Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BL0895

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
65795 / HA ZA 08-606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De feiten

[eiseres] (nader: [eiseres]) verbleef sinds 17 september 2007 in het door SVRZ geëxploiteerde [verzorgingstehuis], een centrum voor zorg en reactivering. [eiseres], die thans 88 jaar oud is, is dement en heeft behoefte aan volledige zorg en ondersteuning.

Bij beschikking van de kantonrechter te Terneuzen van 26 september 2001 is

[mentor van eiseres] benoemd tot mentor over zijn moeder, [eiseres].

Tussen [mentor van eiseres] en zijn zuster [betrokkene 1] enerzijds en SVRZ anderzijds

bestaat al geruime tijd onmin over de verzorging van [eiseres].

Op 21 februari 2009 is [eiseres] op weekendbezoek naar haar dochter te

Westdorpe gegaan. Sedertdien is zij niet meer in [verzorgingstehuis] teruggekeerd.

Bij brief van 2 maart 2009 heeft [mentor van eiseres] onder meer aan SVRZ bericht:

“Zij zal niet eerder terugkomen naar [verzorgingstehuis] dan nadat er een adequate zorg gegarandeerd is, zoals wij die op 1 december overeengekomen zijn, waarbij wij onbeperkt toezicht op haar kunnen houden”

Bij brief van 6 maart 2004 heeft de advocaat van SVRZ aan [mentor van eiseres] geschreven:

“1. Sinds 21 februari 2009 verblijft uw moeder niet langer in [verzorgingstehuis]. Dit betekent dat zij

inmiddels 13 dagen afwezig is. Na zeven dagen afwezigheid vervalt voor cliënte het recht de

kosten voor de zorg voor uw moeder te declareren bij het Zorgkantoor.'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

2

65795 / HA ZA 08-606

27 januari 2010

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

65795 / HA ZA 08-60627 januari 2010

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 65795 / HA ZA 08-606

Vonnis van 27 januari 2010

in de zaak van

[eiseres],

ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar mentor

[[mentor van eiseres],

wonende te Terneuzen,

eiseres,

advocaat: mr. A.H. Rijksen te Middelburg,

tegen

de stichting STICHTING VOOR REGIONALE ZORGVERLENING,

gevestigd te Middelburg,

gedaagde,

advocaat: mw.mr. J.F. Dominicus te Middelburg.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [mentor van eiseres] en SVRZ.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding

de conclusie van antwoord, met producties,

de conclusie van repliek, met productie,

de conclusie van dupliek, met producties,

de akte van [mentor van eiseres], met producties,

de antwoordakte van SVRZ,

het proces-verbaal van de op 10 december 2009 gehouden pleidooizitting en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

De feiten

[eiseres] (nader: [eiseres]) verbleef sinds 17 september 2007 in het door SVRZ geëxploiteerde [verzorgingstehuis], een centrum voor zorg en reactivering. [eiseres], die thans 88 jaar oud is, is dement en heeft behoefte aan volledige zorg en ondersteuning.

Bij beschikking van de kantonrechter te Terneuzen van 26 september 2001 is

[mentor van eiseres] benoemd tot mentor over zijn moeder, [eiseres].

Tussen [mentor van eiseres] en zijn zuster [betrokkene 1] enerzijds en SVRZ anderzijds

bestaat al geruime tijd onmin over de verzorging van [eiseres].

Op 21 februari 2009 is [eiseres] op weekendbezoek naar haar dochter te

Westdorpe gegaan. Sedertdien is zij niet meer in [verzorgingstehuis] teruggekeerd.

Bij brief van 2 maart 2009 heeft [mentor van eiseres] onder meer aan SVRZ bericht:

“Zij zal niet eerder terugkomen naar [verzorgingstehuis] dan nadat er een adequate zorg gegarandeerd is, zoals wij die op 1 december overeengekomen zijn, waarbij wij onbeperkt toezicht op haar kunnen houden”

Bij brief van 6 maart 2004 heeft de advocaat van SVRZ aan [mentor van eiseres] geschreven:

“1. Sinds 21 februari 2009 verblijft uw moeder niet langer in [verzorgingstehuis]. Dit betekent dat zij

inmiddels 13 dagen afwezig is. Na zeven dagen afwezigheid vervalt voor cliënte het recht de

kosten voor de zorg voor uw moeder te declareren bij het Zorgkantoor.

U hebt cliënte op 2 maart j.l. bericht dat uw moeder niet zal terugkeren voordat de zorg overeenkomstig uw wensen wordt verleend en u en uw zuster onbeperkt toezicht op uw moeder kunnen houden. Zoals reeds diverse malen met u besproken, kan cliënte niet aan de door u gestelde eisen voldoen. Uw brief zou dan ook beschouwd kunnen worden als een opzegging van de zorgverleningsovereenkomst van uw kant. Cliënte heeft besloten de brief vooralsnog niet als zodanig te beschouwen. Wel heeft cliënte, in overleg met het zorgkantoor, besloten de plaats voor uw moeder niet langer vrij te houden. Cliënte kampt met een wachtlijst. Nu zij ervan uit mag gaan dat uw moeder gedurende lange tijd niet zal terug zal keren naar [verzorgingstehuis] en zij ook niet langer een vergoeding krijgt voor het ter beschikking stellen van een kamer en het leveren van zorg aan uw moeder, zal cliënte de kamer ter beschikking stellen aan een gegadigde van de wachtlijst. Dit betekent dat ik u door middel van deze brief bericht dat cliënte de zorg aan uw moeder per direct beëindigt.

De spullen van uw moeder kunnen vóór vrijdag 13 maart 2009 tijdens kantooruren worden opgehaald bij [verzorgingstehuis]. Hiervoor dient een afspraak te worden gemaakt met de dienstdoende leidinggevende. Als de spullen van uw moeder niet uiterlijk vrijdag 13 maart a.s. door u zijn opgehaald, zal cliënte ze bij u (laten) bezorgen.

….”.

[mentor van eiseres] heeft de kamer van [eiseres] ontruimd.

Bij brief van 24 maart 2009 heeft de advocaat van SVRZ aan [mentor van eiseres]

medegedeeld:

“In mijn brief d.d. 6 maart jl. berichtte ik u dat uw brief d.d. 2 maart 2009 vooralsnog niet als een opzegging van de zorgverleningsovereenkomst zou worden beschouwd. Inmiddels is uitvoerig overleg gevoerd met het Zorgkantoor. Door het Zorgkantoor is tijdens dit overleg geconcludeerd dat u, door uw moeder mee te nemen uit [verzorgingstehuis] en haar thuis te gaan verzorgen en SVRZ te berichten dat uw moeder niet zal terugkeren tenzij aan uw eisen zal worden voldaan, de zorgverleningsovereenkomst eenzijdig hebt beëindigd. Door middel van deze brief bevestig ik u dan ook deze beëindiging”.

Het geschil

[mentor van eiseres] vordert SRZ bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:

aan hem, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [eiseres], een kopie te verstrekken van het medisch dossier van [eiseres] vanaf 1 januari 2004;

aan hem, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [eiseres], vooraf toestemming te vragen voor het uitvoeren van medische handelingen ten aanzien van [eiseres] en voor het verstrekken van medicijnen aan [eiseres];

de verzorging, verpleging en begeleiding van [eiseres] uit te voeren op de wijze zoals die wordt vastgesteld tussen de wettelijke vertegenwoordiger [mentor van eiseres] en de Stichting;

de geldende beperkingen ten aanzien van bezoek aan [eiseres] door haar dochter op te heffen en te bepalen dat het bezoek zonder beperkingen zal mogen plaatsvinden.

[mentor van eiseres] stelt daartoe – verkort weergegeven – dat hij bij herhaling heeft verzocht om verstrekking van een kopie van het medisch dossier van [eiseres] maar dat SVRZ die afgifte weigert omdat zij – ten onrechte – meent te kunnen volstaan met de dagrapporten die zij verstrekt.

[mentor van eiseres] stelt voorts dat hij SVRZ bij herhaling heeft gevraagd om hem vooraf te consulteren over beslissingen ter zake de medische behandeling van, of verstrekking van medicijnen aan [eiseres]. Stelselmatig wordt hij eerst achteraf, en dan ook nog alleen in het geval hij daar expliciet naar vraagt, door SVRZ geïnformeerd. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 7:456 BW. De verzorging, verpleging en begeleiding van [eiseres] dient plaats te vinden aan de hand van in overleg met [mentor van eiseres] opgestelde zorgplannen. SVRZ stelt die plannen echter zonder overleg met hem op. Het is onjuist dat er met hem niet te overleggen zou zijn. De door hem geuite kritiek op SVRZ is enkel ingegeven door grote zorg over

de wijze waarop zijn moeder wordt verzorgd. SVRZ kan echter niet met dergelijke kritiek omgaan. Op brieven van [mentor van eiseres] reageert zij niet. Bovendien verschuilt zij zich ten onrechte achter het oordeel van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Het rapport van de Nationale Ombudsman bevestigt in de visie van [mentor van eiseres] dat zijn kritiek op de organisatie van SVRZ terecht is. Tot slot stelt [mentor van eiseres] dat SVRZ ten onrechte weigert de door haar in maart 2006 opgelegde beperkingen ten aanzien van het bezoek aan [eiseres] op te heffen. Hij acht dit een ernstige inbreuk op het recht op Family Life van [eiseres]. Voor een dergelijke inbreuk bestaat geen enkele reden.

SVRZ voert verweer. Primair stelt zij dat [mentor van eiseres] geen belang meer heeft bij de door hem verzochte veroordelingen nu aan de zorgverleningsovereenkomst met [eiseres] door opzegging zijdens [eiseres] een einde is gekomen. Subsidiair bestrijdt zij dat zij op enigerlei tekort is geschoten in de nakoming van de zorgverleningsovereenkomst. De vele gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen SVRZ en [mentor van eiseres] hebben niet geleid tot overeenstemming over de verzorging van [eiseres]. [mentor van eiseres] en zijn zuster [betrokkene 1] bleven ontevreden en stelden onhaalbare eisen.

Ten aanzien van de bezoekregeling is tussen partijen in maart 2006 een kort geding gevoerd. Partijen hebben in het kader van die procedure een regeling getroffen voor het bezoek. Die regeling is door de voorzieningenrechter vastgelegd in een vonnis. Naar de mening van de SVRZ bestaat er geen reden die regeling te wijzigen. [mentor van eiseres] heeft ook geen belang bij verstrekking van een kopie van het medisch dossier van [eiseres]. Hij heeft namelijk inzicht in het door haar voor elke patiënt bijgehouden digitale zorgdossier, waarin naast de medische gegevens ook allerlei andere gegevens worden genoteerd. [mentor van eiseres] heeft inzage in dat zorgdossier. Ook ontvangt hij steeds uitdraaien van wijzigingen die in het zorgdossier worden aangebracht.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Ten behoeve van [eiseres] is een mentorschap ingesteld. Tijdens het mentorschap is [eiseres] onbevoegd rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. In de aanhef van de dagvaarding is uitdrukkelijk vermeld dat [eiseres] ten deze wordt vertegenwoordigd door haar mentor [mentor van eiseres]. Uit de formulering van de vorderingen blijkt bovendien dat het [mentor van eiseres] is die – in zijn hoedanigheid van mentor over [eiseres] – de veroordeling van SVRZ vordert. Anders dan SVRZ is de rechtbank dan ook van oordeel dat in dit geval [mentor van eiseres] optreedt als procespartij en niet [eiseres]. Het verweer van SVRZ dat [eiseres] niet ontvankelijk is in haar vorderingen, zal dan ook worden verworpen. De rechtbank zal [mentor van eiseres] hierna overigens aanduiden als [mentor van eiseres] q.q.

4.2. De rechtbank zal nu eerst onderzoeken of [mentor van eiseres] q.q. nog belang heeft bij de door hem ingediende vorderingen. Zonder belang komt hem immers geen rechtsvordering toe (vgl. BW 3:303).

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft [mentor van eiseres] q.q. desgevraagd aan de rechtbank

medegedeeld dat hij ervan uitgaat dat zijn moeder tot haar overlijden bij zijn zuster zal blijven wonen. Met voortzetting van de onderhavige procedure hoopt hij een principe-uitspraak te verkrijgen. Bovendien wil hij daarmee een mogelijkheid open houden voor [eiseres] om terug te keren naar [verzorgingstehuis] in het geval hem en/of zijn zuster iets overkomt waardoor men niet langer zelf voor [eiseres] kan zorgen.

[eiseres] is na het weekendbezoek van 21 februari 2009 niet meer in [het verzorgingstehuis] teruggekeerd. [mentor van eiseres] q.q. heeft een persoonsgebonden budget aangevraagd voor de verzorging van [eiseres]. In zijn brief van 2 maart 2009 heeft [mentor van eiseres] q.q. aan SRVZ medegedeeld dat [eiseres] pas terug zou keren in [verzorgingstehuis] nadat de door hem genoemde voorwaarden in vervulling zouden zijn gegaan. Daarop heeft SVRZ schriftelijk aan [mentor van eiseres] q.q. medegedeeld dat zij niet aan zijn wensen kon voldoen en dat zij – vanwege de langdurige afwezigheid van [eiseres] – de kamer van [eiseres] aan een ander zou toewijzen. SRVZ verzocht [mentor van eiseres] q.q. tot slot de spullen van [eiseres] op te komen halen. [mentor van eiseres] q.q. heeft aan dat verzoek voldaan. Dat hij op enigerlei wijze bezwaar heeft gemaakt tegen de toewijzing van de kamer van [eiseres] aan een derde of dat hij aan SVRZ kenbaar heeft gemaakt dat met het verlaten van die kamer geen afstand werd gedaan van het recht op verzorging van [eiseres] in [verzorgingstehuis], is niet gesteld of gebleken. Deze omstandigheden, gevoegd bij de mededeling van [mentor van eiseres] q.q. ter terechtzitting dat zijn moeder in beginsel tot haar dood thuis zal worden verzorgd, leiden ertoe dat de rechtbank met SVRZ van oordeel is dat het handelen van [mentor van eiseres] q.q. redelijkerwijs niet anders kan worden uitgelegd dan als een opzegging van de zorgverleningsovereenkomst.

4.5. Gelet op voormeld oordeel luidt de conclusie dat [mentor van eiseres] q.q. geen belang meer heeft bij de door hem gevorderde veroordelingen, genoemd onder B tot en met D (zie overweging 3.1.). Die vorderingen zien allemaal op de situatie dat de verpleging van [eiseres] in [verzorgingstehuis] nog voortduurt of voort zal duren, wat – ook in die visie van [mentor van eiseres] q.q. – in beginsel niet meer de bedoeling is. Een principe-uitspraak, zoals [mentor van eiseres] q.q. die voor ogen heeft, en waarmee hij kennelijk van de rechtbank een uitspraak wenst over de vraag of SVRZ in de afgelopen jaren al dan niet tekort is geschoten in de zorg over zijn moeder, kan niet worden gegeven. Een en ander zou als het ware neerkomen op een ‘verklaring voor recht’. Een zodanige vordering is niet ingesteld. Ook een vordering tot het – in de toekomst – opnieuw opnemen van [eiseres] in [verzorgingstehuis], is niet ingesteld. De vorderingen B tot en met D zullen dan ook worden afgewezen.

4.6. Het onder A gevorderde treft hetzelfde lot. SRVZ heeft aangevoerd dat zij van alle patiënten een digitaal zorgdossier bijhoudt, dat dit dossier meer informatie bevat dan een medisch dossier (zodat het medische als het ware een onderdeel vormt van het zorgdossier), dat [mentor van eiseres] q.q. inzage heeft in dat digitale zorgdossier en dat hij steeds uitdraaien ontvangt van het systeem als er nieuwe informatie over [eiseres] beschikbaar is, of als zich wijzigingen hebben voorgedaan in haar verzorging/verpleging. Tegenover die uitleg van SRVZ moet het standpunt van [mentor van eiseres] q.q. dat hij bij gebrek aan wetenschap ontkent dat het medisch dossier een onderdeel is van het zorgdossier als onvoldoende gemotiveerd worden gekwalificeerd. Van hem had mogen worden verwacht dat hij concreet had aangegeven welke informatie – die hij voorheen in het (strikt) medisch dossier van [eiseres] aantrof – niet (meer) voorhanden is in het zorgdossier. Dit onderdeel van de vordering van [mentor van eiseres] q.q. moet daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.7. Nu de vorderingen van [mentor van eiseres] q.q. worden afgewezen, zal hij als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure dienen te dragen. Die kosten worden begroot op: - vast recht € 254,00

- salaris procureur € 1.728,00 (4,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal € 1.982,00

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [mentor van eiseres] q.q. in de proceskosten, aan de zijde van SRZ tot op heden

begroot op € 1.982,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2010.