Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BL1009

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
28-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
Awb 09/965
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO8335, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontvankelijkheid van derde-belanghebbende in bezwaar; eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aangetoond een afzonderlijk, van vergunninghoudster te onderscheiden, belang te hebben bij het besluit van verweerder van 31 oktober 2006. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/965

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[Naam] C.V. (voorheen de commanditaire vennootschap [Naam] C.V.),

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. M.W. Dieleman (advocaat te Middelburg),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere,

verweerder.

I. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van 28 oktober 2009.

Het beroep is op 17 december 2009 behandeld ter zitting. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [Naam], bijgestaan door genoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. U.T. Hoekstra, advocaat te Middelburg.

II. Overwegingen

1. Verweerder heeft [Naam], wonende te [woonplaats], bij besluit van 4 april 2006 een tijdelijke ontheffing verleend voor het exploiteren van een minicamping van vijf kampeereenheden aan de [adres] te [woonplaats]. Bij brief van 29 augustus 2006 is toestemming gevraagd de minicamping te mogen uitbreiden tot 15 kampeereenheden. Verweerder heeft op 31 oktober 2006 besloten in principe in te stemmen met het verzoek om uitbreiding van de minicamping. Hierbij heeft verweerder als voorwaarde opgenomen dat van deze toestemming, evenals van de ontheffing zelf, eerst gebruik kan en mag worden gemaakt als op het perceel een landbouwschuur is gerealiseerd en paardenhouderij-activiteiten worden uitgevoerd. Tegen dit besluit hebben eiseres en [Naam] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 juli 2007 heeft verweerder het bezwaar van [Naam] niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 4 juni 2009 (07/633) heeft deze rechtbank dit besluit vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen. De rechtbank heeft in die uitspraak tevens overwogen dat op het bezwaar van eiseres nog geen besluit is genomen.

2. Bij brief van 3 augustus 2009 heeft [Naam] het bezwaar ingetrokken.

Bij het thans bestreden besluit van 28 oktober 2009 heeft verweerder uitvoering gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank en eiseres niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

3. In beroep is van de zijde van eiseres aangevoerd dat de aanvraag van 29 augustus 2009 afkomstig is van meerdere niet met name genoemde aanvragers. Dit blijkt onder meer uit het in de aanvraag gebezigde woord “men”. Dat de aanvragers niet met name zijn genoemd wordt verklaard door het feit dat in een aan de aanvraag voorafgaand gesprek met verweerders ambtenaar, de heer [Naam], volstrekt helder was gemaakt dat de aanvraag mede zou worden ingediend door eiseres. Beide namen staan voorts vermeld op bijlage 2 bij de aanvraag gevoegde overzichtskaart. Bovendien wordt in de aanvraag verwezen naar de aanvraag die heeft geleid tot de ontheffing van 4 juni 2006, welke aanvraag door [Naam] en eiseres is ingediend.

Eiseres stelt in beroep dat het voor verweerder duidelijk moet zijn geweest dat de aanvraag mede namens haar is ingediend en dat, voor zover er twijfel of onduidelijkheid zou hebben bestaan, het op de weg van verweerder had gelegen om nadere opheldering te vragen.

Voorts wordt betoogd dat het voor eiseres onmogelijk was ter plaatse een minicamping te exploiteren zonder dat hiervoor ontheffing was verleend. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar het procesbelang van eiseres.

Tenslotte wordt door eiseres gewezen op de dagvaarding van de Officier van Justitie in verband met overtreding van de Wet op de Openluchtrecreatie en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 15 juli 2009 waarbij eiseres ontvankelijk is verklaard in haar beroep.

4. Van de zijde van verweerder is gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat het besluit om een tijdelijke ontheffing voor vijf standplaatsen te verlenen is gericht aan [Naam]. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte vast staat. Bij brief d.d. 29 augustus 2006 is een aanvraag voor een ontheffing tot uitbreiding van de betreffende minicamping ingediend. Hierbij is niet door naamsaanduiding aangegeven namens wie de aanvraag werd ingediend, als gevolg waarvan verweerder er naar het oordeel van de rechtbank van uit mocht gaan dat deze aanvraag, in vervolg op de beslissing waarbij de initiële ontheffing is verleend, door [Naam] is ingediend. Dat op de bij de brief gevoegde overzichtskaart ook de naam van eiseres is vermeld en dat in de brief in meervoudsvorm is gesproken, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Verweerder is er dan ook terecht van uit gegaan dat de aanvraag is ingediend door [Naam].

6. Dat de aanvraag niet door eiseres is ingediend wil evenwel niet zeggen dat eiseres daarmee per definitie geen belang heeft bij het bestreden besluit. Immers, ook derde-belanghebbenden kunnen een relevant belang hebben, op grond waarvan zij in hun bezwaar en beroep kunnen worden ontvangen. Verweerder heeft hier in het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht aan besteed. Het besluit is om deze reden dan ook in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel tot stand gekomen en komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

7. De rechtbank zal, ter finale beslechting van het geschil tussen eiseres en verweerder, bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen blijven. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

8. Blijkens het uittreksel uit het Register van de Kamer van Koophandel d.d. 17 december 2009 vallen onder de [Naam] c.v. de volgende ondernemingen:

a. [Naam];

b. [Naam];

c. [Naam].

Als bedrijfsomschrijving is opgenomen: minicamping. Onder de handelsnaam [Naam] wordt uitgeoefend een horecabedrijf, alsmede verhuur van fietsen en kano’s. Onder de handelsnaam [Naam]wordt uitgeoefend een cateringbedrijf.

9. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het Uittreksel van de Kamer van Koophandel op zichzelf worden afgeleid dat eiseres als exploitant van de minicamping een rechtens te respecteren belang heeft bij het bestreden besluit.

Van de zijde van verweerder is ter zitting betoogd dat nu vergunninghoudster en beheerster [Naam] haar bezwaar tegen de onder voorwaarden verleende ontheffing voor de uitbreiding van de minicamping heeft ingetrokken, niet valt in te zien welk belang eiseres als exploitant nog heeft bij het bestreden besluit.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat als gevolg van het enkele feit dat vergunninghoudster haar bezwaar heeft ingetrokken ook eiseres geen belang meer heeft bij het bestreden besluit. Immers, de belangen van de vergunninghoudster en de exploitant hoeven niet gelijkluidend te zijn.

In de onderhavige procedure heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aangetoond een afzonderlijk, van vergunninghoudster te onderscheiden, belang te hebben bij het besluit van verweerder van 31 oktober 2006. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

10. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

11. In het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 28 oktober 2009;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat de gemeente Veere aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,- (tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op

€ 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Veere aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier en op 28 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: 28 januari 2010