichte horecagelegenheid mag zijn geopend van maandag tot en met zaterdag van 6.00 tot 22.00 uur.

3. Verweerder meent dat met verlening van de ontheffing de belangen van derden geenszins worden geschaad en zeker niet zodanig opweegt tegen het belang van uitvoering van het verzoek. Verweerder vindt lichte horeca passend op de beoogde locatie. De ruimte is gelegen binnen het gebouw waar ook een supermarkt en een bakker is gevestigd. Voorts is er ter plaatse voldoende parkeergelegenheid.

Aan de ontheffing zijn voorwaarden verbonden voor wat betreft de openingstijden en voor wat betreft de vrees voor de aantasting van de leefbaarheid (stank, overlast door hangjongeren en zwerfvuil) bestaat naar de mening van verweerder geen aanleiding omdat de exploitant zich dient te houden aan de openingstijden en de milieuregelgeving. Daarnaast is de locatie gelegen aan een openbare weg op een zo ver mogelijke afstand van eisers woningen. Daardoor worden de belangen van de omwonenden volgens verweerder niet onevenredig geschaad.

4. Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen en voeren daartoe onder meer het volgende aan.

Eisers wisten bij de aankoop van hun woning dat er een winkelcomplex zou kunnen komen. Hierin was echter vermeld dat er geen lichte horeca zou komen. Dit heeft eisers doen besluiten om tot aankoop van de woning over te gaan en niet elders. Nu is met de ontheffing toch lichte horeca mogelijk gemaakt met als gevolg extra overlast, langere openingstijden, hangjeugd, zwerfvuil en eventueel beschonken mensen die nog wat biertjes komen halen als de winkels al dicht zijn. Het gevolg van de ontheffingverlening is dat de woning van eisers waarschijnlijk in waarde zal dalen. Eisers zitten niet op een frietzaak te wachten, zeker omdat er op een kilometer afstand ook al een frietzaak is. Van een behoefte kan volgens eisers dan ook niet worden gesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat onder meer beroep is ingesteld door [Naam]. De rechtbank stelt voorts vast dat door hem geen zienswijzen zijn ingediend tegen het voornemen tot ontheffingverlening. Niet is gebleken dat het niet indienen van zienswijzen niet aan [Naam] kan worden verweten. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht staat voor [Naam] derhalve geen beroep open tegen de ontheffing. Hij dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep.

Ten aanzien van de overige beroepen overweegt de rechtbank als volgt.

6. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing gebruik heeft kunnen maken dient voorop te worden gesteld dat de door de rechtbank ter zake te verrichten toets terughoudend is. Bij de toepassing van artikel 3.23 van de Wro komt verweerder immers, gelet op de bewoordingen van dat artikel en de aard van de bevoegdheid die daarin aan verweerder is toegekend, een ruime mate van beleidsvrijheid toe.

7. Verweerder heeft het belang van ontheffinghouder afgewogen tegen de belangen van eisers en daarbij het belang van ontheffinghouder zwaarder laten wegen.

8. Eisers hebben aangegeven dat zij overlast (door geluid, stank, zwerfvuil en hangjongeren) verwachten van de te vestigen ‘frietzaak’, alsmede dat hun woningen door de vestiging daarvan in waarde zullen dalen.

9. De rechtbank merkt allereerst op dat uit de stukken noch het verhandelde ter zitting blijkt dat ter plaatse een ‘frietzaak’ zal worden gevestigd. Verweerder heeft ontheffing verleend voor lichte horeca, hetgeen inhoudt dat ter plaatse ook een broodjeszaak, croissanterie, lunchroom, ijssalon of traiteur kan worden gevestigd. Hieromtrent is niet gesteld of gebleken dat eisers enige last of hinder zullen ondervinden.

10. Voor zover er al sprake zal zijn van een ‘frietzaak’ is de rechtbank met verweerder van oordeel dat door de beperkte openingstijden (tot 22.00 uur en niet op zondag), de van toepassing zijnde milieuregelgeving in combinatie met de locatie van de beoogde horecavestiging in het winkelcentrum Othene (op ongeveer 60 meter afstand van eisers), de (toename van) overlast voor eisers zodanig gering zal zijn dat dat niet opweegt tegen de belangen van ontheffinghouder om de winkelruimten in het winkelcentrum duurzaam bezet te krijgen onder meer door vestiging daarin van een “frietzaak”.

11. Voor wat betreft de eventuele waardedaling van de woning van eisers merkt de rechtbank op dat daarvoor een aparte procedure tot vergoeding van schade, de zogenaamde planschadeprocedure, is. Dit aspect speelt in de in acht te nemen belangenafweging daarom een minder zware rol dan door eisers wordt aangenomen.

12. De rechtbank acht het resultaat van voornoemde belangenafweging niet onredelijk en komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid de in geding zijnde ontheffing heeft kunnen verlenen. De rechtbank verklaart de overige beroepen dan ook ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep van [Naam] niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep van de andere eisers ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel, griffier en op 15 april 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 15 april 2010