Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BL1696

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
Awb 10/43
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kampeervergunning;opzegging;strijd met bestemmingsplan;overgangsrecht van toepassing;kampeervergunning ten onrechte wegens strijd met het bestemmingsplan opgezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 10/43 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening)

inzake

[Naam] (verzoekster I),

wonende te [Woonplaats]

en

[Naam] C.V. (verzoekster II),

verzoekers,

gemachtigde mr. M.W. Dieleman, advocaat te Middelburg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2009 heeft verweerder de aan verzoekster I tot wederopzegging verleende kampeervergunning met ingang van het jaar 2010 opgezegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 26 januari 2010 behandeld ter zitting. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W. Dieleman en [Naam], beherend vennoot van verzoekster sub II. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden

mr. U.T. Hoekstra, advocaat te Middelburg, en mevrouw mr. M.J. Spierdijk, ambtenaar der gemeente.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Bij uitspraak van 4 juni 2009 met procedurenummer 08/1024 heeft deze rechtbank geoordeeld dat ter plaatse tot 1 januari 2008 sprake was van een bestaand terrein voor kleinschalig kamperen in de zin van de Verordening kleinschalig kamperen 2008 (hierna: de Verordening), zodat verweerder conform de in 2007 vergunde situatie op grond van de Verordening ambtshalve met ingang van 1 januari 2008 een kampeervergunning tot wederopzegging had moeten verlenen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat de uitspraak formele rechtskracht heeft verkregen.

3. Naar aanleiding van genoemde uitspraak van 4 juni 2009 heeft verweerder bij besluit van

9 juli 2009 aan verzoekster I tot wederopzegging een kampeervergunning als bedoeld in artikel 2 van de Verordening verleend voor het exploiteren van een kleinschalig kampeerterrein op het perceel [adres] te [woonplaats] met maximaal 5 niet-permanente standplaatsen gedurende het kampeerseizoen van 1 maart tot 15 november van ieder jaar. Hiertegen hebben verzoekers beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd.

In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2009 (09/606 en 09/607 vv), tevens oordelend op het tegen het besluit van 9 juni 2009 ingestelde beroep, is - voor zover van belang - het aangevochten besluit vernietigd en is aan verweerder opgedragen verzoekster I te behandelen gedurende het kampeerseizoen 2009 als ware zij in het bezit van een kampeervergunning met maximaal 15 niet-permanente standplaatsen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de aan verzoekster I ambtshalve verleende kampeervergunning met ingang van het jaar 2010 opgezegd. Hiertoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het vergunde kampeerterrein op grond van het bepaalde in sub 48 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 3e herziening’ wordt uitgeoefend in strijd met de vigerende bestemming.

4. Van de zijde van verzoekers is – voor zover van belang en samengevat – betoogd dat ten tijde van het verlenen van de kampeervergunning op 9 juli 2009 de 3e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Veere het vigerende bestemmingsplan was. In de strijdigheid met dit bestemmingsplan heeft verweerder kennelijk geen aanleiding gezien de gevraagde vergunning te weigeren, noch om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 4 juni 2009 (procedurenummer 08/1024). De verleende kampeervergunning is met terugwerkende kracht verleend tot 1 januari 2008. Op dat moment was de 3e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Veere echter nog niet in werking getreden. Dit leidt ertoe dat op grond van het overgangsrecht zoals bepaald in artikel 36 van het bestemmingsplan Buitengebied Veere de exploitatie van de minicamping mag worden voortgezet.

Voorts is van de zijde van verzoekers gewezen op het feit dat de gemeenteraad bij het besluit van 2 september 2008 heeft geweigerd de bestemming Nw te wijzigen in A (agrarische doeleinden), waarbij de gemeenteraad onvoldoende op de hoogte is gesteld van eerder - in het kader van de ruilverkaveling in 2003, waarbij verzoekster I door een ruil op verzoek van Staatsbosbeheer in het bezit is gekomen van het betrokken stuk grond - met verweerder ter zake gemaakte afspraken.

5. Van de zijde van verweerder is – voor zover in aanvulling op het bestreden besluit van belang – ter zitting primair betoogd dat verzoekster II niet rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken is en mitsdien niet-ontvankelijk is in haar bezwaar.

Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat in de 3e herziening overgangsrecht ontbreekt. Van de zijde van verweerder wordt toegegeven dat in 2006 onvoldoende is onderkend dat de natuurbestemming en de ecologische hoofdstructuur exploitatie van een minicamping ter plaatse onwenselijk maken.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

6. In navolging van de uitspraak van deze rechtbank met procedurenummer 09/965 van

28 januari 2010, waarin het Uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 17 december 2009 is beoordeeld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster II als exploitante van de minicamping een rechtens te respecteren belang heeft bij het bestreden besluit.

7. In tegenstelling tot wat partijen menen moet in dit geschil niet 1 januari 2008 als peildatum worden aangenomen, maar 26 juni 2007, zijnde de datum waarop de 2e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Veere rechtskracht heeft verkregen. Immers, bij uitspraak 08/1024 heeft de rechtbank bepaald dat er tot 1 januari 2008 (de datum van vervallen van de Wet op de openluchtrecreatie), en derhalve op het moment dat de 2e herziening rechtskracht verkreeg, ter plaatse sprake was van een bestaand terrein voor kleinschalig kamperen.

De minicamping van verzoekers is gesitueerd op gronden met de gecombineerde bestemming Nw/Rd. Gronden met de bestemming Nw zijn bestemd voor het behoud en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en tevens voor waternatuur alsmede waterbeheersing. Gronden met de bestemming Rd zijn bestemd voor dagrecreatieve voorzieningen. De gronden met de bestemming Nw/Rd grenzen aan een bebouwingsvlak met de bestemming agrarische doeleinden (A).

Ingevolge het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van de 2e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Veere is het verboden de in dit plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming en/of deze voorschriften.

Ingevolge het bepaalde in artikel 35, vierde lid, aanhef en onder e, wordt onder strijdig gebruik – voor zover van belang – niet verstaan het geplaatst hebben van maximaal 15 kampeermiddelen gedurende de periode van 15 maart tot 31 oktober op of in aansluiting op een bebouwingsvlak met de bestemming Agrarische doeleinden, al dan niet voorzien van een subbestemming.

Artikel 36, eerste lid, van de 2e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Veere bepaalt dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt mag worden voortgezet.

8. Gelet op de vaststelling in rechtsoverweging 7 dat als peildatum voor het hebben van een bestaand terrein voor kleinschalig kamperen moet worden uitgegaan van de datum 26 juni 2007, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de in artikel 36 van de 2e herziening van het bestemmingsplan neergelegde overgangsbepaling ten aanzien van het strijdige gebruik van het betrokken perceel van toepassing is.

Dat betekent dat de feitelijke situatie zoals deze gold vóór het in werking treden van de 3e herziening op grond van het overgangsrecht wordt beschermd, zodat er geen sprake is van strijd met de 3e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Veere. Dit betekent dat strijd met het bestemmingsplan niet ten grondslag kan worden gelegd aan het besluit tot opzegging van de kampeervergunning. Het besluit heeft dan ook een onjuiste feitelijke grondslag.

9. De voorzieningenrechter is gezien het vorenstaande voorshands van oordeel dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar geen stand zal houden. In de gestelde schade en het feit dat het kampeerseizoen op 1 maart 2010 begint, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het bestreden besluit te schorsen en het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen in die zin dat verweerder wordt opgedragen verzoekster I te behandelen als ware zij in het bezit van een kampeervergunning voor maximaal 15 niet-permanente standplaatsen gedurende het kampeerseizoen 2010.

10. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 874,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

11. [Naam] heeft als beherend vennoot van verzoekster II een formulier proceskosten overgelegd en de voorzieningenrechter verzocht verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte verletkosten à € 270,-. Gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. De voorzieningenrechter acht deze kosten voorts niet onredelijk en zal bepalen dat verweerder deze kosten dient te vergoeden. De proceskosten komen daarmee op een totaal van € 874,00 + € 270,00 =

€ 1.144,00.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

schorst het besluit van 30 november 2009;

draagt verweerder op verzoekster [Naam] gedurende het kampeerseizoen 2010 te behandelen als ware zij in het bezit van een kampeervergunning als bedoeld in artikel 2 van de Verordening kleinschalig kamperen 2008 op het perceel [adres] te [woonplaats] met maximaal 15 niet-permanente standplaatsen;

bepaalt dat de gemeente Veere aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op € 1.144,00 (elfhonderdenvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Veere aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier en op 29 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Griffier, Voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op: 29 januari 2010