Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BL2162

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
Awb 09/366
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO; voorziening niet-adequaat; resultaatverplichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/366

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[Naam],

wonende te [Woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. P.W. Bakkum, advocaat te Zierikzee,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland,

te Zierikzee,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) om een stallingsmogelijkheid voor haar scootmobiel afgewezen en tevens de eerder toegekende vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel, onder toekenning van een regio-taxipas, beëindigd met ingang van 15 maart 2009.

Bij besluit van 5 mei 2009 heeft verweerder het hier tegen ingediende bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 21 oktober 2009 behandeld ter zitting. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Ingevolge het tweede lid van artikel 4 houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo, stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wmo vermeldt de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het in het eerste lid gestelde van overeenkomstige toepassing op een besluit op bezwaar.

Ter uitvoering van de Wmo heeft de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland de verordening "Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen- Duiveland 2007." (verder: de Verordening) vastgesteld, welke op 1 januari 2007 in werking is getreden.

In artikel 2 van de Verordening is bepaald dat een voorziening, voor zover hier van belang, slechts kan worden toegekend voorzover

(a) deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het

huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per

vervoermiddel en bij het ontmoeten van andere mensen en op basis daarvan aangaan en

onderhouden van sociale verbanden op te heffen of te verminderen,

(b) deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst-adequate voorziening kan worden aangemerkt,

(c) deze in overwegende mate op het individu is gericht.

Ingevolge artikel 26 van de Verordening – voor zover hier van belang - kan de door het college te verstrekken rolstoelvoorziening, ter compensatie van beperkingen die de aanvrager ondervindt bij het zich in en om de woning verplaatsen, dan wel voor sportbeoefening te

verstrekken voorziening bestaan uit:

a. het verstrekken van een rolstoelvoorziening in natura voor verplaatsing binnen-, dan wel

voor verplaatsing binnen en buiten de woonruimte, dan wel een aanpassingen, onderhoud,

gebruik, reparatie en accessoires (voor zover niet algemeen gebruikelijk gekwalificeerd);

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Verordening kan een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 5 en 6 van de wet voor de in artikel 26, onder a. en b. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek meerdere malen per week/dagelijks zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Verordening kan het college een beschikking genomen op grond van deze verordening geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;

b. op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.

2. Eiseres heeft bij verweerder in het kader van de Wmo een aanvraag ingediend voor een stallingsmogelijkheid van haar scootmobiel.

3. Bij besluit van 2 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen en tevens de eerder toegekende vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel, onder toekenning van een regio-taxipas, beëindigd met ingang van 15 maart 2009.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan eiseres toegekende vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel niet meer als passend kan worden beschouwd omdat eiseres deze niet meer veilig kan besturen en dat deze voorziening daarom dient te worden beëindigd. De noodzaak voor het aanbrengen voor een stalling acht verweerder hierdoor niet meer aanwezig. Een indicatie voor de verstrekking van een regio-taxi acht verweerder wel aanwezig. Verweerder heeft bij het bestreden besluit zijn standpunt gehandhaafd.

4. Eiseres bestrijdt dat zij niet meer in staat zou zijn om een scootmobiel te besturen. Eiseres heeft daarbij verwezen naar de bevindingen van de keuringsarts. Extra rijlessen zouden volgens eiseres een oplossing naderbij brengen.

5. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres zich richt tegen de intrekking van de eerder aan eiseres toegekende vervoersvoorziening. Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening kan het college een eerder toegekende voorziening intrekken indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij de Verordening.

In artikel 2 van de Verordening is onder andere bepaald dat een voorziening adequaat dient te zijn. Nu verweerder zich op het standpunt stelt dat de toegekende voorziening niet langer adequaat is, dient te worden geconcludeerd dat verweerder op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 38 een bevoegdheid heeft tot intrekking.

6. Ten aanzien van de vraag of verweerder bevoegd was om tot intrekking over te gaan overweegt de rechtbank het volgende.

7. Uit de stukken blijkt dat aan eiseres op 28 augustus 2001 een vervoersvoorziening is toegekend in de vorm van een scootmobiel. Tot juni 2007 is de verstrekking van deze voorziening verschillende malen onderbroken geweest. Uit die periode is onder meer bekend dat eiseres in mei 2007 met haar scootmobiel te water is geraakt. Bij beschikking van 27 september 2007 is aan eiseres, na een beoordeling van de rijgeschiktheid, opnieuw een scootmobiel toegekend. Vanaf 1 oktober 2007 heeft eiseres regelmatig over het functioneren van de scootmobiel geklaagd. Aan eiseres is een huisbezoek gebracht ten einde de mogelijkheden van een betere stalling te bezien. Daarbij is vastgesteld dat de problemen met de de scootmobiel niet alleen verband hielden met de wijze van stalling maar evenzeer met verkeerd gebruik.

8. Bij brief van 7 augustus 2008 heeft verweerder met eiseres een afspraak gemaakt voor het volgen van drie lessen om met de scootmobiel te leren omgaan, zowel voor wat betreft rijvaardigheid als wat betreft onderhoud.

9. Uit de hierover opgestelde rapportages van ergotherapeute S. Meijboom van het Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio van augustus, september en oktober 2008 blijkt dat de rijvaardigheid van eiseres als matig tot slecht wordt beoordeeld. Als matig wordt beoordeeld het inzicht in de omvang van de voorziening, kennis van de bediening, oplader aansluiten, tijdig snelheid opvoeren en afremmen, rijden buitenshuis (in directe omgeving), trottoir op en af, parkeren in de stalling en concentratie bij het rijden. Als slecht wordt beoordeeld in- en uitstappen, het gebruik van spiegels, obstakels ontwijken, in- en uitrijden van de stalling, reactie bij onverwachte situaties.

10. Verder is door R.V. Braber van Argonaut Advies BV op 22 januari 2009 advies uitgebracht over de (medische) geschiktheid van eiseres om zich per scootmobiel te verplaatsen. Deze arts is tot de bevinding gekomen dat eiseres, gezien de geconstateerde gezichtsveldbeperking aan haar rechterzijde maar vooral aan haar linkerzijde, het ontbreken van ieder ziekte-inzicht, het ontkennend gedrag ten aanzien van haar tekortkomingen en het zeer trage handelingstempo, niet in staat is veilig met een scootmobiel aan het verkeer deel te nemen.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich heeft kunnen baseren op de bevindingen van ergotherapeute S. Meijboom en arts R.V. Braber van Argonaut Advies BV. Eiseres heeft geen twijfel kunnen zaaien over de juistheid van deze bevindingen. In dit verband overweegt de rechtbank dat de door eiseres overgelegde verklaring van de door haar geraadpleegde arts R.A.W.M. Pessers vermeldt dat de visus van eiseres wel voldoende is om een voertuig te besturen, maar dat in deze verklaring eveneens wordt vermeld dat eiseres ten gevolge van een CVA niet in staat is op veilige wijze een gemotoriseerd voertuig te besturen. Deze conclusie is niet in tegenspraak met de conclusie van de door verweerder geraadpleegde adviseurs. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het voor het op een juiste wijze omgaan met een scootmobiel niet alleen noodzakelijk is dat de visus voldoende is, maar dat ook andere bekwaamheden zijn vereist.

12. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat een scootmobiel niet langer een adequate voorziening voor eiseres was. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder bevoegd was tot intrekking van de aan eiseres toegekende voorziening. Ten aanzien van de vraag of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt overweegt de rechtbank het volgende.

13. Ter zitting heeft eiseres de suggestie gedaan om haar, alvorens tot intrekking over te gaan, extra rijlessen te geven. De rechtbank acht dit geen reële mogelijkheid, mede gelet op het feit dat eiseres reeds in het kader van de bezwaarprocedure de mogelijkheid is gegeven om extra rijlessen te volgen. Eiseres heeft in dit kader rijlessen gevolgd bij de ergotherapeute van Allévo, die heeft geconcludeerd dat eiseres gevaarlijk rijdt en die heeft gesteld dat het niet langer verantwoord is om eiseres met een scootmobiel aan het verkeer te laten deelnemen.

14. De rechtbank overweegt vervolgens dat in de situatie van eiseres niet in geding is dat zij, gelet op haar beperkingen, is aangewezen op een individuele vervoersvoorziening. Weliswaar heeft verweerder eiseres bij de intrekking van de vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel een regio-taxipas verstrekt, maar een dergelijke pas betreft een algemene vervoersvoorziening en biedt geen oplossing voor de door eiseres ondervonden problemen bij het vervoer over korte afstand en het “onder de mensen” komen. Uit de stukken – een ook ter zitting is dit niet duidelijk geworden – blijkt niet dat verweerder heeft onderzocht of en hoe eiseres zou kunnen worden gecompenseerd, hetgeen de rechtbank in strijd acht met de zorgvuldigheid. In dit verband wijst de rechtbank nog op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008, LJN: BG6612, waarin wordt overwogen dat de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo vastgelegde compensatieplicht meebrengt dat op verweerder een resultaatsverplichting rust om eiseres te compenseren in de door haar bij haar vervoersbehoefte ondervonden beperkingen.

15. Gelet op het vorenoverwogene komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep van eiseres dient gegrond verklaard te worden.

16. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 322,- uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van één proceshandeling, bestaande uit het bijstaan van eiseres ter zitting.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op

€ 322,- (driehonderdtweeëntwintig euro), te betalen door verweerder aan eiseres;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Dijkman, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier en op 4 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 4 februari 2010.