Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BL5297

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
Awb 09/328
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag ogv WMO in 2008 voor verhuis/inrichtingskosten die daar voor zijn gemaakt. Medische indicatie om te verhuizen? art. 2 WMO-Vo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/328

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam],

wonende te [plaats],

eiseres,

gemachtigde A.W. Keijzer,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen,

te Tholen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2009, verzonden 17 april 2009, heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit om eiseres niet in aanmerking te brengen voor verhuis- en inrichtingskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 26 november 2009 behandeld ter zitting. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde A.W. Keijzer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde E.G. Ruikes-Van der Ploeg, ambtenaar van de gemeente.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2 van de Verordening WMO gemeente Tholen (verder: de Verordening) kan een voorziening slechts worden toegekend voorzover deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van andere mensen en op basis daarvan aangaan en onderhouden van sociale verbanden op te heffen of te verminderen. Geen voorziening wordt toegekend voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Verordening kan een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.

Ingevolge artikel 20 onder a. wordt de aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk geweigerd indien de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was.

2. Eiseres is na operaties aan haar knie in 2004 verhuisd van [plaats 1] naar een aanleunwoning in het zorgcentrum [naam 1] te [plaats 2]. In verband met de afbraak van die woningen is eiseres verhuisd naar een tijdelijke woonvoorziening [naam 2]. Na voltooiing van de nieuwe woningen is eiseres weer verhuisd naar het zorgcentrum [naam 1]. Eiseres heeft op 15 september 2008 een aanvraag ingediend voor verhuis- en inrichtingskosten op grond van de Wmo in verband met voormelde verhuizingen.

3. Bij besluit van 14 oktober 2008, verzonden 16 oktober 2008, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op het advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Uit dit advies blijkt dat geen sprake is van een acute medische problematiek waardoor zij belemmeringen ondervindt in de woning die het normale gebruik van de woning onmogelijk maken. Het CIZ acht geen indicatie voor verhuizen aanwezig.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag van eiseres gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat niet meer te beoordelen is of eiseres in 2004 een indicatie had om te verhuizen van de bejaardenwoning te [plaats 1] naar zorgcentrum [naam 1]. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat deze afwijzing is gebaseerd op artikel 2, lid 1, onder f, van de Verordening. Voorts heeft verweerder overwogen dat de twee nadien volgende verhuizingen niet hebben plaatsgevonden op grond van belemmeringen die de woonruimte veroorzaakte, zodat op grond van artikel 20 van de Verordening evenmin voor deze verhuizingen een kostenvergoeding kan worden verstrekt.

5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij geen andere keuze had dan om te verhuizen naar het zorgcentrum [naam 1]. Zij verwijst in dit verband naar de door haar overgelegde de brief van Zorgkantoor Zeeland van 26 juli 2005. Na haar dubbele knie-operatie kon zij niet meer in haar huis te [plaats 1] blijven. Bij haar tijdelijke verhuizing naar [naam 2] is zij helaas akkoord gegaan met de door de Woningstichting Castria gestelde voorwaarde dat verhuiskosten voor eigen rekening zijn. Haar drie verhuizingen hebben samen ongeveer

€ 8.000,- gekost.

6. De rechtbank overweegt dat de bepaling in artikel 2 van de Verordening – dat geen voorziening wordt toegekend voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt – als achterliggende gedachte heeft dat in de situatie waarin de kosten reeds zijn gemaakt de noodzaak tot het maken van die kosten niet meer kan worden vastgesteld.

In het onderwerpelijke geval worden partijen verdeeld gehouden over de vraag of eiseres in 2004 een medische indicatie had om te verhuizen.

Vaststaat dat eiseres in 2004 geen aanvraag voor een verhuiskostenvergoeding heeft gedaan op grond van de Wet Voorzieningen Gehandicapten.

Naar het oordeel van de rechtbank geeft de door eiseres overgelegde brief van het Zorgkantoor Zeeland van 26 juli 2005 onvoldoende duidelijkheid over de vraag of sprake was van een medische indicatie voor de verhuizing. Weliswaar wordt vastgesteld dat een terugkeer van eiseres naar de thuissituatie niet meer mogelijk is en dat het verblijf van eiseres in voormeld zorgcentrum duurzaam van aard zal zijn, doch de brief is afkomstig van de teamleider Administratie en heeft betrekking op het vaststellen van de eigen bijdrage. In aanmerking nemende voorts dat eiseres in [plaats 1] reeds een ouderenwoning bewoonde kan op basis van deze brief niet worden beoordeeld of eiseres een medische indicatie had om te verhuizen.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder onder deze omstandigheden artikel 2 van de Verordening aan de afwijzing ten grondslag kon leggen.

7. De kosten die eiseres heeft gemaakt bij haar tweede en derde verhuizing vloeien naar het oordeel van de rechtbank niet voort uit een oorzaak gelegen in belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek. Verweerder heeft aan deze afwijzingen terecht artikel 20 van de Verordening ten grondslag gelegd.

8. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat voor toepassing van de hardheidheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is. Daarbij heeft verweerder gewezen op gevallen waarin voor een kleine groep speciale zorg nodig is en waarvoor door verandering van wetgeving geen andere mogelijkheid rest dan een beroep op de Wmo. De rechtbank acht hiermee genoegzaam uiteengezet dat in het geval van eiseres geen aanleiding bestaat voor het toepassen van die clausule.

9. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een kostenveroordeling.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Dijkman, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier en op 18 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 18 februari 2010