Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BL5691

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
197481 en 198008
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toestemming voor ontslag voormalig lid ondernemingsraad gegeven. Weliswaar heeft deze destijds zijn lidmaatschap onder druk van de werkgever moeten neerleggen, maar het ontslag is gegeven op reële bedrijfseconomische gronden.

Zelfstandig tegenverzoek tot ontbinding mèt vergoeding afgewezen. Een vertrouwensbreuk is niet aannemelijk. Dat de werkgever geen vergoeding aanbiedt is geen reden voor ontbinding. Referte aan HR 11 december 2009 LJN BJ9096.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2010/8
AR-Updates.nl 2010-0182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

zaak/repnr.: zaak/repnr.: 197481 en 198008 / 10-40 en 10-100 blad 2

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

[Zaaknummer] [Repnummer]

Locatie Terneuzen

zaak/repnr.: 197481 en 198008 / 10-40 en 10-100

beschikking van de kantonrechter d.d. 10 februari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap

[X],

gevestigd te [adres],

verzoekende tevens verwerende partij,

verder te noemen: [partij X],

gemachtigde: mr. L.E. van Hevele,

t e g e n :

[Y],

wonende te [adres],

verwerende tevens verzoekende partij,

verder te noemen: [partij Y],

gemachtigde: mr. J.J. Fens.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- verzoekschrift, ingediend op 8 januari 2010,

- verweerschrift, houdende een zelfstandig ontbindingsverzoek,

- verweerschrift tegen het ontbindingsverzoek,

- mondelinge behandelingen d.d. 20 januari en 3 februari 2010.

de beoordeling van de zaak

1.1. [Partij Y], geboren [in] 1960, is sinds [begin] 2005 in dienst bij [partij X] als huisschilder. [Partij X] is een van de drie werkmaatschappijen van een groep. In 2007 is een ondernemingsraad ingesteld. [Partij Y] is voorzitter van de ondernemingsraad geweest. Hij heeft zijn functie van voorzitter reeds in of omstreeks maart 2008 opgegeven. In oktober 2008 heeft [partij Y] ook zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad opgegeven.

1.2. [Partij X] heeft op 30 november 2009 een ontslagvergunning gevraagd voor [partij Y] op de grond dat de werkvoorraad zeer minimaal is. In dat kader zijn twee andere huisschilders van [partij X] vrijwillig afgevloeid. Na verweer van [partij Y] is de ontslagvergunning op 5 januari 2010 verleend op voorwaarde dat binnen 26 weken geen andere huisschilder in dienst wordt genomen. De vergunning is geldig tot 2 maart 2010.

2.1. Omdat [partij Y] korter dan twee jaar geleden lid is geweest van de ondernemingsraad, heeft [partij X] ex art. 7:670a BW toestemming verzocht voor het ontslag van [partij Y]. [Partij X] heeft gesteld dat uit de vergunning van het UWV Werkbedrijf blijkt dat de voorgenomen opzegging geen verband houdt met het voormalig lidmaatschap van [partij Y] van de ondernemingsraad.

2.2. [Partij Y] heeft gesteld dat de voorgenomen opzegging wel degelijk verband houdt met zijn voormalig lidmaatschap van de ondernemingsraad. [Partij Y] heeft van zijn kant ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht met een vergoeding van € 20.000,- bruto. [Partij Y] heeft hierbij gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 11 december 2009 LJN BJ9069.

3. Het tegenverzoek heeft betrekking op het onderwerp van het verzoek. Beide betreffen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarom is het tegenverzoek ontvankelijk.

4.1. [Partij X] heeft gesteld dat [partij Y] zijn voorzitterschap en later zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad heeft opgegeven op aandringen van de overige leden van de ondernemingsraad en op advies van de vertegenwoordiger van zijn vakbond. [Partij X] heeft betwist dat [partij Y] dat heeft gedaan onder druk van de directeur van [partij X].

4.2. [Partij Y] heeft echter met brieven aangetoond dat de directeur van [partij X] wel degelijk sterke druk heeft uitgeoefend, zij het tevens via de overige leden van de ondernemingsraad. De brieven van de districtsbestuurder van het CNV d.d. 25 september en 1 oktober 2008 maken dit zeer duidelijk, tezamen met de brief van [partij X] zelf d.d. 24 juni 2008, welke een schriftelijke waarschuwing voor [partij Y] bevat.

4.3. Daar staat echter tegenover dat de ontslagaanvraag meer dan een jaar later is ingediend op bedrijfseconomische omstandigheden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het UWV deze grond na verweer van [partij Y] heeft onderzocht en heeft geaccepteerd. [Partij Y] heeft nog tegengeworpen dat hij tot heden steeds heeft kunnen werken voor [partij X], maar dat argument is te licht. [Partij Y] heeft erkend dat hij ook andere dan zijn gebruikelijke werkzaamheden heeft verricht, zoals constructieschilderwerk. Bovendien gaat het om de orderportefeuille. Het UWV heeft die onderzocht en daar stukken van opgevraagd. [Partij Y] heeft niet gesteld dat [partij X] het UWV een vals beeld heeft gegeven en daarvan is ook niets gebleken. Daarom volgt de kantonrechter het oordeel van het UWV, inhoudende dat [partij X] kampt met een structurele werkvermindering en dat er niet is gebleken van een structurele arbeidsplaats voor [partij Y].

4.4. Het UWV heeft voorts getoetst of herplaatsing mogelijk is en of het afspiegelings-beginsel is nageleefd. Op deze punten heeft [partij Y] geen kritiek. De bedrijfseconomische grond is de reële en werkelijke grond waarom [partij X] het dienstverband wil opzeggen. Naar het oordeel van de kantonrechter is door een en ander weerlegd dat er verband zou zijn met het voormalige lidmaatschap van [partij Y] van de ondernemingsraad. Weliswaar heeft [partij Y] eerst het voorzitterschap en daarna het lidmaatschap van de ondernemingsraad moeten neerleggen mede als gevolg van sterke druk van de directeur van [partij X], maar dat is niet de reden waarom [partij X] thans het dienstverband wil opzeggen. Daarom zal de gevraagde toestemming aan [partij X] verleend worden. Daartegen staat geen gewoon rechtsmiddel open.

5.1. Het tegenverzoek van [partij Y] is in ieder geval ontvankelijk, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt. Dat is ook af te leiden uit de uitspraak van de Hoge Raad. Hij heeft daarbij echter tevens (onder 3.3.) overwogen:

“De opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft in beginsel tot gevolg dat de arbeidsover-eenkomst eindigt met ingang van de datum waartegen is opgezegd. De arbeidsovereenkomst duurt derhalve voort tot die datum, hetgeen meebrengt dat deze tot die datum nog ontbonden kan worden op de voet van art. 7:685 BW, indien daartoe grond bestaat. Nu echter de arbeidsovereenkomst als gevolg van de opzegging nog maar een beperkte looptijd heeft, zal de ontbinding slechts voor die beperkte looptijd effect (kunnen) hebben. Dit brengt mee dat voor de toewijsbaarheid van een desbetreffend, op verandering in de omstandigheden gegrond verzoek van de werknemer bepalend is of sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd, behoort te eindigen, en dat ook de ontbindingsvergoeding van art. 7:685 lid 8 bepaald moet worden met inachtneming van het uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst reeds is beëindigd met ingang van de datum waartegen is opgezegd.”

5.2. De kantonrechter volgt deze uitspraak. De opzegtermijn is hier één maand. In dit geval is de arbeidsovereenkomst nog niet opgezegd, maar aangenomen mag worden dat [partij X] dat met de heden verleende toestemming onverwijld zal doen. Daarvan uitgaande zal de arbeidsovereenkomst nog tot 31 maart 2010 voortduren. De vraag is of er een zodanige verandering van omstandigheden is dat de arbeidsovereenkomst op een nog eerder tijdstip behoort te eindigen.

5.3. [Partij Y] heeft aangevoerd dat [partij X] jegens hem verwijtbaar heeft gehandeld door hem nimmer enige vergoeding aan te bieden en geen herplaatsingsinspanningen te doen. [Partij Y] acht het evident dat een vertrouwensbreuk is ontstaan mede als gevolg van het lidmaatschap van de ondernemingsraad. Al deze argumenten falen. Niet althans onvoldoende bestreden is dat herplaatsing niet mogelijk is, zodat [partij X] niet kan worden verweten zich daarvoor niet te hebben ingespannen. Overigens heeft [partij Y] vanwege het 26 weken-beding voorrang wanneer de orderportefeuille van [partij X] in de komende tijd toch beter gevuld raakt.

5.4. [Partij Y] gaat er kennelijk van uit dat de werkgever altijd verplicht is een beëindigingsvergoeding aan te bieden, maar deze opvatting is onjuist. Het niet aanbieden van zo’n vergoeding is op zich geen grond om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Tenslotte kan niet worden aangenomen dat er een vertrouwensbreuk is ontstaan mede als gevolg van het lidmaatschap van de ondernemingsraad. Weliswaar zijn er spanningen geweest, waardoor [partij Y] zich gedwongen zag zijn lidmaatschap van de ondernemings-raad op te geven, maar het dienstverband heeft deze spanningen overleefd. Sindsdien heeft [partij Y] ruim meer dan een jaar als huisschilder gefunctioneerd. Een vertrouwensbreuk is niet aannemelijk gemaakt. Wellicht wenst [partij Y] niet langer in dienst te blijven, omdat [partij X] hem geen vergoeding aanbiedt, maar dat moet geheel voor zijn rekening blijven en is geen reden voor ontbinding.

6. Gelet op het voorgaande moet het tegenverzoek tot ontbinding worden afgewezen. Partijen hebben beide in hun verzoekschriften geen kostenveroordeling verzocht. [Partij X] heeft in het verweerschrift op het tegenverzoek verzocht over de kosten rechtens te beslissen. Er is geen aanleiding om af te wijken van het beleid om in ontbindingszaken de proceskosten te verdelen in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen. Er is ten aanzien van het verzoek van [partij X] voorts geen aanleiding om ambtshalve een veroordeling in de proceskosten uit te spreken.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

verleent [partij X] toestemming om de arbeidsovereenkomst met [partij Y] op te zeggen;

wijst af het verzoek van [partij Y] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten moet dragen van de procedure van het tegenverzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.