Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BL6293

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
12/715436-09 + 12/715393-08 (TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging van jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en de gedragsbeinvloedende maatregel naar aanleiding van bewezenverklaring van (per saldo) een poging zware mishandeling, openlijke geweldpleging en het wegmaken van een mobiele telefoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715436-09 + 12/715393-08 (tul) (P)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 maart 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1992],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in RIJ Den Hey-Acker, locatie Vught te Vught,

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Smit, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 februari 2010, waarbij de officier van justitie, mr. Overmeer, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 03 oktober 2009, te West-Souburg, in de gemeente

Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven te beroven, samen met zijn mededader(s), althans

alleen, met dat opzet

- meermalen, althans éénmaal, met kracht -met geschoeide voet- tegen en/of

naar het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt, en/of

- meermalen, althans éénmaal, met kracht met een helm tegen en/of naar het

hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, en/of

- met kracht één of meer -volle- (bier)flesje(s) tegen en/of naar het hoofd

van die [slachtoffer 1] heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 03 oktober 2009 te West-Souburg, in de gemeente

Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een

persoon, genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, samen met zijn mededader(s), althans alleen, met dat opzet

- meermalen, althans éénmaal, met kracht -met geschoeide voet- tegen en/of

naar het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt, en/of

- meermalen, althans éénmaal, met kracht met een helm tegen en/of naar het

hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, en/of

- met kracht één of meer -volle- (bier)flesje(s) tegen en/of naar het hoofd

van die [slachtoffer 1] heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 03 oktober 2009, te West-Souburg, in de gemeente

Vlissingen, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Jaagpad,

in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het:

- duwen tegen en/of trekken aan die [slachtoffer 1], en/of

- slaan en/of stompen naar en/of tegen die [slachtoffer 1], en/of

- schoppen en/of trappen naar en/of tegen die [slachtoffer 1], en/of

- met een helm slaan naar en/of tegen die [slachtoffer 1], en/of

- met één of meer (bier)flesjes gooien naar en/of tegen die [slachtoffer 1], en/of

- opjutten en/of aanmoedigen van één of meer van zijn mededader(s);

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 03 oktober 2009, te West-Souburg, in de gemeente

Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of

met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van)

zijn mededader(s) opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] toegevoegd: "Als je aangifte

gaat doen, weet ik je te vinden. Dan ga je dood" en/of "Als je bij de politie

aangifte gaat doen, dan maken we je af", althans (telkens) woorden van gelijke

aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

Parketnummer 715393-09

hij op of omstreeks 05 september 2009 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Kanaalstraat, in elk

geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen [slachtoffer 2] en/of de voorgevel van cafetaria De Draaibrug en/of een of

meer Ola-reclamebord(en) (van cafetaria De Draaibrug), welk geweld bestond uit

het:

- duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- slaan/stompen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- gooien van een bierflesje in de richting van die [slachtoffer 2] en/of tegen de

voorgevel van cafetaria De Draaibrug en/of

- bij het t-shirt vastpakken en/of aan het t-shirt trekken van die [slachtoffer 2]

en/of

- vastpakken van en/of tegen de grond werken van die [slachtoffer 2] en/of

- trappen tegen een Ola-reclamebord en/of

- tegen een boom gooien van een Ola-reclamebord;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

Parketnummer 706590-09

hij op of omstreeks 07 april 2009 te Middelburg tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een gsm (LG, type KP500/Cookie), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 5 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 07 april 2009, te Middelburg tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk

een gsm (LG, type KP500/cookie), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggemaakt door die gsm van die

[slachtoffer 3] af te pakken en/of (vervolgens) niet terug te bezorgen;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair, 2 en 5 subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte heeft bekend tegen het hoofd van aangever te hebben geschopt. Het hoofd van een mens is het meest kwetsbare deel van het lichaam waardoor de kans groot is dat als daar met kracht met geschoeide voet tegen wordt geschopt de betreffende persoon het leven zal laten. Dientengevolge kan poging tot doodslag tezamen en in vereniging gepleegd bewezen worden volgens de officier van justitie. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat gebleken is dat verdachte samen met medeverdachte [mededader] geweld hebben gebruikt tegen aangever. Medeverdachte [medeverdachte] heeft hen daarbij aangemoedigd. Op grond daarvan kan het openlijk in vereniging geweld plegen bewezen worden verklaard. Voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak bepleit gelet op de niet eensluidende verklaringen die in het dossier liggen waardoor de overtuiging ontbreekt. Ook voor het ten laste gelegde onder 4 heeft de officier van justitie vrijspraak bepleit nu verdachte weliswaar bekend heeft getrapt te hebben tegen het reclamebord maar dat op dat moment de geweldpleging reeds was opgehouden. Daarmee staat het trappen tegen het reclamebord niet meer in relatie tot de openlijke geweldpleging. Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde heeft de officier van justitie betoogd dat het voor rekening en risico komt van verdachte dat aangever zijn telefoon is kwijtgeraakt en acht daarmee bewezen dat verdachte de telefoon van aangever heeft weggemaakt.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde. Hij heeft voor wat betreft feit 1 aangevoerd dat verdachte weliswaar tegen het hoofd van aangever heeft geschopt maar dat dit wel op een bijzondere manier heeft plaatsgevonden. Zowel verdachte als aangever lag op de grond en dan kan er niet met dezelfde kracht worden geschopt als vanuit een staande positie. Daarmee kan het schoppen tegen het hoofd geen poging tot doodslag opleveren.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 tot en met 3

Op 3 oktober 2009 heeft er in West-Souburg een vechtpartij plaatsgevonden tussen diverse personen .

Aangever [slachtoffer 1] heeft hierover verklaard dat hij met wat vrienden bij de draaibrug stond te praten. Op een gegeven moment komen er drie jongens aan lopen die hij kent als [verdachte] (verdachte), [mededader] en [medeverdachte]. Verdachte begint tegen aangever te duwen en slaat hem vervolgens meerdere malen met beide vuisten in het gezicht. Op dat moment werd aangever ook nog vastgehouden maar daar heeft hij zich van losgerukt. Verdachte heeft de helm van aangever afgepakt en heeft getracht aangever daarmee te slaan. Vervolgens begonnen zowel verdachte als [mededader 2] tegen aangever te duwen en aan hem te trekken en te slaan. Aangever probeert verdachte op de grond te gooien waardoor ze beiden ten val komen. Verdachte kwam met zijn voeten bij het hoofd van aangever terecht en is gaan trappen in de richting van het hoofd van aangever. Aangever heeft verklaard tevens aan de linkerkant trappen tegen zijn hoofd van [mededader 2] te hebben gehad. Ook zijn er volgens aangever bierflessen in zijn richting gegooid. Op het moment dat de jongens wegliepen is er door nog iets gezegd in de trant van “hou de politie erbuiten”. Aangever heeft dit niet als dreigement opgevat.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] in zijn gezicht is geslagen en op het moment dat hij op de grond viel tegen zijn hoofd is geschopt door twee jongens. Toen de jongens wegliepen is er door een van hen geroepen “als je aangifte gaat doen, weet ik je te vinden, dan ga je dood”. Over het slaan met een helm heeft de getuige niets verklaard.

Verdachte heeft bekend dat er door hem geweld is gebruikt tegen aangever. Hij dacht dat aangever hem met de helm wilde slaan en heeft aangever hierop in het gezicht geslagen. Samen zijn ze op enig moment ten val gekomen met de voeten naast elkaars hoofd. Terwijl zij op de grond lagen, hebben ze getracht elkaar te schoppen, waarbij verdachte aangever heeft geraakt op het hoofd en op de borst. Tevens heeft verdachte bekend een bierflesje in de richting van aangever te hebben gegooid. Door hem is op het moment dat hij en de medeverdachten wegliepen gezegd, dat hij aangever een bitch zou vinden als hij aangifte zou doen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel, dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het opzet heeft gehad op het medeplegen van de poging tot doodslag van aangever [slachtoffer 1]. Gelet op zowel de wijze waarop als de intensiteit waarmee door verdachte naar het hoofd van het slachtoffer is geschopt, kan niet gesproken worden van voorwaardelijk opzet op de dood. Immers, wanneer men op de grond ligt en vanuit die positie het hoofd van een andere persoon die ook op de grond ligt, tracht te raken, is niet zonder meer aannemelijk dat met zoveel kracht is geschopt dat gevreesd moet worden voor het leven van die andere persoon. De rechtbank zal, nu dat ‘meer’ ontbreekt, verdachte derhalve vrijspreken van het primair onder 1 ten laste gelegde.

Gelet op de kwetsbaarheid van het hoofd van het menselijke lichaam kan in beginsel door deze wijze van handelen echter wel zwaar lichamelijk letsel veroorzaakt worden. Gebleken is dat zowel verdachte als medeverdachte [mededader] tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een bewuste en nauwe samenwerking tussen deze twee verdachten en gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte en medeverdachte [mededader] als twee losse individuen hebben gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde onder 1 subsidiair wel wettig en overtuigend bewezen kan worden en acht verdachte daaromtrent schuldig.

Tevens kan op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde. Over het slaan met de helm van aangever bestaat naar het oordeel van de rechtbank te veel onduidelijkheid en hiervan zal zij verdachte dan ook vrijspreken.

Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat er geen eenduidige verklaringen zijn afgelegd omtrent de bedreiging die zou zijn geuit na afloop van de vechtpartij. De rechtbank zal verdachte derhalve van het onder 3 ten laste gelegde vrijspreken.

Feit 4:

Op 5 september 2009 heeft er in Oost-Souburg een vechtpartij plaatsgevonden waarbij geweld is gebruikt tegen [slachtoffer 2].

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij ten tijde van deze vechtpartij ter plaatse was maar daarbij zelf geen geweld heeft gebruikt. Hij heeft enkel getracht de ruzie te sussen. Na afloop was hij zijn petje kwijt en hij heeft hierdoor uit boosheid tegen een reclamebord getrapt.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op enigerlei wijze heeft deelgenomen aan de vechtpartij. Zij ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de afgelegde verklaring van verdachte en gaat er vanuit dat het trappen tegen het reclamebord door verdachte pas nadat de vechtpartij was afgelopen, heeft plaatsgevonden. Dit gedrag van verdachte staat dan ook niet meer in relatie tot de vechtpartij. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het ten laste gelegde onder 4.

Feit 5:

Op 7 april 2009 te Middelburg heeft verdachte de mobiele telefoon van aangever [slachtoffer 3], te weten een LG type KP 500/cookie, afgepakt. Aangever heeft verdachte gemaand tot teruggave van zijn telefoon maar verdachte heeft hier geen gehoor aan gegeven. Verdachte is achterop de scooter van [medeverdachte] gestapt maar wilde, naar zijn zeggen, op dat moment de telefoon echter wel terug geven aan aangever. Verdachte heeft de telefoon echter niet aan aangever zelf afgegeven maar aan een ander. De telefoon is vervolgens niet meer teruggekomen bij aangever .

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het oogmerk op het toe-eigenen van de telefoon van aangever had. De rechtbank acht verdachtes verklaring dat hij de telefoon via een ander aan aangever terug wilde geven niet ongeloofwaardig. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 5 primair ten laste gelegde.

Door de telefoon af te pakken van aangever is verdachte wel als verantwoordelijke aan te merken voor het uit de macht van aangever raken van de telefoon. Bovendien heeft hij door de telefoon niet terug te geven aan aangever maar aan een ander het risico genomen dat de telefoon niet terug zou komen bij aangever. Daarmee acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de telefoon heeft weggemaakt en zij acht hem schuldig aan het onder 5 subsidiair ten laste gelegde.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 03 oktober 2009 te West-Souburg, in de gemeente

Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet

- met geschoeide voet- tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en

-met kracht één bierflesje naar het hoofd

van die [slachtoffer 1] heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 03 oktober 2009, te West-Souburg, in de gemeente

Vlissingen, met anderen, op of aan de openbare weg, het Jaagpad,

openlijk in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het:

- duwen tegen en/of trekken aan die [slachtoffer 1], en

- slaan en/of stompen naar en/of tegen die [slachtoffer 1], en

- schoppen en/of trappen naar en/of tegen die [slachtoffer 1], en

- met één bierflesje gooien naar die [slachtoffer 1], en

- opjutten en/of aanmoedigen van één of meer van zijn mededader(s);

5.

Parketnummer 706590-09

op 07 april 2009, te Middelburg tezamen en in vereniging met

een ander opzettelijk en wederrechtelijk

een gsm (LG, type KP500/cookie), toebehorende aan [slachtoffer 3], heeft weggemaakt door die gsm van die

[slachtoffer 3] af te pakken en vervolgens niet terug te bezorgen;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Omtrent de geestvermogens van verdachte ten tijde van het begaan van de ten laste gelegde feiten hebben dr. A.X. Rutten, kinder- en jeugdpsychiater, en drs. C. de Moor, forensisch psycholoog en pedagoog, een onderzoek verricht. De deskundigen hebben op 3 februari 2010 respectievelijk 4 februari 2010 over hun bevindingen gerapporteerd.

Uit het rapport van de psychiater komt onder meer naar voren dat bij verdachte sprake is van een gedragsstoornis. Daarmee samenhangend kost het verdachte moeite om de gevolgen van zijn handelen te overzien en zijn impulsen te beheersen. Volgens de psychiater was deze stoornis ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten ook aanwezig bij verdachte en adviseert hem daarom als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De psycholoog heeft in zijn rapport onder meer geschreven dat verdachte duidelijke tekorten vertoont in agressiebeheersing en copingsvaardigheden. Uit het verleden spelen nog traumatische ervaringen die verdachte nog regelmatig intensief herbeleeft. Daarnaast is hij vanuit eerdere langdurige fysieke mishandeling binnen het gezin erg waakzaam voor en uitermate reactief tegenover –vermoed- ongewenst fysiek contact door anderen. Verdachte kan zich echter wel rekenschap geven van het sociaal ontoelaatbare van zijn overschrijdend gedrag, hij kent zijn beperkingen en uidagingen omtrent agressieproblematiek. De psycholoog adviseert daarom tot een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte voor de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen over en komt, mede gelet op de door de officier van justitie en de raadsman terzake ingenomen standpunten, tot de conclusie dat verdachte de strafbare feiten verminderd kunnen worden toegerekend.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank dus strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht aan verdachte op te leggen 152 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest en de gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van negen maanden subsidiair te vervangen door zes maanden jeugddetentie. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van ernstige feiten en tevens is persoonlijke problematiek van verdachte naar voren gekomen. In dit kader acht zij het aangewezen dat verdachte het MTFC-programma gaat volgen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft in het kader van de door hem bepleite vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegd gewezen op het lange voorarrest dat verdachte reeds heeft ondergaan. Verder heeft hij verklaard zich te kunnen vinden in het opleggen van de gedragsbeïnvloedende maatregel en de daaraan verbonden vervangende jeugddetentie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich tezamen met een ander ten opzichte van het slachtoffer [slachtoffer 1] schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met geschoeide voet tegen het hoofd van die op de grond liggende [slachtoffer 1] te schoppen. Hij heeft daarmee op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [slachtoffer 1]. Hiermee heeft hij niet alleen een ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook is hierdoor de openbare orde verstoord nu dergelijke feiten overlast en onrustgevoelens teweeg brengen in de maatschappij.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het wegmaken van de telefoon van [slachtoffer 3]. Hiermee heeft verdachte een ernstig gebrek aan respect voor andermans materiële bezittingen getoond.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, zoals hierboven beschreven, en met het feit dat verdachte de afgelopen vijf jaren eerder met justitie in aanraking is geweest voor strafbare feiten waaronder geweldsmisdrijven. Daarnaast heeft zij rekening gehouden met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht voor de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het onder 5 genoemde rapport van de psychiater waarin naar voren komt dat verdachte een belaste voorgeschiedenis heeft. De moeder van verdachte is toen hij twee jaar oud was, overleden. De nieuwe partner van zijn vader heeft hem na ontvoering van zijn stiefbroertje langdurig mishandeld. Bij verdachte bestaat al langere tijd de neiging tot het overschrijden van grenzen. Ook heeft hij moeite zich aan regels te houden. Hij is daardoor al herhaaldelijk met politie in aanraking gekomen. Een jaar geleden is getracht het gedrag van verdachte in gunstige zin te beïnvloeden middels Multi Systeem Therapie. Samenhangend met de gedragsstoornis kost het verdachte moeite om de gevolgen van zijn handelen te overzien en zijn impulsen te beheersen. Gezien de complexiteit van de problematiek en de hulpverlenings- en begeleidingsgeschiedenis die er al ligt, wordt nu een gedragsbeinvloedende maatregel als het meest passend beschouwd.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het onder 5 genoemde rapport van de psycholoog waarin naar voren komt dat verdachte zich toont als een laaggemiddeld intelligente adolescente veelpleger die enige tekorten in copingsvaardigheden laat zien en met duidelijk verhoogde agressiegevoelens worstelt zonder daarbij een gegeneraliseerde wrok tegenover anderen te koesteren. Uit het verleden zijn er nog onverwerkte traumatische gebeurtenissen. Hij beleeft deze nog regelmatig waarbij de gevoelens intens blijven. Eerdere begeleiding door de jeugdreclassering heeft niet kunnen vermijden dat verdachte minstens twee keer zijn schorsingsvoorwaarden heeft overtreden. Multi Systeem Therapie (de Viersprong 2009) heeft volgens verdachte zelf geleid tot beter zelfinzicht en het terugschroeven van zijn agressie. Op gebied van agressiebeheersing, vriendenkring en vrijetijdsbesteding lijkt echter geen vooruitgang geboekt: uiteindelijk gaat verdachte nog steeds om met zijn vroegere -criminele- vrienden en lukt het hem niet om ruzies uit de weg te gaan en fysieke agressie te controleren. Vanuit het gegeven dat straf, begeleiding door jeugdreclassering en Multi Systeem Therapie reeds onvoldoende succesvol zijn gebleken om recidive van verdachte succesvol te vermijden, geeft de psycholoog het advies om de gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de adviesrapportage van de jeugdreclassering aan de Raad voor de Kinderbescherming van 9 februari 2010, opgemaakt door T. Adriaanse. Hierin komt naar voren dat vrijwel alle delicten waar verdachte van wordt verdacht of voor is veroordeeld in groepsverband hebben plaatsgevonden. Het lijkt erop dat verdachte niet wil onderdoen voor zijn vrienden en meedoet om zich gewaardeerd te voelen. Zijn behoefte aan spanning speelt een rol. De inzet van MST heeft dit niet kunnen doorbreken. Door persoonlijke problemen ervaart vader een grote belasting en heeft hij moeite om verdachte de begeleiding te bieden die hij nodig heeft. Verdachte is snel afgeleid, reageert impulsief en heeft moeite zijn impulsiviteit te beheersen. Hij heeft moeite om zich aan regels te houden en de gevolgen van zijn handelen te overzien. Verdachte respecteert zijn eigen grenzen en de grenzen van anderen daarin niet. Verdachte heeft een belast verleden door een aantal traumatische gebeurtenissen. Dit verleden speelt een rol bij het plegen van delicten. Er is onderzoek gedaan naar de gedragsbeïnvloedende maatregel. Vooral in Zuidwest Nederland is gezocht naar een zorgaanbieder welke bereid is zowel verblijf als behandeling aan te bieden. Het Leger des Heils in de omgeving Rotterdam is bereid gevonden en biedt Multidimensional Treatment Foster Care (MTFC), een erkend programma dat ook in te zetten is in het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel. Geadviseerd wordt dan ook om deze op te leggen voor de duur van één jaar. De GBM dient ingevuld te worden middels een erkende gedragsinterventie te weten deelname aan het MTFC-programma uit te voeren door het Leger des Heils. Om de haalbaarheid te waarborgen adviseert MTFC een minimale detentiewaarde van drie à vier maanden. Bij afstand van hoger beroep kan dit programma reeds vanaf 4 maart 2010 starten. Tevens wordt geadviseerd een voorwaardelijke straf en een langere proeftijd op te leggen en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zodat verdachte ervaart dat het niet houden aan afspraken consequenties heeft.

Tot slot is acht geslagen op het rapport Raadsonderzoek strafzaken van 12 februari 2010, opgesteld door H. Jans. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat ook volgens de Raad voor de Kinderbescherming het opleggen van de gedragsbeïnvloedende maatregel de meest gewenste strafrechtelijke reactie is waarbij de MTFC een passend aanbod is.

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemde rapporten en is alles afwegende van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest een passende reactie is.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de ernst en de veelvuldigheid van de door verdachte begane misdrijven alsmede de voorafgegane veroordelingen wegens misdrijven aanleiding geven tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Uit bovengenoemde rapporten en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat eerdere hulpverlening niet toereikend is geweest voor verdachte. Bij hem is onverminderd sprake van gedragsproblemen en (daaruit voortvloeiend) recidive. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in genoemd rapport van 12 februari 2010 geadviseerd tot oplegging van de maatregel. Dit advies wordt ondersteund door de gedragsdeskundigen dr. Rutten en drs. De Moor. De rechtbank is van oordeel dat de bij verdachte aanwezige problematiek oplegging van de maatregel rechtvaardigt. Verdachte verdient deze kans op hulp.

De rechtbank zal evenwel de duur van maatregel beperken tot negen maanden nu er tevens de mogelijkheid van verlenging bestaat. Als vervangende jeugddetentie zal de rechtbank zes maanden opleggen zodat verdachte voldoende doordrongen raakt van het belang zijn medewerking te verlenen aan het programma.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres], vordert een schadevergoeding van € 3.850,66 voor feit 1 waarvan € 1.250,- wegens immateriële schade en € 2.600,66 wegens materiele schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld een voorschot toe te kennen van

€ 600,- bestaande uit een voorschot op het smartengeld van € 250,-, een voorschot op de tandartskosten basisverzekering van € 250,- en de kosten van rechtsbijstand van € 100,-.

De raadsman van verdachte heeft verklaard zich te kunnen vinden in het voorstel van de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 600,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 350,- ter zake van materiële schade en € 250,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 17 dagen jeugddetentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 4 maart 2009 ten uitvoer zal worden gelegd. Zij heeft echter wel verzocht de jeugddetentie om te zetten in 34 uur werkstraf.

De raadsman van verdachte heeft verzocht vordering ten uitvoerlegging te verrekenen met het reeds ondergane voorarrest van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat verdachte met de MTFC een zwaar traject in gaat. De rechtbank acht het van groot belang dat verdachte dit met een goed gevolg afrondt en zal verdachte daarom niet ook nog eens belasten met een te verrichten werkstraf.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77w, 141, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 5 subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: Medeplegen van poging tot zware mishandeling;

feit 2: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 5 subsidiair: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 152 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- stelt in dit verband vast dat verdachte de aldus opgelegde vrijheidsstraf reeds heeft ondergaan, voorzover dit voorarrest niet op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Maatregel

- legt op aan verdachte de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van negen maanden, bestaande uit:

* deelname aan het Multidimensional Treatment Foster Care-programma van het Leger des Heils;

- beveelt dat, als verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van zes maanden;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres] van € 600,-, waarvan € 350,- ter zake van materiële schade en € 250,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 600,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de gedragsbeïnvloedende maatregel van start gaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Woltring en mr. Van Unnik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 maart 2010.

Mrs. Nomes en Van Unnik zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.