Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BL1937

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
178295
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asbestzaak. SVB heeft zich na een TAS-uitkering de vorderingen van de overleden werknemer en zijn nabestaanden ex artt. 6:106, 6:107 en 6:108 BW laten cederen. Deze cessie heeft echter geen rechtsgevolg voor de immateriële schade, aangezien die ex art. 6:106, lid 2, BW niet vatbaar is voor overgang, behoudens uitzonderingen die zich hier niet voordoen. SVB wordt verzocht de concrete materiële schade met verzekeringsuitkeringen op te geven. Appel opengesteld.

Zie ook incidenteel vonnis in deze zaak d.d. 28 sept. 2009.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Burgerlijk Wetboek Boek 6 107
Burgerlijk Wetboek Boek 6 108
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

zaak/rolnr.: [in]78295 / 09-63 blad 2

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

[Zaaknummer] [Rolnummer]

Locatie Middelburg

zaak/rolnr.: 178295 / 09-63

vonnis van de kantonrechter d.d. 1 februari 2010

in de zaak van

de rechtspersoon naar publiek recht

Sociale Verzekeringsbank,

gevestigd te Amstelveen,

eisende partij,

verder te noemen: SVB,

gemachtigde: mr. L.E.M. Charlier,

t e g e n :

de besloten vennootschap

Koninklijke Schelde Groep,

gevestigd te Vlissingen,

gedaagde partij,

verder te noemen: De Schelde,

gemachtigde: mr. G.C. Endedijk.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 24 december 2008,

- conclusie van antwoord,

- conclusie van repliek, houdende een incidentele vordering ex artt. 843a jo. 22 Rv.,

- conclusie van antwoord in het incident,

- akte, houdende producties in het incident.

- incidenteel vonnis d.d. 28 september 2009,

- akte overlegging producties van De Schelde,

- conclusie van dupliek,

- akte en antwoordakte.

de beoordeling van de zaak

1.1. [Partij A], geboren [in] 1934, is [6 jaar] bij de Schelde in loondienst geweest als timmerman/scheepsbeschieter. [In] 2004 heeft de longarts L.O.M. Kerkhofs bij hem een kwaadaardig mesothelioom geconstateerd. [Partij A] is [in] 2004 overleden. Voordien, bij brief van [medio] 2004, heeft [partij A] zelf De Schelde aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade van deze ziekte. Daarbij heeft hij meegedeeld tijdens zijn werkzaamheden voor De Schelde regelmatig te zijn blootgesteld aan asbest, onder meer door het zagen van asbestplaten.

1.2. [Partij A] heeft [medio] 2004 bij het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) een aanvraag tot bemiddeling ingediend. Het IAS heeft een arbeidshistorisch onderzoek verricht naar de blootstelling van [partij A] aan asbest bij De Schelde. Het IAS heeft daarvan een rapport opgemaakt, dat [medio] 2004 is ondertekend. Vanwege de gezondheids-toestand van [partij A] is informatie verstrekt door zijn [contactpersoon].

1.3. Bij beschikking van 29 oktober 2004 heeft SVB op basis van de regeling TAS aan de weduwe van [partij A] een netto uitkering toegekend ad € 16.376,- en vervolgens uitbetaald. Het IAS heeft bij brief van [eind] 2004 Allianz, de verzekeraar van De Schelde, aansprakelijk gesteld. Allianz heeft zich beroepen op verjaring.

1.4. Bij onderhandse akte, ondertekend [in] november 2008 en [in december] 2008, hebben de erven van [partij A] aan SVB overgedragen hun vordering op De Schelde tot vergoeding van schade wegens asbestblootstelling van [partij A] gedurende zijn dienstbetrekking bij De Schelde, bestaande uit door [partij A] zelf geleden schade ex artt. 6:106 en 6:107 BW, alsook de schade van de erven ex art. 6:108 BW.

2.1. SVB heeft gevorderd voor recht te verklaren dat De Schelde aansprakelijk is voor de door [partij A] en zijn erven geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel. SVB heeft voorts betaling van een voorschot ad € 53.597,00 gevorderd met schadevergoeding op te maken bij staat met de wettelijke rente vanaf de dag van de diagnose, te weten [begin] 2005.

2.2. De Schelde heeft zich ook in dit geding beroepen op verjaring. SVB heeft betoogd dat dit beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Schelde heeft voorts onder meer aangevoerd:

Het is niet juist dat er maar één bekende oorzaak is van mesothelioom, te weten blootstelling aan asbestvezels. Van de mesothelioomgevallen is 80 à 85 % door asbestvezels veroorzaakt, maar van de resterende 15 à 20 % wordt vrijwel nooit een oorzaak gevonden. De Schelde kan niet als juist aanvaarden dat [partij A] inderdaad aan de ziekte mesothelioom is komen te overlijden.

[Partij A] zal moeten bewijzen dat hij uitsluitend tijdens zijn dienstverband voor De Schelde aan asbest is blootgesteld geweest. De juistheid van het arbeidshistorisch rapport van het IAS wordt betwist. De informatie voor dat rapport komt niet van [partij A] zelf, maar van [zijn contactpersoon]. SVB dient te bewijzen dat schade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden voor De Schelde en kan in dat bewijs niet slagen. Betwist wordt dat [partij A] tijdens zijn dienstverband bij De Schelde is blootgesteld geweest aan asbest, zoals door SVB gesteld. Deze stelling is slechts afkomstig van [partij A] zelf. SVB heeft hierover te weinig gesteld. [Partij A] kan tijdens werkzaamheden ná zijn dienstverband bij De Schelde blootgesteld zijn geweest aan asbest, met name tijdens zijn werkzaamheden in de bouw gedurende vele jaren. Betwist wordt dat De Schelde haar zorgplicht heeft geschonden.

cessie

3.1. De Schelde heeft betwist dat door de cessie de vordering van de erven is overgegaan in het vermogen van SVB. Volgens De Schelde dient SVB opheldering te verschaffen over de hoedanigheid waarin zij optreedt. SVB heeft dat echter voldoende gedaan door de onderhandse akte van cessie in het geding te brengen.

3.2. Maar De Schelde heeft ook een beroep gedaan op art. 6:102, lid 2, BW. De cessie heeft inderdaad niet volledig effect. Voor zijn overlijden heeft [partij A] De Schelde nog aansprakelijk gesteld bij de brief van [medio] 2004. Voor de overgang onder algemene titel op zijn erfgenamen van zijn vordering op de Schelde tot vergoeding van immateriële schade was deze brief toereikend. Maar voor de daarop volgende overdracht door de erven [partij A] aan SVB gelden ex art. 6:106, lid 2, eerste volzin, BW strengere eisen. SVB heeft niet gesteld dat [partij A] reeds voor zijn overlijden een vordering in rechte heeft ingesteld of met De Schelde een (vaststellings)overeenkomst is aangegaan. Daarvan is ook niet gebleken, zodat aangenomen wordt dat de uitzondering van art. 6:106, lid 2, BW zich hier niet voordoet. Het recht op immateriële schadevergoeding is een zeer persoonlijk recht en daarom sluit de voormelde wetsbepaling overgang van de vordering terzake uit. Omdat moet worden aangenomen dat in dit geval de uitzondering van de voormelde wetsbepaling niet van toepassing is, is de conclusie dat de cessie geen effect heeft, wat betreft de vordering tot vergoeding van immateriële schade van [partij A] zelf ex art. 6:106 BW.

schadestaat?

4.1. Met andere woorden: de cessie heeft slechts effect wat betreft materiële schade van [partij A] zelf en de schade ex art. 6:107 BW en ex art. 6:108 BW van de erven [partij A]. Het is De Schelde niet duidelijk waarom de omvang van deze schade niet bepaald, of althans geschat zou kunnen worden. De kantonrechter deelt dit bezwaar. SVB heeft melding gemaakt van begrafeniskosten, verzorgingskosten en behoeftigheidsschade. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat er een actuariële berekening nodig zou zijn voor bovennormatieve schade. (SVB refereert aan normen en forfaitaire bedragen van het Convenant Asbestslachtoffers.) SVB maakt melding van concrete schadeposten, die naar het voorlopig inzicht van de kantonrechter reeds lang bekend moeten zijn, of in ieder geval begroot moeten kunnen worden. Ook uitkeringen van begrafenisverzekeringen en/of andere levensverzekeringen moeten bekend zijn.

4.2. SVB acht een discussie over de omvang van de schade eerst opportuun, wanneer de omvangrijke discussies over aansprakelijkheid en verjaring zijn beslist. Maar nu een belangrijk onderdeel van de schadeclaim, de immateriële schade van [partij A] zelf, niet in het vermogen van SVB is overgegaan, komt de discussie over de vraag of verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, in een ander daglicht te staan. Het eerste gezichtspunt van het arrest [partij Z]-De Schelde HR 28 april 2000, NJ 2001,431, maakt uitdrukkelijk onderscheid tussen materiële en immateriële schade. Alle omstandig-heden moeten in aanmerking worden genomen. De kantonrechter wenst daarom eerst inzicht te hebben in de omvang van de schadevorderingen die wel aan SVB zijn overgedragen, alsook in de aanspraken op uitkering uit anderen hoofde van [partij A] en zijn nabestaanden terzake van die schade (tweede gezichtspunt arrest [partij Z]-De Schelde).

4.3. Overeenkomstig haar aanbod (punt 360 cvr) wordt SVB verzocht een volledige berekening van de voormelde schade en uitkeringen in het geding te brengen. De Schelde mag reageren. [Partij A] was bij overlijden 70 jaar oud. Schade van gederfd levens-onderhoud in de zin van art. 6:108 BW lijkt vooralsnog niet aan de orde te zijn. De kanton-rechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de schadeclaim zonder het bestanddeel van de immateriële schade van [partij A] zelf, bescheiden van omvang zal zijn. In verband hiermee acht de kantonrechter het opportuun om hoger beroep tegen dit tussenvonnis open te stellen.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

verwijst deze zaak naar de rolzitting van maandag 1 maart 2010 te 10.00 uur, opdat SVB zich bij akte omtrent de voormelde schade en uitkeringen zal uitlaten, als onder 4.3. overwogen;

bepaalt dat hoger beroep tegen dit vonnis open staat;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.